12. Dit is de weg van het huis: op de hoogte des bergs(
Hoofdstuk 40:2) zal zijn ganse grens, rondom henen, het huis naar zijn gansen omtrek, ene heiligheid der heiligheden zijn; ziet, dit is de wet van het huis.
Niet door Israëls kracht en verdienste overkomt het de zegen, het is Gods vrije genade en ontferming. Dezelfde God, tegen wien Israël zo zwaar zondigde, dat Hij zo hard moest straffen, is ook zijn ontfermer, degene, die de volheid van zegen geeft. Deze is bevat en omsloten in het nieuwe heiligdom, hetwelk de almachtige hand van God wil oprichten tot vreugde en tot heil Zijner gemeente. Daarom heeft God deze heerlijke openbaring aan het wolk gegeven, en den Profeet tot een verkondiger daarvan uitverkoren, opdat Israël bij het zien op grootheid en den oneindigen rijkdom dier genade met diepe schaamte en met berouw vervuld worde; hier was meer beloofd, dan het kon vermoeden, bidden en verstaan; hier opende zich ene bron van den rijksten troost, welke de stoutste verwachtingen overtrof.
De verkondiging van den nieuwen tempel moet volgens Vers 16 die van het huis Israëls er in de eerste plaats toe leiden, dat zij zich schamen over hun misdaden. In het aangezicht der genade Gods, welke zich in de toekomst aan hen zal openbaren, zullen zij door diepe schaamte worden aangegrepen over hun vroegere zonden tegen den liefderijken God, die ondanks deze niet moede wordt hun goed te doen, en hun het onderpand Zijner tegenwoordigheid teruggeeft. Zij worden door Gods genade tot berouw geleid (Romeinen 2:3). En wanneer nu deze vrucht der boete bij hen is bevestigd, en zij dus het huisrecht in het huis der toekomst verkregen hebben, zo meten zij de afbakening van het huis niet als architekten, maar even als Abraham het hun beloofde land in de lengte en breedte doortrok (Genesis 13:6), in het belang der huisgenoten in het te bewonen huis. Zij volgen nadenkend en vol liefde en dank de in het vorige aangegevene maten en verkrijgen door deze werkzaamheid een voorsmaak van hetgeen hun in werkelijkheid zal ten deel worden. De Profeet moet hen volgens Vers 11 vervolgens nog verder inleiden in den aard van het nieuwe gebouw, hetgeen zo veel gewichtiger is, daar met de bouworde, geheel anders dan bij gewone gebouwen, voorschriften en wetten hand in hand gaan, zodat hier alles practische betekenis heeft. De muur bijv. welke volgens Hoofdstuk 42:20 het geheel omgaf, te scheiden in een heiligen en gewonen, was de in stenen geschreven wet: "Zijt heilig, want Ik ben heilig. " in de wachtplaatsen was het woord: "buiten zullen zijn de honden en de hoereerders en de moordenaars en alle afgodendienaars" belichaamd, enz.
Volgens het slotwoord in Vers 12 is de grondwet van het heilig houden van het huis deze: het ganse tempelgebouw met de ringmuur zal het allerheilige zijn voor het land Israëls, gelijk het achterste gedeelte des tempels het allerheilige is van het huis Gods.
13.
VII. 13-27. Door het intrekken der Goddelijke heerlijkheid in den nieuwen tempel is deze nu tot ene eeuwige woonplaats des Heeren in het midden van Zijn volk geheiligd, maar voordat dit zijnen godsdienst kan houden, wordt eerst gesproken van het brandofferaltaar, dat in het voorhof staat, en waarvan reeds boven (Hoofdstuk 40:47) in `t voorbijgaan werd melding gemaakt. Dit is van te groot gewicht om het niet nog eens en in bijzonderheden te bespreken. Daarom voegt hier ene uitvoerige beschrijving daarvan (Vers 13-17), en wordt daarmee het ritueel tot zijne inwijding verbonden (Vers 18-27).