11. En hiermede sluit Ik Mijne inleidende openbaring aan u, ga henen, kom tot de weggevoerden, tot de kinderen uws 1) volks, en spreek tot hen wat Ik in elk bijzonder geval u zal opdragen, en zeg tot hentot inleiding van elke prediking: Zo zegt de Heere HEERE! Alsdan hebt gij niet verder te vragen naar de uitwerking van uw woord, daaromtrent geldt het in
Hoofdstuk 2:5 gezegde: a) hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen 2). Gij hebt alleen uwe roeping getrouw waar te nemen.
a) Ezechiel 2:5, 7. 1) Het volk Israëls is hier niet meer Gods volk, maar volk van Ezechiël. Uw volk, zegt de Heere en niet, Mijn volk. Israël heeft het verbond verbroken, heeft God den rug toegekeerd, de afgoden nagehoereerd en is daarom van den Heere verlaten, in zo verre dat Hij het op dit ogenblik niet meer als Zijn volk erkent.
2) Wie zal horen, moet vertrouwen stellen in hem die spreekt; hij moet begeerte hebben om te horen, opdat hij het oor aan het Woord moge lenen. Hij hoort niet, wiens hart er niet bij is (Handelingen 16:14)
De Profeet moet spreken, men moge horen of niet; dat is de beslistheid van den man Gods, die een voorhoofd als een diamant.
Bij de inleiding van een predikant in zijn ambt: 1) wat de gemeente in het oog moet houden, namelijk, dat de prediker ook wel een mens is, maar dien God op zijne voeten stelt. 2) Wat de prediker in acht moet nemen, dat namelijk God met hem wil spreken, dat dus ook hij een hoorder moet geweest zijn, voordat hij voor de toehoorders optreedt; dan moet hij echter niet meer naar de toehoorders zien, doch alleen op den Heere.
12.
IV. Vers 12-21. Nadat de Profeet tot zijn roeping was toegerust en met het volk, waarmee hij te doen heeft, bekend was gemaakt, wordt hij nu ook door den Heere als in den geest naar de plaats van zijne werkzaamheid geveerd. Zwijgend en treurig zit hij ter neer onder degenen, tot welke hij geroepen is. Daarna komt echter tot hem de laatste instructie des Heeren, die tot volmaking van zijne roeping nog gevorderd wordt Deze houdt hem Zijn eigenlijk doel voor ogen, hetwelk daarin bestaat, dat hij een wachter voor Israël moet zijn, Gods woord tot hen moet brengen en hen van Gods wege waarschuwen. Zo wordt hem verklaard, hoever zijne verantwoordelijkheid zich uitstrekt, en in hoeverre hij op goeden uitslag kan rekenen.