Jeremia 33:17-26
Het drievoudig verbond van God, dat des koninkrijks met David en zijn zaad, dat van het priesterschap met Aaron en zijn zaad, en dat van de uitverkiezing met Abraham en zijn zaad, scheen geheel verbroken en verloren te zijn, zolang de gevangenschap duurde, maar hier wordt beloofd, dat, ondanks de afbreking en die tijdelijke schorsing, het in zijn drie delen zijn plaats hernemen zal, en dat aan de ware bedoeling en intentie er van zal ruimschoots beantwoord worden door de Nieuw-Testamentische zegeningen, afgebeeld door die geschonken worden aan de Joden, na hun terugkeer uit de gevangenschap.
I. Het verbond des koninkrijks zal bevestigd worden en de beloften daarvan zullen hun volledige vervulling hebben in het koninkrijk van Christus, de zoon van David, vers 17. De troon van Israël was omvergeworpen in de gevangenschap, de kroon was van haar hoofd gevallen, er was niemand, zittende op de troon Davids, Jechonia was kinderloos gestorven. Na hun terugkeer nam het huis van David weer een plaats van betekenis in, maar in de Messias is het, dat deze belofte vervuld wordt. Aan David zal niet afgesneden worden een man, die op de troon van het huis Israëls zitte. Want zolang de mens Jezus Christus ter rechterhand van de troon van God zit, de wereld regeert, en ze regeert tot welzijn van de kerk, wier levenwekkend Hoofd Hij is, en een verheerlijkt Hoofd over alles, zolang Hij is Koning over Zion, de berg Mijner heiligheid, heeft David een opvolger, en is het verbond met hem niet verbroken. Toen de Eerstgeborene ter wereld werd gebracht, werd van Hem verklaard: "God de Heere zal Hem de troon van Zijn vader David geven, en Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in van de eeuwigheid", Lukas 1:32, 33. Tot bekrachtiging hiervan wordt beloofd,
1. Dat het verbond met David even vast zal zijn als de wetten des hemels, met welker standvastigheid die van Gods beloften vergeleken wordt, Hoofdstuk 31:35, 36. Er is een verbond van de natuur, waarbij in de gewone loop van de natuur voorzien en waarbij zij geregeld is, hier een verbond van de dag en van de nacht genoemd, vers 20, 25, omdat dit een van de artikelen ervan is. Dat er zal zijn dag en nacht op hun tijd, naar de scheiding, bij de schepping tussen die beide gemaakt, toen God het licht van de duisternis scheidde, en hun onderlinge opvolging vaststelde, en voor ieder zijn regel, "dat grote licht tot heerschappij des daags en dat kleine licht tot heerschappij des nachts, ook de sterren," Genesis 1, 4, 5, 16, welke regeling hernieuwd werd na de zondvloed, Genesis 8:21, en sinds die steeds zo gebleven is, Psalm 19:2. De morgen en de avond hebben sinds hun geregelde uitgangen, Psalm 65:8, de dageraad kent zijn plaats, kent zijn tijd, en houdt beide, zo ook de schaduwen van de avond, en zolang de wereld bestaat zal deze loop niet veranderd, dit verbond niet verbroken worden. De ordeningen des hemels en van de aarde (van deze gemeenschap tussen hemel en aarde, de heerschappij van deze ordeningen des hemels op de aarde) die God gesteld heeft, vers 25, vergelijk Job 38:33, zullen nimmer verstoord worden. Zo vast zal het verbond van de verlossing zijn met de Verlosser, Gods knecht, en David onze koning, vers 21. Dit betekent, dat Christus een kerk zal hebben op aarde tot het einde van de wereld, Hij zal een zaad zien, waarin Hij Zijn dagen verlengen zal, totdat er geen tijd en geen dag meer zijn zal. Het koninkrijk van Christus is een koninkrijk van alle eeuwen, en wanneer het einde zal zijn, en niet eerder, zal Hij het koninkrijk Gode, ja de Vader overgeven. Maar het betekent ook, dat zijn toestand in deze wereld gemengd en afwisselend zal zijn, voorspoed en tegenspoed zullen elkaar opvolgen, evenals licht en duisternis, dag en nacht. Maar dit wordt ons duidelijk geleerd, dat, zo zeker als wij er zijn kunnen dat, hoewel de zon van avond onder zal gaan zij morgenochtend weer op zal gaan, `t zij, dat wij leven en het zien, of niet, wij even zeker mogen zijn, dat, hoewel het koninkrijk van de Verlosser in deze wereld voor een tijd bewolkt en verduisterd kan worden, door zonde en door vervolgingen, het toch weer schitteren zal, en zijn luister hernemen, op de bepaalde tijd.
2. Dat het zaad van David talrijk zal zijn gelijk het heir des hemels, dat is het geestelijk zaad van de Messias, dat Hem geboren zal worden door de kracht van Zijn evangelie en de medewerking van Zijn Geest. "Uit de baarmoeder des dageraads zal U de dauw Uwer jeugd zijn om Uw zeer gewillig volk te zijn", Psalm 110:3. Christus' zaad, dat zijn niet, als dat van David, Zijn opvolgers, maar Zijn onderdanen, toch zal de dag komen, dat zij ook met Hem zullen regeren, vers 22 :Gelijk het heir des hemels niet geteld kan worden, alzo zal Ik vermenigvuldigen het zaad van David, zodat er geen gevaar zal zijn, dat het koninkrijk uitgeroeid of vernietigd zal worden, bij gebrek aan erfgenamen. De kinderen zijn talrijk, en indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen.
II. Het verbond des priesterschaps zal bevestigd worden, en zijn beloften zullen ook hun volledige vervulling vinden. Dit scheen eveneens vergeten te zijn in de gevangenschap, waar geen altaar was, en geen tempeldienst, door de priesters waar te nemen, maar ook dit zal herleven. Dat gebeurde ook, onmiddellijk na hun terugkomst te Jeruzalem waren er priesters en Levieten gereed, "om brandofferen te offeren, brandofferen des morgens en des avonds," Ezra 3:2, 3, zoals hier beloofd wordt, vers 18. Maar die priesterschap ging spoedig tot bederf over, "het verbond met Levi werd verdorven," Maleachi 2:8, en bij de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen werd er voor goed een eind aan gemaakt. Wij moeten daarom elders zoeken naar de vervulling van dit woord, dat het verbond met de Levieten, de priesters, Gods dienaren, even vast zal zijn, even lang zal duren als het verbond van de dag en van de nacht, En wij vinden het overvloedig vervuld,
1. In het priesterschap van Christus, `t welk dat van Aaron vervangt, en waarvan het laatste de afschaduwing is. Zolang die grote Hogepriester van onze belijdenis nog voortgaat voor het aangezichte Gods voor ons te verschijnen, met Zijn bloed, waardoor Hij verzoening heeft teweeggebracht, met het reukwerk van Zijn voorspraak, kan naar waarheid gezegd worden, dat "de Levietischen priesteren niet zal worden afgesneden van voor Mijn aangezichte, een van die slachtoffers bereide alle de dagen." Hij is een Priester in eeuwigheid, Hebreeën 7:3, 11. Het verbond des priesterschaps wordt genoemd een "verbond des vredes," Numeri 25:12, "het leven en de vrede," Maleachi 2:5. Nu zijn wij zeker, dat dit verbond niet verbroken is, noch in het minst verzwakt, zolang Jezus Christus zelf ons leven en onze vrede is. Dit verbond des priesterschaps wordt hier herhaaldelijk verbonden met dat des koninkrijks, want Christus is een "Priester op Zijn troon," gelijk Melchizedek.
2. In een geordende bediening van het Evangelie. Zolang er getrouwe dienaren zijn om voor te gaan in de godsdienstige samenkomsten, en de geestelijke offeranden van gebed en lof te offeren, zal de Levietischen priesteren niet worden afgesneden een man, die offere, en deze hebben "zoveel uitnemender bediening gekregen." De apostel stelt hen, die het Evangelie prediken, in de plaats van hen, die het altaar bedienden 1 Corinthiers 9:13, 14.
3. In alle ware gelovigen, die een "heilig priesterdom, en een koninklijk priesterdom" zijn, 1 Petrus 2:5, 9, "Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode," Openbaring 1:6, zij offeren "geestelijke offeranden, die Gode aangenaam zijn," en zichzelf in de eerste plaats, een levende offerande. Van deze Levieten moet de belofte verstaan worden, vers 22, dat zij talrijk zullen zijn, gelijk het zand van de zee, hetzelfde, dat in het algemeen van Israël beloofd wordt Genesis 22:17, want heel het geestelijk Israël Gods zijn geestelijke priesters, Openbaring 5:9, 10, 7:9, 15.
III. Het verbond van de uitverkiezing zal eveneens bevestigd worden en de beloften van dat verbond zullen haar volkomen vervulling vinden in het Israël van het Evangelie. Zie,
1. Hoe dit verbond gedurende de gevangenschap verbroken werd geacht, vers 24. God vraagt de profeet: Hebt gij niet gehoord en hebt gij niet gezien, wat dit volk spreekt? `t zij de vijanden van Israël, die triomfeerden in de uitvoering van een volk, dat zoveel beroering in de wereld veroorzaakt had, of de ongelovige Israëlieten zelf, "dit volk, onder wie gij woont, zij hebben hun verbond met God verbroken en twisten dan met Hem, alsof Hij niet getrouwelijk met hen gehandeld hadt." De twee geslachten, die de Heere verkoren had, Israël en Juda, terwijl zij een waren, toen Hij ze verkoos die heeft Hij nu verworpen. Ja, zij versmaden Mijn volk, dit is zij versmaden het voorrecht Mijn volk te zijn, alsof het een voorrecht zonder enige waarde was. De naburige volken versmaadden hen, alsof het geen volk meer is, maar de overblijfselen van een volk, en beschouwden al hun roem als stof en as, maar zie ook,
2. Hoe vast het verbond niettemin staat, zo vast, als dat van de dag en de nacht, eer zal God toestaan, dat dag en nacht ophouden dan dat Hij het zaad Jakobs zal verwerpen. Dit kan geen betrekking hebben op het zaad van Jakob naar het vlees, want dat is verworpen maar op de christelijke kerk, aan welke al deze beloften zouden te beurt vallen, als blijkt uit de verhandeling van de apostel, Romeinen 11:1, enz, Christus is dat zaad van David, dat de eeuwige heerser zal zijn over het zaad van Abraham, Izak en Jakob, en evenals dit volk zulk een koning nimmer ontbreken zal, zo zal ook deze koning zo'n volk nimmer ontbreken. Het christendom zal voortgezet worden in de heerschappij van Christus, en de onderwerping van de christenen aan Hem, totdat dag en nacht niet meer zijn zullen. En als onderpand daarvan wordt de belofte opnieuw herhaald: Ik zal hun gevangenis wenden, en als Ik ze wedergebracht heb, zal Ik Mij hunner ontfermen. Op wie deze belofte betrekking heeft, blijkt uit Galaten 6:16, waar allen, die "naar deze regel zullen wandelen, het Israël Gods" genoemd worden, "over deze zal zijn vrede en barmhartigheid."