Jeremia 15:15-21
Als tevoren, hebben wij hier:
I. De nederige bede van de profeet tot God, die beide een pleiten op Zijn gerechtigheid en een klacht over de harde bejegening, die hij daarom ondergaan moest, bevatte. Het is ons een oorzaak van troost, dat, wat ons ook ontbreekt, wij tot Hem mogen gaan, voor Hem onze zaak blootleggen en op Zijn alwetendheid ons beroepen, gelijk de profeet hier doet: "O Heere, Gij weet het: Gij kent mijn oprechtheid," die mensen niet willen toestemmen, Gij kent mijne ellende, waarvan mensen weigeren kennis te nemen.
Merk hier op:
1. Waarom de profeet bidt, vers 15.
a. Dat God op zijn zaak wilde acht geven en ze gedenken: "0, Heere! gedenk mijner, gedenk mijner ten goede."
b. Dat God hem sterkte en troost mocht schenken: "Bezoek mij, niet alleen gedenk mij, maar laat mij weten dat Gij mij gedenkt, dat Gij mij nabij zijt".
c. Dat Hij mocht verschijnen, hem ten goede, tegen degenen, die hem verongelijkten: "Wreek mij van mijn vervolgers, of liever, twist Gij met hen mijn twistzaak, " spreek een oordeel over hen uit, en laat dat oordeel uitgevoerd worden, voorzover nodig tot mijne rechtvaardiging en om hen te dwingen het onrecht te erkennen, dat zij mij hebben aangedaan. Verder zal geen Christen begeren, dat God Zijn wraak uitstrekke. Laat iets geschieden om de wereld te overtuigen, dat, wat lasteraars ook beweren, Jeremia een rechtvaardig man is, en de God, die hij dient een rechtvaardig God.
d. Dat Hij hem nog mocht sparen en in het land van de levenden laten: "Neem mij niet weg in Uw lankmoedigheid over hen," mogelijk door een plotseling ongeval, maar verleng mijn dagen. Ook de beste mensen moeten erkennen, dat hun beste werken toch nog met zonde bezoedeld zijn, zodat zij Hem te danken hebben, als Hij in Zijn geduld hun leven spaart. Of: terwijl Gij in Uw lankmoedigheid mijn vervolgers ontziet, laat niet toe, dat zij mij wegnemen. Ofschoon hij in een mismoedig ogenblik zijn geboorte betreurt vers 10, toch begeert hij hier, dat zijn dood niet verhaast worde, want het leven is zoet, en het leven van een nuttig mens vermeerdert genade: "Ik bid niet, dat Gij ze uit de wereld wegneemt."
2. Wat gronden hij aanvoert in zijn pleiten bij God om barmhartigheid en hulp tegenover zijn vijanden, vervolgers en lasteraars.
A. Dat Gods eer daarbij op het spel stond. "Weet, en maak het bekend, dat ik om Uwentwille versmaadheid draag." Zij, die om eigen schuld en dwaasheid welverdiende verwijten moeten horen, hebben alle reden, die geduldig te dragen, maar geen reden om te verwachten, dat God te hun gunste verschijnen zal. Maar als wij lijden omdat wij wel hebben gedaan, en gelasterd werden om van de gerechtigheid wil, dan mogen wij hopen, dat God onze eer en Zijn eigene zal handhaven. Hetzelfde betekent, vers 16, Ik ben naar Uw naam genoemd, o Heere van de heirscharen! Om die reden haatten hem zijn vijanden, en om die reden mocht hij er op rekenen, dat God hem zou bevestigen en bijstaan. B. Dat hij zelf in zijn eigen ziel de macht en de troost had ervaren van het Woord Gods, dat hij als een werktuig in Gods hand aan anderen verkondigd had, en daardoor had hij de genade des Geestes, om hem voor goddelijke gunst en giften geschikt te maken. Wij vinden, dat sommigen door God verworpen worden, hoewel zij kunnen getuigen: "Heere, wij hebben in Uw naam geprofeteerd." Maar Jeremia kon meer zeggen, vers 16 :Uw woorden werden gevonden, gevonden bij mij (hij onderzocht de Schrift naarstiglijk, bestudeerde ijverig de wet, en dat alles werd leven in hem, als wij zoeken, zullen wij vinden. "Gevonden voor mij", de woorden, die hij anderen moest overbrengen waren voor hen gereed gelegd, waren hem geïnspireerd), "en ik proefde ze niet alleen maar ik at ze op," nam ze zonder voorbehoud aan, overdacht ze gestadig, zij waren mij welkom als voedsel een hongerige, ik bepeinsde ze, verteerde ze, ze werden omgezet in succum et sanguinum, in vlees en bloed," en ik werd geheel gevormd door die waarheden, die ik anderen moest verkondigen." De profeet was bevolen, "de rol te eten," Ezechiël 2:8, Openbaring 10:9. "Ik heb ze opgegeten, dit is gelijk volgt: Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten, " niets kan mij aangenamer zijn. Dit is te verstaan.
a. Van de boodschap zelf, die hij moest overbrengen. Ofschoon hij de val van zijn vaderland moest voorzeggen, dat hem zo dierbaar was, en in welks ondergang hij noodzakelijk volop delen moest, toch werden alle natuurlijke genegenheden als verzwolgen in zijn ijver voor Gods glorie, en zelfs deze verkondiging van toorn, als goddelijke boodschap, was een voldoening voor hem. Hij verheugde zich eerst in de hoop, dat zijn volk naar de waarschuwing luisteren en dus het oordeel voorkomen zou. Of
b. Van de opdracht, die hij ontving van deze tijding over te brengen. Ofschoon met de hem opgedragen taak geen werelds voordeel verbonden was, maar hij integendeel daardoor aan verachting en vervolging werd blootgesteld, toch schiep hij er vermaak in, omdat hij daardoor God kon dienen en goeddoen. Hij was blijde, gebruikt te mogen worden, en het was zijn "spijze en drank, de wil Desgenen te doen, die hem gezonden had" Johannes 4:34. Of
c. Van de belofte, die God hem gaf, dat hij hem zou steunen en handhaven in zijn werk, Hoofdstuk 1:8, hij was daarmee voldaan en verliet er zich op, en hoopte daarom, dat hij er niet in zou falen.
C. Dat hij zich tot de vervulling van zijn taak met allen mogelijke ernst had geschikt, zichzelf verloochende, ofschoon hij er in de laatsten tijd weinig vreugde van beleefd had, vers 17.
a. Het was hem tot troost, dat hij zich geheel en al aan zijn dienst had overgegeven en niets gedaan, dat er mee in strijd kon zijn, niets om hem er af te brengen of er hem ongeschikt voor te maken. Hij had geen ongepast gezelschap gehad, zich zelfs onschuldig genot ontzegd, zich van alles onthouden, wat naar losbandigheid zweemde, opdat hij ook in `t minste geen schade aan zijn ambt zou veroorzaken. "Hij zat alleen," bracht veel van zijn tijd in zijn kamer door, omdat de hand des Heeren sterk op hem was om hem tot zijn werk te voeren, Ezechiël 3:14. "Want Gij hebt mij vervuld met gramschap, met zulke boodschappen van wraak tegen dit volk, dat ze mij steeds tot diep nadenken stemden." Zie, het zal voor Gods dienaren een troost zijn, wanneer mensen hen verachten, dat zij het getuigenis van hun consciëntie voor zich hebben, zij hebben zich op generlei wijze door een dwaas gedrag verachtelijk gemaakt, zij zijn niet alleen ongevoelig geweest voor de schatten van deze wereld, gelijk Jeremia, vers 10, maar ook voor haar genoegens. Maar b. Hij beklaagt zich, dat hij zo weinig vreugde van zijn arbeid had. Het was eerst de wellust zijns harten geweest, maar had hem nu droefgeestig gestemd, zodat hij geen lust had "in de vergadering te zitten van hen, die zich lustig maken." Hij gaf niet om gezelschap, want geen gezelschap gaf om hem. "Hij zat alleen, bedroefd om de hardnekkigheid zijns volks en het geringe resultaat op zijn arbeid onder hen. Dit vervulde hem met een heilige gramschap." Zie, het is de dwaasheid en zwakheid van sommige godvrezende mensen, dat zij veel van de blijdschap des geloofs missen, omdat hun aard hun in de wee staat en zij daaraan toegeven, inplaats van die te overwinnen.
D. Hij werpt zich op Gods barmhartigheid en belofte in een hartstochtelijke ontboezeming, vers 18 :Waarom is mijn pijn steeds durende, en wordt er niets gedaan om ze te stillen? Waarom zijn de woorden, die mijn vijanden steeds aan mijn vrede en goede naam toebrengen, ongeneeslijk, wordt niets gedaan om of mijn pijn weg te nemen of mijn goede naam te herstellen? Ik heb weinig verwacht, zo veronachtzaamd te worden, zal God, die mij Zijn tegenwoordigheid beloofd heeft, "mij zijn als een leugenachtige," God, op Wien ik vertrouw mij zijn "als wateren, die niet bestendig zijn?" Wij zijn geneigd, deze woorden op zijn best op te vatten en ze te houden voor een beroep
a. Op Gods barmhartigheid: "Ik weet, dat Hij de pijn van Zijn dienaar niet eeuwig doet duren, maar ze lenigen zal, zijn wond niet ongeneeslijk zal doen zijn, maar weldra helen, en daarom zal ik niet wanhopen."
b. Op Zijn trouw: "Zoudt gij mij ganselijk zijn als een leugenachtige?" Neen, ik weet, dat Gij dat niet zult zijn. God is geen mens, dat Hij zou liegen. De bron des levens zal nimmer zijn voor zijn volk "als wateren, die niet bestendig zijn."
II. Gods genadig antwoord op zijn beroep, vers 19-21. Hoewel de profeet veel menselijke zwakheid in zijn beroep verraadt, toch verwaardigt Zich God hem met goede, troostvolle woorden te antwoorden, "want Hij weet wat maaksel wij zijn." Let hierop,
1. Wat God hier van hem eist als voorwaarde van verdere gunsten. Jeremia had voor God veel gedaan, toch is God zijn schuldenaar niet, maar wacht van hem voortzetting van zijn arbeid. God zal hem handhaven. Maar,
a. Hij moet zijn prikkelbare natuur overwinnen, met zijn werk verzoend worden, het gaarne doen en er niet meer over klagen. Hij moet wederkeren, moet deze wantrouwende ontevreden gedachten en neigingen afschudden en er niet aan toegeven, hij moet weer vreedzaam en blijmoedig zich zelf zijn en besluiten, rustig te blijven. Zie, wanneer wij aan een ontevreden gevoel hebben toegegeven, moeten wij zorg dragen, terug te keren, en trachten de rechte gemoedsstemming te herwinnen, en dan mogen wij verwachten, dat God ons helpen zal, als wij zelf de strijd aanbinden.
b. Hij moet besluiten, trouw in zijn werk te zijn, want hij kon geen goddelijke bescherming verwachten, zolang hij het daarmee niet volmaakt eens was. Al was er heel geen reden om Jeremia van ontrouw te beschuldigen, en God wist, dat zijn hart oprecht was, toch oordeelde God het nodig, hem deze waarschuwing te geven. Zij, die hun plicht doen, moeten het niet kwalijk nemen, als hun plicht hun nog eens herinnerd wordt. In twee dingen moest hij trouw zijn: c. Hij moest bij zijn prediking onderscheid maken: "hij moest het kostelijke van het snode uittrekken. De rechtvaardigen zijn het kostelijke," hoe gering en arm zij ook zijn, de goddelozen zijn "het snode," hoe rijk en groot ze wezen mogen. In onze kerken zijn ze ondereen gemengd, tarwe en kaf op dezelfde dorsvloer, wij kunnen ze niet onderscheiden dan bij name, toch moeten wij onderscheid maken en ieder hun deel geven, troost aan de kostelijke heiligen en afschrik aan de snode zondaren, "noch het hart van de rechtvaardigen door valsheid bedroefd maken, noch de handen van de goddelozer sterker" Ezechiël 13:22, "maar het woord van de waarheid recht snijden." Predikanten moeten degenen, die zij als kostbaar leren kennen, koesteren, en niet alleen zitten gelijk Jeremia deed omgaan met hen, die goed doen, en er zelf winst te van behalen.
d. Hij moet nauwgezet bij Gods aanwijzingen blijven en er ook in het minst niet afwijken: "Laat hen tot u wederkeren, maar gij zult tot hen niet weerkeren," dat is: hij moet in zijn prediking zijn uiterste best doen om het volk terug te brengen tot de vreze Gods, hij moet hun zeggen, dat zij anders zelf in `t gevaar lopen. Zij, die van hen afgekeerd waren, die de voorwaarde van Gods hernieuwde gunst niet wilden aannemen, "laat hen tot u weerkeren," en bij nadere overweging, die voorwaarde billijk en recht achten en erin bewilligen. "Maar keer gij tot hen niet weer, kom hun niet in het gevlei, geef hun onrechtmatige wensen geen gehoor en tracht hun de zaak niet gemakkelijker voor te stellen dan ze is, dan Gods woord ze maakt." De harten van de mensen moeten zich naar Gods wet schikken en daaraan gewennen, want Gods wet zal zich nimmer naar de mens schikken of zich aan hem gewennen.
2. Wat God hem hier belooft, als hij aan deze voorwaarde voldoet. Als hij zich wel aanstelt,
a. zal God zijn gemoed bevredigen en zijn tegenwoordige onstuimige gedachten tot kalmte brengen. "Zo gij zult weerkeren zo zal Ik u doen weerkeren, Ik zal uw ziel verkwikken," Psalm 23:3. De beste en sterkste heiligen hebben, wanneer zij te eniger tijd de rechten weg hebben verlaten en weerkeren willen, de genade Gods nodig om weergebracht te worden.
b. God wil hem in zijn profetische dienst gebruiken, zelfs in deze boze tijden was die dienst zelf eer en troost genoeg om zijn loon te zijn. "Gij zult voor Mijn aangezicht staan, om van Mij aanwijzing te ontvangen, als een knecht van zijn meester. Gij zult als Mijn mond zijn," om Mijn boodschap aan het volk over te brengen, gelijk een gezant de mond is van de vorst, die hem zendt. Zie, trouwe predikers zijn Gods mond voor ons, zij moeten dat bewust zijn, en Gods woorden spreken als zijn dienaren betaamt. En wij moeten hen zo beschouwen en horen, wat God ons door hen te zeggen heeft. Let op, indien gij u nauwkeurig aan Mijne voorschriften houdt, "zult gij als Mijn mond zijn," anders niet. Zo ver en niet verder zal God Zijn dienaren handhaven, als zij zich houden aan Zijn geschreven woord. "Gij zult als Mijn mond zijn," dat is, wat gij zegt zal waarheid blijken, even goed als had Ik zelf het gesproken. Zie Jesaja 46:26, 2 Samuël 3:19.
c. Hij zal kracht en moed hebben om de vele moeilijkheden het hoofd te bieden, die hij zal ontmoeten, en zal niet weer mistroostig worden als hij nu is, vers 20. Ik heb u tegen dit volk gesteld tot een koperen vaste muur, die door de storm hevig gerammeid, maar niet geschokt wordt. Gij zult tot hen niet wederkeren door enig zondig toegeven, en dan moogt gij God vertrouwen, dat Hij u wapent met Zijn genade en met heilige voornemens. Wees geen lafaard en God zal u moedig maken. Hij had geklaagd, "dat hij een man van twist was. Verwacht niets anders, zegt God, zij zullen wel tegen u strijden, " zij zullen hun tegenstand niet opgeven, maar "zij zullen u niet overmogen" om u van uw arbeid af te snijden of u uit het land van de levenden te verbannen.
d. Hij zal in God zijn beschermer en machtige bevrijder zien. "Ik ben met u om u te behouden." Zij, die God met zich hebben, hebben een Zaligmaker, die kracht en wijsheid genoeg bezit om de geduchtste vijand te overwinnen, en Hij zal degenen, die met Hem en Hem getrouw zijn, of in de ellende of uit de ellende behouden, vers 21. Zij zullen misschien in de handen van de goddelozen vallen, en dat kan hun vreselijk toeschijnen, maar God zal hen uit hun hand rakken. De goddelozen zullen niet vermogen, hen te doden, totdat zij hun getuigenis hebben volbracht, zij zullen hun geluk niet bederven. "God zal hen verlossen en ze bewaren voor Zijn hemels koninkrijk," 2 Timotheus 4:18, en dat is verlossing genoeg. Er zijn vele dingen, die zeer vreselijk schijnen, maar toch blijken, de godvruchtige geen wezenlijk kwaad te doen