Jesaja 6:1-4
Het gezicht, dat Jesaja gezien heeft, toen hij, zoals van Samuël gezegd is, 1 Samuël 3:20, bevestigd werd tot een profeet des Heeren, bedoelde:
1. Om zijn geloof te bevestigen, opdat hij zelf volkomen overtuigd zou zijn van de waarheid van de dingen, die hem later bekend gemaakt zullen worden. Aldus heeft God Zijn opdracht aan hem geopend, of ingeleid, maar dusdanig een visioen behoefde later niet bij iedere openbaring herhaald te worden. Aldus is God in het eerst als een God van de heerlijkheid verschenen aan Abraham, Handelingen 7:2, en aan Mozes, Exodus 3:2. De profetieën van Ezechiël en van Johannes beginnen met visioenen van de goddelijke heerlijkheid.
2. Om te werken op zijn genegenheden, opdat hij vervuld zou zijn van zo'n eerbied voor God, dat hij er door opgewekt zou worden voor de dienst van God en er tevens in bevestigd zou worden. Zij, die aan anderen de kennis des Heeren moeten leren, behoren zelf goed met Hem bekend te zijn.
Het visioen is gedateerd tot grotere zekerheid ervan, het had plaats in het jaar toen de koning Uzzia stierf, die meestal even voorspoedig en goed geregeerd heeft als wie ook van de andere koningen van Juda, en wiens regering meer dan vijftig jaar heeft geduurd. Omstreeks het tijdstip toen hij stierf, heeft Jesaja het visioen gezien van God, zittende op Zijn troon, want als de adem van vorsten uitgaat en zij weerkeren tot hun aarde, dan is dit onze troost dat de Heer in eeuwigheid zal regeren, Psalm 146:3, 4, 10. Israëls koning sterft, maar Israëls God leeft nog. Het sterven van grote en godvruchtige mannen moet een aanleiding voor ons zijn om met het oog van het geloof op te zien tot de eeuwige, onsterfelijke Koning. Koning Uzzia stierf onder een wolk, want hij was als een melaatse tot aan de dag van zijn dood opgesloten. Gelijk er aan het leven van vorsten een einde is, zo wordt ook hun heerlijkheid dikwijls verduisterd, maar gelijk God eeuwig is, zo is ook Zijn heerlijkheid eeuwig. Koning Uzzia sterft in een hospitaal, maar de Koning van de koningen zit op Zijn troon.
Wat de profeet hier zag, is ons geopenbaard opdat wij, geloof mengende met die openbaring, er als in een spiegel de heerlijkheid des Heeren in zien, laat ons dan ter zijde ons afwenden om met nederige eerbied dit grote gezicht te beschouwen.
I. Aanschouw God op Zijn troon, en die troon hoog en verheven, niet slechts boven andere tronen, daar hij ze overtreft, maar over andere tronen, daar hij er over heerst en gebiedt. Jesaja zag niet JHWH- de essentie, het wezen van God, (geen mens heeft dat gezien, noch kan het zien), maar Adonai-Zijn heerschappij, hij zag de Heer Jezus, aldus is dit gezicht verklaard in Johannes 12:41, namelijk dat Jesaja toen Christus' heerlijkheid zag en van Hem sprak, hetgeen een onweerlegbaar bewijs is van de godheid van onze Zaligmaker. Hij is het, die toen Hij na de opstanding neerzat aan Gods rechterhand, slechts neerzat waar Hij tevoren was, Johannes 17:5. Zie de rust van de eeuwige Geest: Jesaja zag de Heer zittende, Psalm 29:10. Zie de vrijmacht van de eeuwige monarch, Hij zit op een troon, een troon van de heerlijkheid, voor dewelke wij moeten aanbidden, een troon van de heerschappij, waaraan wij ons moeten onderwerpen, en een troon van de genade, tot welke wij met vrijmoedigheid kunnen toegaan. Deze troon is hoog en verheven boven alle mededinging en boven alle tegenspraak.
II. Aanschouw Zijn tempel, Zijn kerk op aarde, vervuld met openbaringen van Zijn heerlijkheid. zijn troon opgericht zijnde aan de deur van de tempel (zoals vorsten ten gericht zitten in de poorten) hebben Zijn zomen de tempel vervuld, dat is: de gehele wereld, want het is alles Gods tempel, en gelijk de hemel Zijn troon is, zo is de aarde Zijn voetbank, of liever, de kerk, die vervuld, verrijkt en versierd is met de tekenen van Gods bijzondere tegenwoordigheid.
III. Aanschouw de schitterende en zalige dienaren, die om Zijn troon geschaard zijn, in en door wie Zijn heerlijkheid gezien en bezongen wordt en Zijn regering wordt gediend, vers 2. Boven de troon, er boven zwevende, als het ware, of dicht bij de troon, er zich voor neerbuigende, met het oog er op gevestigd, stonden de serafim, de heilige engelen, die serafim genoemd worden, of branders, want Hij maakt Zijn dienaren tot een vlammend vuur, Psalm 104:4, zij branden van liefde tot God en ijver voor Zijn heerlijkheid tegen de zonde en Hij gebruikt hen als werktuigen voor Zijn toorn, als Hij een verterend vuur is voor Zijn vijanden. Of het slechts twee waren, of vier of-zoals ik veeleer denk-een talloos leger van engelen, dat Jesaja gezien heeft, is onzeker, zie Daniël 7:10. Het is de heerlijkheid van de engelen dat zij serafim zijn, warmte hebben in evenredigheid met hun licht, overvloed hebben, niet alleen van goddelijke kennis, maar van heilige liefde.
Er wordt bijzonder nota genomen van hun vleugels-en van geen ander deel van hun voorkomen-om het gebruik, dat zij ervan maakten, hetgeen bedoeld is tot onderricht van ons. Een ieder van hen had zes vleugels, niet opwaarts uitgestrekt zoals die, welke Ezechiël gezien heeft, Ezechiël 1:11, maar,
1. Vier werden gebruikt tot een bedekking, zoals de vleugels van een zittende vogel. Met de twee bovenste vleugels die het dichtst bij het hoofd zijn, bedekten zij hun aangezicht, en met de twee onderste vleugels bedekten zij hun voeten of hun benedendeel. Dit duidt hun grote nederigheid en hun eerbied aan in het dienen van God, want Hij is grotelijks geducht in de raad van deze heiligen, Psalm 89:8. Zij bedekken niet slechts hun voeten, die delen van het lichaam, die de minst heerlijk zijn, 1 Corinthiers 12:23, maar zelfs hun aangezicht, hoewel het aangezicht van engelen ongetwijfeld veel schoner is dan dat van mensenkinderen, Handelingen 6:15, maar toch, in de tegenwoordigheid Gods bedekken zij het, omdat zij de oogverblindende glans van de goddelijke heerlijkheid niet kunnen dragen, omdat zij zich bewust zijnde van een oneindige afstand van de goddelijke volmaaktheid, zich schamen om hun aangezicht te tonen voor de heilige God, die zelfs Zijn engelen dwaasheid ten laste legt, Job 4:18, indien zij het zouden beproeven om met Hem te wedijveren. Indien nu engelen aldus eerbiedig zijn in hun dienen van God, met welk een godvruchtige vreze behoren wij dan niet tot Zijn troon te naderen, want anders doen wij de wil van God niet, zoals de engelen hem doen. Maar Mozes heeft, als hij voor het aangezicht des Heeren kwam om met Hem te spreken, het deksel van zijn aangezicht afgenomen, 2 Corinthiers 3:18.
2. Van twee maakten zij gebruik om te vliegen, als zij op Gods boodschappen werden uitgezonden, zij vliegen snel, Daniël 9:21, sneller op hun eigen vleugels dan wanneer zij vlogen op de vleugels van de wind. Dit leert ons om het werk van God te doen met blijmoedigheid en bekwamen spoed. De engelen komen op hun vleugels van de hemel naar de aarde om ons ten goede te dienen, en zullen wij dan niet ons verheffen op vleugels van de aarde naar de hemel om met hen te delen in hun heerlijkheid? Lukas 20:36.
IV. Hoor hun koorzang of loflied, dat de engelen zingen tot eer van Hem, die op de troon zit, vers 3. Merk op:
1. Hoe dit lied werd gezongen, met vurigheid en ijver riepen zij luide, en met eenstemmigheid riepen zij, de een tot de ander, of de een met de ander, zij zongen bij beurten, maar in samenstemming en zonder de minsten wanklank om de harmonie te verstoren.
2. Wat het lied was, het is hetzelfde, dat gezongen werd door de vier dieren, Openbaring 4:8. God te loven is altijd het werk des hemels geweest, en zal het tot in eeuwigheid blijven en is de voortdurende bezigheid van de zalige geesten hierboven, Psalm 84:5. De kerk hierboven is in haar lofzeggingen dezelfde, er is daar geen verandering van tijd of van toon.
Voor twee dingen brengen de serafim hier aan God lofzegging.
A. Voor Zijn oneindige volmaaktheden in zichzelf. Hier is één van Zijn heerlijkste aanspraken op lof: Hij is de Heer der heerscharen van hun heerscharen, van alle heerscharen, en een van Zijn heerlijkste eigenschappen, Zijn heiligheid, zonder welke het niet zo'n reden van blijdschap en lofzegging zou wezen dat Hij de Heer der heerscharen is, of zoals het in de parallelplaats, Openbaring 4:8, is: de Heer, God de Almachtige want macht, zonder reinheid om haar te besturen, zou voor het mensdom een verschrikking wezen. Geen van al de goddelijke eigenschappen wordt in de Schrift zo geroemd en geprezen als deze, van Gods macht wordt tweemaal gesproken Psalm 62:12, maar van Zijn heiligheid driemaal, . Heilig, heilig, heilig. Hiermede wordt aangeduid:
Ten eerste. De ijver en de vurigheid van de engelen in hun loven van God, hun ontbreken zelfs woorden om zich uit te drukken, en daarom herhalen zij dezelfde.
Ten tweede. Het bijzonder welbehagen, dat zij hebben in het aanschouwen van Gods heiligheid, dat is een onderwerp, waarbij zij gaarne verwijlen en zij zijn wars om er van af te laten.
Ten derde. De alles overtreffende uitnemendheid van Gods heiligheid, ver boven die van het reinste schepsel. Hij is heilig, driemaal heilig, oneindig heilig, Hij is oorspronkelijk volmaakt en eeuwig heilig.
Ten vierde. Het kan zien op de drie personen in de Godheid, Heilige Vader, Heilige Zoon, Heilige Geest, want er volgt in vers 8 :Wie zal ons heengaan? of misschien op hetgeen was, en is, en komen zal, want die titel van Gods eer is gevoegd bij dit lied, Openbaring 4:8. Sommigen houden het er voor dat de engelen hier de billijkheid toejuichen van het vonnis, dat God nu gaat uitspreken over het Joodse volk. Hierin was Hij, is Hij, en zal Hij zijn heilig, Zijn wegen zijn recht.
B. De openbaring van deze aan de kinderen van de mensen, de aarde is vol van Zijn heerlijkheid, van de heerlijkheid van Zijn macht en reinheid, want Hij is heilig in al Zijn werken, Psalm 145:17. De Joden dachten dat de heerlijkheid Gods beperkt zou zijn tot hun land, maar hier wordt te kennen gegeven dat in evangelietijden, (waarop in dit hoofdstuk gewezen wordt) de heerlijkheid Gods de gehele aarde zal vervullen, de heerlijkheid van Zijn heiligheid, die in waarheid de heerlijkheid is van al Zijn andere eigenschappen, deze heeft toen de tempel vervuld, vers 1, maar in de laatste dagen zal de aarde ervan vervuld zijn. V. Let op de tekenen van verschrikking, waarvan de tempel door dit gezicht van de goddelijke heerlijkheid vervuld werd, vers 4.
1. Het huis werd bewogen, niet slechts de deur, maar zelfs de posten van de drempels, die stevig bevestigd waren, werden bewogen van de stem des roependen, van de stem van God, die opriep ten oordeel, Psalm 50:4, van de stem van de engelen, die Hem loofden. Er zijn in de hemel stemmen, die voldoende zijn om al het bruisen van deze lagere wereld te overstemmen, Psalm 93:3, 4. Deze hevige schok van de tempel was een aanduiding van Gods toorn en misnoegen tegen het volk om hun zonden, het was een voorproef van de verwoesting ervan en van de stad, eerst door de Babyloniërs en later door de Romeinen, en hij was bedoeld om ons te vervullen van schrik en ontzag. Zullen muren en deurposten beven voor God, en zullen wij niet beven?
2. Het huis werd verduisterd, het werd vervuld met rook, die als een wolk was, uitgespreid over Zijn troon, Job 26:9, wij kunnen er het volle gezicht niet op hebben, noch onze woorden er over regelen vanwege de duisternis. In de tempel hierboven zal geen rook zijn, maar alles zal helder en duidelijk gezien worden, daar woont God in het licht, hier zet Hij duisternis rondom zich tot tenten, 1 Samuël 22:12.