7. Maar in plaats van die uitwendige moeilijkheid, die eindelijk nog zou te overwinnen zijn, staat ene andere, ene inwendige over, die niet te overwinnen is; het huis Israëls wil naar u niet horen, omdat zij naar Mij niet willen horen (
Mattheus 10:24 v.
Johannes 15:20 v En naar Mij willen zij niet horen, want het ganse huis Israëls, Israël in zijn geheel, afgezien van de weinige uitzonderingen, is, gelijk reeds in
Hoofdstuk 2:4 gezegdis, stijf van voorhoofd, en hard van hart zijn zij 1) (
Zacharia 7:11 v.).
1) Zelfs het uitverkoren volk wordt aldus beschreven. Indien de besten zo slecht zijn, hoe moeten dan de slechten zijn? Kom mijn hart, onderzoek in hoever gij deel hebt aan de algemene schuld, en dit doende, wees bereid u te verootmoedigen daar, waar gij schuldig zijt bevonden. De eerste aanklacht is die van onbeschaamdheid of stilheid van voorhoofd, gebrek aan heilige schaamte en roekeloze vermetelheid in het kwade. Vóór mijne bekering kon ik zondigen, zonder er berouw over te gevoelen, van mijne schuld horen gewagen zonder mij te verootmoedigen en zelfs mijne ongerechtigheid belijden, zonder inwendig vernederd te zijn. Een zondaar, die Gods huis binnengaat en voorgeeft tot Hem te bidden en Zijn lof te zingen, toont ene onbeschaamdheid des aangezichts van de ergste soort. Helaas! sedert den dag mijner wedergeboorte heb ik den Heere in Zijn aangezicht gewantrouwd, zonder blozen in Zijne tegenwoordigheid gemurmureerd, Hem aangebeden op ene onachtzame wijs, en gezondigd zonder mij daarover te bedroeven, Indien mijn voorhoofd niet van diamant ware, harder dan een keisteen, zou ik meer heilige vrees, meer verbrijzeling des harten kennen. Wee mij, ik ben een van die schaamtelozen uit Israël. En tweede beschuldiging is die van verharding des harten, en ik zal niet trachten mij hiervan vrij te pleiten. Eens had ik niets dan een stenen hart, en ofschoon ik nu uit genade een nieuw, een vlesen hart ontvangen heb, is er nog veel van mijne vroegere hardheid overgebleven. Ik werd niet door den dood van Jezus bewogen, zo als ik behoorde, ook werd ik niet door den verloren toestand mijner medemensen, door de boosheid der tijden, de kastijdingen van mijn hemelsen Vader, mijne eigene overtredingen zodanig getroffen als ik moest. O, dat mijn hart mocht smelten bij het verhaal van het lijden en den dood mijns Verlossers! Gave God dat ik verlost werd van dezen ondersten molensteen in mijn binnenste, van dit hatelijke lichaam der doods. Geloofd zij de naam des Heeren, de kwaal is niet ongeneeslijk, het dierbaar bloed van den Zaligmaker is het algemene middel ter oplossing en zal mij, mij zelf kunnen week maken, dat mijn hart versmelt gelijk was bij het vuur.
7. Maar in plaats van die uitwendige moeilijkheid, die eindelijk nog zou te overwinnen zijn, staat ene andere, ene inwendige over, die niet te overwinnen is; het huis Israëls wil naar u niet horen, omdat zij naar Mij niet willen horen (Mattheus 10:24 v. Johannes 15:20 v En naar Mij willen zij niet horen, want het ganse huis Israëls, Israël in zijn geheel, afgezien van de weinige uitzonderingen, is, gelijk reeds in Hoofdstuk 2:4 gezegdis, stijf van voorhoofd, en hard van hart zijn zij 1) (Zacharia 7:11 v.).
1) Zelfs het uitverkoren volk wordt aldus beschreven. Indien de besten zo slecht zijn, hoe moeten dan de slechten zijn? Kom mijn hart, onderzoek in hoever gij deel hebt aan de algemene schuld, en dit doende, wees bereid u te verootmoedigen daar, waar gij schuldig zijt bevonden. De eerste aanklacht is die van onbeschaamdheid of stilheid van voorhoofd, gebrek aan heilige schaamte en roekeloze vermetelheid in het kwade. Vóór mijne bekering kon ik zondigen, zonder er berouw over te gevoelen, van mijne schuld horen gewagen zonder mij te verootmoedigen en zelfs mijne ongerechtigheid belijden, zonder inwendig vernederd te zijn. Een zondaar, die Gods huis binnengaat en voorgeeft tot Hem te bidden en Zijn lof te zingen, toont ene onbeschaamdheid des aangezichts van de ergste soort. Helaas! sedert den dag mijner wedergeboorte heb ik den Heere in Zijn aangezicht gewantrouwd, zonder blozen in Zijne tegenwoordigheid gemurmureerd, Hem aangebeden op ene onachtzame wijs, en gezondigd zonder mij daarover te bedroeven, Indien mijn voorhoofd niet van diamant ware, harder dan een keisteen, zou ik meer heilige vrees, meer verbrijzeling des harten kennen. Wee mij, ik ben een van die schaamtelozen uit Israël. En tweede beschuldiging is die van verharding des harten, en ik zal niet trachten mij hiervan vrij te pleiten. Eens had ik niets dan een stenen hart, en ofschoon ik nu uit genade een nieuw, een vlesen hart ontvangen heb, is er nog veel van mijne vroegere hardheid overgebleven. Ik werd niet door den dood van Jezus bewogen, zo als ik behoorde, ook werd ik niet door den verloren toestand mijner medemensen, door de boosheid der tijden, de kastijdingen van mijn hemelsen Vader, mijne eigene overtredingen zodanig getroffen als ik moest. O, dat mijn hart mocht smelten bij het verhaal van het lijden en den dood mijns Verlossers! Gave God dat ik verlost werd van dezen ondersten molensteen in mijn binnenste, van dit hatelijke lichaam der doods. Geloofd zij de naam des Heeren, de kwaal is niet ongeneeslijk, het dierbaar bloed van den Zaligmaker is het algemene middel ter oplossing en zal mij, mij zelf kunnen week maken, dat mijn hart versmelt gelijk was bij het vuur.