Ezechiël 3:1-15
Deze verzen werden door sommige uitleggers bij het vorige hoofdstuk gevoegd, als een gedeelte daarvan en de voortzetting van hetzelfde gezicht. De profeten ontvingen het Woord van God, opdat zij het aan Gods volk zouden overbrengen, zij werden er zelf door onderricht, opdat zij het volk met de mening en de wil van God zouden bekend maken. Hier wordt de profeet geleerd
I. Hoe hij zelf goddelijke openbaring moest ontvangen, vers 1. Christus (Die hij op de troon zag, Hoofdstuk 1:26) zei tot hem: "Mensenkind, eet deze rol, laat deze openbaring tot uw verstand doordringen, ontvang ze, vat de bedoeling ervan, versta ze wel, laat ze in uw hart zinken, pas ze toe, word er door bewogen, prent ze in uw geheugen, kauw en herkauw ze, neem ze als een geheel en laat u dat niet moeilijk vallen, ja, vind er vermaak in als in uw maaltijden, en laat uw ziel er door gevoed en versterkt worden, laat ze uw eten en uw drinken zijn, als noodzakelijk voedsel, word er mee vervuld, als met hetgeen uw lichaam nuttigt." Zo behoren predikanten in hun studiën en overdenkingen dat Woord Gods in te drinken, dat zij anderen zullen prediken. "Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten," Jeremia 15:16. Zij moeten beide welbekend zijn met en diep aangegrepen worden door de dingen Gods, opdat ze er met klaarheid en warmte van kunnen spreken, met veel goddelijk licht en goddelijken gloed. Let nu op,
1. Hoe dit gebod de profeet wordt meegedeeld. In het vorige hoofdstuk staat: Eet wat Ik u geef, en hier, vers 1, Eet wat gij vinden zult, wat u door de hand van Christus wordt aangeboden. Zie, wat wij ook vinden Gods Woord te zijn, wat ook ons gebracht wordt door Hem, die het Woord is, moesten wij zonder tegenspraak aannemen. Wat wij in de Schrift ons voorgezet vinden, dat moeten wij eten. En wederom, vers 3, Geef uw buik te eten, en vul uw ingewand met deze rol. Gij moet niet eten en weer opgeven als iets walgelijks, maar eet en behoud het als iets voedzaams en geschikt voor uw maag. Voed u met dit gezicht, zodat gij "van de woorden vol zijt als Elihu," Job 32:18. Laat het Woord een plaats bij u hebben, en wel de diepste plaats. Wij moeten met ons gemoed moeite doen om het Woord Gods behoorlijk te ontvangen en te bewaren, opdat ieder vermogen zijn functie vervulle, om het Woord Gods goed te verteren, opdat het worde omgezet "in succum et sanguinem, in sap en bloed". Wij moeten ons van wereldse dingen ontledigen, opdat wij onze ingewanden met de rol mogen vullen.
2. Hoe dit bevel verstaan wordt, vers 10 :Vat al Mijn woorden, die Ik tot u spreken zal, om tot het volk gesproken te worden, neem dit in uw hart op, gelijk gij ze met uw oren hoort, ontvang ze met liefde. Laat Mijn woorden tot uw oren ingaan, Handelingen 2:14. Christus vraagt de aandacht van de profeet niet slechts voor wat Hij nu zegt, maar ook voor wat hij daarna zal horen: "Ontvang het alles in uw hart, bedenk deze dingen, wees hierin bezig," I Timotheus 4:15.
3. Hoe dit bevel in een gezicht gehoorzaamd werd. Hij opende zijn mond en Christus gaf hem die rol te eten, vers 3. Indien wij waarlijk gewillig zijn, het Woord in onze harten te ontvangen, zal Christus het door Zijn Geest er in leggen en daarin rijkelijk doen komen. Indien Hij, die de rol opent, en door zijn Geest als een Geest van de openbaring voor ons uitspreidt, ook niet ons verstand opende, door de Geest als een Geest van de wijsheid, ons er kennis van gaf en ze ons deed eten, dan zouden wij eeuwig vreemdelingen blijven. De profeet had reden te menen, dat de rol iets onsmakelijks zou zijn en een droeven maaltijd uitmaken, maar hij was in zijn mond als honing, vanwege de zoetigheid. Zie, als wij geredelijk zelfs de moeilijkste bevelen gehoorzamen, zullen wij troost vinden in de volbrenging, die ons overvloedig zal vergoeden wat onaangenaams wij op de weg van onze plicht ontmoeten. Ofschoon de rol gevuld was met klaagliederen en rouw en wee, het was de profeet als honing vanwege de zoetigheid. Zie, begenadigde zielen ontvangen met groot genot dezelfde goddelijke waarheden, die bij goddeloze schrik verwekken. Wij vinden iets dergelijks in de Openbaring van Johannes, Hoofdstuk 10:9, 10. "Hij nam dat boek uit de hand van de engel, en hij at dat op, en het was in zijn mond zoet als honing, maar zijn buik was bitter". Zo ook Ezechiël, want, vers 14 de profeet ging henen, bitterlijk bedroefd.
II. Hoe hij de zelf ontvangen goddelijke openbaring de volke moest verkondigen: Eet deze rol, en ga dan henen en kom tot het huis Israëls. Hij moest de dingen Gods niet anderen onderwijzen, voordat hij ze zelf ten volle verstond. Hij moet zonder dat zijn boodschap niet gaan doen, noch half werk leveren. Maar wanneer hij ze ten volle begreep, dan moest hij onvermoeid en onbevreesd bezig zijn, ze anderen te prediken. Wij moeten "de reden van de heiligen niet verborgen houden," Job 6:10, want dat zou zijn het ons geschonken talent begraven, in plaats van ermee te handelen. Hij moest heengaan en spreken tot het huis Israëls, want het was deszelfs voorrecht, dat Gods inzettingen en oordelen hun bekend gemaakt waren, daar de wetgeving en de profetie Israël toebehoren. Hij wordt niet naar de Chaldeën gezonden om die over hun zonden te bestraffen, maar met dat doel tot het huis Israëls, want een vader bestraft zijn eigen kind, als het zich misgaat, niet dat van een vreemde.
1. De aanwijzingen, die hem omtrent zijn prediking gegeven worden, zijn tamelijk wel dezelfde van het vorige hoofdstuk.
A. Hij moet tot het volk spreken alles wat en alleen wat God tot hem zou spreken. Hij had tevoren gezegd: Gij zult Mijn woorden tot hen spreken, Hoofdstuk 2:7, hier zegt Hij, vers 4 :Spreek tot hen met Mijn woorden. Hij moest niet slechts in hoofdzaak hetzelfde zeggen wat God tot hem gezegd had, maar zoveel mogelijk dezelfde woorden en uitdrukkingen gebruiken. Gezegende Paulus, die, hoewel een man van vindingrijkheid en taalkennis, toch van "de dingen Gods spreekt in woorden, die de Heilige Geest leert," 1 Corinthiers 2:13. Schriftuurlijke waarheden worden het best met Schriftwoorden, hun natuurlijk kleed, weergegeven, en hoe kunnen wij beter Gods gedachten uitspreken dan met Zijn eigen woorden?
B. Hij moest bedenken, dat hij gezonden werd "tot het huis Israëls," Gods volk en zijn volk, waarin hij bijzonder belang stelde, en dat hij met trouwe tederheid zou behandelen. Met dat volk had hij nauwe kennis, wijl hij niet alleen hun landgenoot, maar hun "deelgenoot in de verdrukking" was, hij en zij waren medelijders en enige tijd te voren mede-reizigers geweest, die onder droeve omstandigheden van Jeruzalem naar Babel getrokken waren. Zij hadden vaak hun tranen gemengd, en dat kon hun wederzijdse genegenheid slechts doen toenemen. Het was een zegen voor het volk, dat het een profeet had, die uit ondervinding wist, hoe hij met hen kon medelijden hebben, en het kon niet anders, of hij moest hun zwakheden verstaan en dragen. Het was een zegen voor de profeet, dat hij met zijn eigen volk te doen had, niet met "een volk van een vreemde spraak en zware taal," onbesneden van lippen zodat men hun bedoeling niet kon verstaan, en zwaar van tong, met wie men uiterst moeilijk of onmogelijk was, om te gaan. Iedere vreemde taal schijnt ons zwaar en moeilijk toe. "Niet tot vele volkeren diep van spraak en zwaar van tong," die gij niet verstaat en die u niet verstaan, tenzij met behulp van een tolk. De apostelen werden wel gezonder tot vele volkeren met een vreemde taal, maar zij konden onder hen geen goed gedaan hebben, zo zij niet de gave van de talen gehad hadden. Ezechiël evenwel werd gezonden tot een volk, een klein volk, zijn eigen volk, bij hetwelk hij mocht hopen gehoor te vinden wijl hij hun zo bekend was.
C. Hij moest bedenken, wat God hem reeds had bekend gemaakt omtrent het slechte karakter dergenen, tot wie hij gezonden werd, opdat hij niet zou teleurgesteld worden, wanneer hij tegenspoed en ontmoediging ontmoette. Zij zijn weerspannig, vers 7. Geen overtuiging van zonde deed hen blozen, geen aankondiging van wraak deed hen beven. Twee dingen verzwaarden hun hardnekkigheid.
a. Dat zij hardnekkiger waren dan hun naburen zouden geweest zijn, zo de profeet tot hen gezonden was. Had God hem tot enig ander volk gezonden, of schoon van een vreemde spraak dat zou zeker naar hem gehoord hebben, die zouden hem althans geduldig hebben aangehoord en hem die eerbied betoond, die zijn eigen landgenoten hem onthielden. De Ninevieten hoorden naar de prediking van Jona, terwijl zijn eigen volk, omringd door zo groot een wolk van profeten, onboetvaardig en onbekeerd bleef. Maar wat zullen wij tot deze dingen zeggen? De genademiddelen worden dengenen gegeven, die ze niet gebruiken, en hun onthouden, die ze zich zouden ten nutte maken. Wij moeten dit aan de goddelijke soevereiniteit overlaten en zeggen: Heere, Uwe oordelen zijn een diepe afgrond.
b. Dat zij tegen God zelf hardnekkig waren: "Zij zullen naar u niet horen, en geen wonder, want zij willen naar Mij niet horen." Zij zullen geen acht slaan op het woord van de profeet, omdat zij geen acht slaan op de roede Gods, waardoor des Heeren stem roept op de straten. Indien zij God niet geloven, wanneer Hij door Zijn dienaar spreekt, zullen zij evenmin geloven, als Hij door een stem van de hemel tot hen spreekt. Ja, daarom verwerpen zij wat de profeet zegt, omdat het van God komt, tegen Wien het bedenken des vleses vijandschap is. Zij zijn vooringenomen tegen de wet Gods, en daarom zijn hun oren doof voor de profeet, wiens taak het is, hun die wet voor te houden.
D. Hij moet zich vast voornemen, goeden moed te houden, en Christus belooft hem, hem daarin te stalen, vers 8, 9. Hij wordt gezonden tot dezulken, die stijf van voorhoofd en hard van harte zijn, die geen indruk wensen te ontvangen noch bewerkt te worden noch door aangename noch door onaangename middelen, die er zich op beroemen, dat zij Gods gezant weerstaan en zijn boodschap minachten. Het zal een moeilijke zaak zijn, te vatten hoe hij hen behandelen moet: maar
a. God zal hem bekwamen om een goed gelaat te tonen: Ik heb uw aangezicht stijf gemaakt tegen hun aangezichten, u begiftigd met al de stoutmoedigheid en onverschrokkenheid, die ge zult nodig hebben. Misschien was Ezechiël van nature bescheiden en verlegen, maar, zo God hem niet geschikt vond, maakte Hij hem door genade geschikt, om de grootste bezwaren onder de ogen te zien. Zie, hoe onbeschaamder goddeloze lieden zijn in hun verzet tegen de godsdienst, zoveel duidelijker en beslister moet Gods volk zich tonen in de praktijk en de verdediging van de godsdienst. "De onschuldige zal zich tegen de huichelaar opmaken", Job 17:8. Als de ondeugd brutaal wordt, moet de deugd niet terugkruipen. En wanneer God werk heeft te doen, zal Hij er de mensen toe bezielen en hun kracht geven naar ze behoeven. Als er aanleiding toe bestaat, kan en wil God door Zijn genade de voorhoofden van Zijn getrouwe dienaren als een diamant maken, zodat de meest dreigende machten hen niet van hun stak kunnen brengen. "De Heere Heere helpt mij, daarom word ik niet te schande, daarom heb ik mijn aangezicht gesteld als een keisteen," Jesaja 50:7. b. Hem wordt daarom bevolen, goede moed te houden, en met heilige verzekerdheid voort te gaan met zijn arbeid, noch op de bedreigingen noch op de tegenstand van zijn vijanden lettende: "Vrees hen niet en ontzet u niet voor hun aangezichten, laat de dreigementen hunner onmachtige boosaardigheid u niet ontmoedigen noch een struikelblok voor uw voet zijn". Stoutmoedige zondaren hebben stoutmoedige bestraffers nodig, "kwade beesten moeten scherp bestraft worden," Titus 1: 12, 13, moeten "door vreze behouden worden, Judas : 23. Zij, die zich dicht bij de dienst des Heeren houden, mogen van Zijn gunst zeker zijn, en dus behoeven zij zich niet te ontzetten om de trotse blikken van de mensen. Laat geen boos aangezicht, dat een scherpe tong doet afdeinzen, geen bestraffende tong verschrikken.
E. Hij moest met zijn prediking voortgaan afgezien van de indruk, die ze zal maken vers 11. Hij moest tot de weggevoerden gaan die, omdat zij beproefd werden, zijn onderwijs naar hij hopen mocht, zouden aannemen. Hij moest op de kinderen zijns volks zien, met wie hij nauw verbonden was, en voor wie hij dus teder medelijden koesterde, gelijk Paulus voor zijn broederen, Romeinen 9:3. En hij moest hun niet alleen zeggen wat de Heere hem mededeelde, maar ook dat de Heere het hem mededeelde. Hij moest spreken in Gods naam en zijn woord steunen met Gods gezag: "Zo zegt de Heere Heere, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen." Niet dat het ons onverschillig moet zijn, welke gevolgen onze bediening heeft, maar wat die ook mogen zijn wij moeten voortgaan met onze arbeid en de uitkomst de Heere overlaten. Wij moeten niet zeggen: Hier zijn zulke goede mensen, dat wij tot hen niet behoeven te spreken, of: Hier zijn zulke slechte, dat ons spreken toch niet zou baten. Maar hoe uw hoorders ook zijn breng uw boodschap getrouwelijk, zeg hun "Zo zegt de Heere Heere, " en, indien zij uw woord verwerpen, zal het hun eigen schuld zijn.
2. Nadat de profeet volledige voorschriften gegeven zijn, hoe zijn taak te volbrengen, wordt ons hier gemeld,
A. Met welke voldoening de heilige engelen zijn zending toejuichen, nu zij met vreugde zien, dat een schepsel, lager dan zij zelf, met zulk een eervolle arbeid belast wordt. Hij hoorde een stem van grote ruising, vers 12 alsof de engelen samenstroomden om de wijding van de profeet te aanschouwen, "want hun is bekend gemaakt door de gemeente (dit is door de gemeente gade te slaan) de veelvuldige wijsheid Gods," Efeziers 3:10. Zij schenen om strijd dicht bij dit grote gezicht te willen zijn. Hij hoorde het geluid van van de dieren vleugelen, die de een de ander raakten (of, wat het woord betekent) de een de ander kusten, wat de onderlinge genegenheid en hulp van de engelen aanduidt. Hij hoorde ook het geluid van de raderen van de Voorzienigheid, zich tegenover elkaar en in onderlinge harmonie bewegende. Dit alles moest dienen om zijn aandacht te trekken en hem te overtuigen, dat God hem zond, wie zo'n doorluchtig gevolg had, bezat ongetwijfeld macht genoeg om hem door al zijn arbeid heen te helpen. Maar al dit geruis eindigde in een woord van lof. Hij hoorde hen zeggen: "Geloofd zij de heerlijkheid des Heeren uit zijn plaats."
a. Uit de hemel, Zijn plaats omhoog vanwaar Zijn heerlijkheid nu in een gezicht neerdaalde, of waarheen ze nu misschien terugkeerde. Laat de talloze engelenscharen instemmen met die, welke in dit visioen dienen zeggende: "Geloofd zij de heerlijkheid des Heeren. Looft de Heere uit de hemelen. Looft Hem, alle Zijn engelen," Psalm 148:1, 2.
b. Uit de tempel, Zijn plaats beneden, vanwaar Zijn heerlijkheid nu heenging. Zij betreuren het verdwijnen van de heerlijkheid, maar aanbidden Gods rechtvaardigheid, hoe het ook zij, God zij geloofd en groot gemaakt en zal dat eeuwig zijn. De profeet Jesaja hoorde God dus prijzen, toen hij zijn roeping ontving, Jesaja 6:3. Het is allen getrouwe dienaren Gods een troost, wanneer zij zien hoe God in dit ondermaanse wordt onteerd, te weten, hoe Hij in hogere gewesten wordt bewonderd en verheerlijkt. "De heerlijkheid des Heeren wordt uit onze plaats menigwerf niet geëerd, maar ten hoogste geprezen uit Zijn plaats".
B. Ondanks de traagheid van zijn eigen geest, bracht de machtige invloed van de Geest des Heeren hem tot het volbrengen van zijn taak. De genade, hem gegeven, was niet ijdel, want
a. De Geest leidde hem weg met een sterke hand. God gebood hem te gaan, maar hij verroerde zich niet, totdat de Geest hem opnam. De Geest van de dieren, die in de raderen was, woonde nu ook in de profeet en hief hem op, eerst om duidelijker de lofzang van de engelen te horen vers 12, maar vervolgens, vers 14, hief de Geest hem op en nam hem weg naar zijn werk, waarin hij weinig lust had, daar hij liefst geen ellende over zich zelf noch over zijn volk bracht. Hij zou zich gaarne verontschuldigd hebben, maar moest, gelijk een andere profeet, erkennen, Jeremia 20:7 :"Gij zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht." Ezechiël zou al wat hij gehoord en gezien had, gaarne voor zich gehouden hebben opdat het niet ruchtbaar werd, maar de hand des Heeren was sterk op hem, vers 18, en overwon hem, hij werd medegevoerd, in strijd met zijn eigen neigingen, door zijn profetische roeping, zodat hij "niet anders kon dan spreken de dingen, die hij gezien en gehoord had," Handelingen 4:20. Zie, gelijk God degenen, die Hij tot de bediening roept, met kennis verrijkt, zo maakt Hij ook hun hart gewillig.
b. Hij volgde met een bitterlijk bedroefd hart: De Geest nam mij weg, schrijft hij, en ik ging henen, bitterlijk bedroefd door de hitte mijns geestes. Hij had misschien gezien, welke moeilijke taak Jeremia te Jeruzalem had gehad, toen die aldaar als profeet opstond, wat bezwaren hij ontmoet en wat tegenstand hij ondervonden had, hoe hij met hand en tong was tegengestaan, en hoe al die mishandeling toch niets had uitgewerkt. "En", denkt Ezechiël, "moet ik, gelijk hij, tot een teken gesteld worden?" Het leven van een banneling was zo reeds erg genoeg, wat zou dan het leven van een profeet in ballingschap zijn? Daarom ging hij met deze ontevredenheid heen. Zie, er mag in sommige gevallen een grote onwilligheid zijn om kwaad aan te kondigen, zelfs wanneer de genade de overhand heeft. "Ik ben dat hemels gezicht niet ongehoorzaam geweest", zegt Paulus, niet terugdeinzende, gelijk Jona. Maar Ezechiël ging, bitterlijk bedroefd, of (naar de Engelse vertaling) in bitterheid dewijl hij er heel geen lust toe had. Toen hij de goddelijke openbaring zelf ontving, was ze hem zoet als honing, vers 3. Hij kon er met grote blijdschap tal van dagen aan gedacht hebben, maar toen hij ze anderen moest verkondigen, die hij voorzag, dat er door verhard en vertoornd, en wier oordeel er door verzwaard zou worden gaat hij in bitterheid. Zie, het is een groot verdriet voor getrouwe predikers en doet ze met een bezwaard hart hun werk verrichten, wanneer ze met onhandelbare en onwillige lieden te doen hebben. Hij ging in de hitte zijns toorns, om de teleurstelling, die hij wist te zullen ondervinden. Maar de hand des Heeren was sterk op hem, niet alleen om hem tot zijn arbeid te dringen, maar ook om hem er toe te bekwamen, en er hem doorheen te helpen, en hem te sterken tegen de moeilijkheden, die hem wachtten (zo kunnen wij het verstaan). Toen hij zo bewerkt was, gevoelde hij er zich mee verzoend en volbracht zijn taak met lust: Toen kwam hij tot de weggevoerden, vers 15, naar de ene of andere plaats, waar velen van hen vergaderd waren, en bleef waar zij woonden, arbeidende, of levende, of sprekende, en bleef in het midden van hen zeven dagen om te horen wat zij zeiden en gade te slaan wat zij deden. Al die tijd wachtte hij op het Woord des Heeren, dat tot hen zou komen. Zie, zij, die gepaste en nuttige woorden tot de mensen willen spreken, omtrent het heil van hun zielen, die moeten hen en hun toestand kennen, die moeten als Ezechiël blijven waar zij wonen en met belangstelling over de dingen Gods spreken, zich hun toestand indenken, "al zitten die lieden ook aan de rivieren van Babylon." Maar merk op: hij zat daar verbaasd, overstelpt van droefheid over de zonde en ellende van zijn volk en nog geheel onder de indruk van het gezicht. dat hem was te beurt gevallen. "Hij zat daar wanhopig (gelijk sommigen vertalen), God toonde hem geen visioenen en bezocht hem niet". Zo moest hij zijn smart overwinnen en in een betere stemming geraken, "eer het woord des Heeren tot hen komen kon". Zie, degenen, die God bestemt om Hem te loven en te dienen, vernedert en beproeft Hij voor een tijd.