15. En Ik kwam tot de weggevoerden te Tel-Abib (= aren-heuvel), ene stad op ene hoogte in een vruchtbaar dal, rijk in koren, tot de gevangenen, die aan de rivier Chebar woonden; en ik bleef daar op den heuvel nederzitten, waar zij woonden; ja ik bleef daar verbaasd in het midden van hen a) zeven dagen. 1) Ik bleef daar treurig alleen met God bezig, om den indruk, dien het tot mij gekomen Godswoord op mijn gemoed had gemaakt, te bemachtigen, en mij voor het intreden in mijn profetenambt voor te bereiden.
a) Job 2:13.
1) Als de Profeet zit, rustig en stil zeven dagen, dan is het volstrekt niet twijfelachtig, of op die wijze heeft God hem voorbereid, om later met te groter verwondering van geheel het volk beginnen te spreken. Het moet toch niet ongerijmd schijnen, dat hij stom ter neer zat, waar hij toch door God was gezonden. Want dit is niet geschied uit luiheid of uit enigen aandrang, die aan een gebrek moet worden toegeschreven, maar zo had hij het ambt om te leren ontvangen, dat hij nog niet was voorzien van bepaalde bevelen, evenals iemand of door een koning of door de Senaat tot gezant kan gekozen zijn, doch naderhand omtrent de bevelen bericht ontvangt. Zo ook was de Profeet geroepen tot het profetisch ambt, maar hij wist nog niet wat hij moest zeggen.
Reeds deze houding van den Profeet was voor Israël een begin zijner prediking, al was het ook nog ene prediking zonder woorden; zij konden opmerken, dat er iets buitengewoons met hem moest zijn voorgevallen, en hadden begerig moeten vernemen, wat de Heere door zijnen mond hun zou verkondigen. zij zullen echter wel weinig acht op hem hebben gegeven, of hem zelfs wel voor enen gek hebben uitgemaakt.
De zeven dagen zijn niet zo zeer treurdagen, als wel dagen van voorbereiding en wijding tot den dienst, waartoe God hem geroepen had, zie Exodus 29:29 en, en Leviticus 8:33,
Het was ten gevolge van het ontvangen gezicht en ter voorbereiding, wat de Heere tot hem verder zou spreken. 16. Het gebeurde nu ten einde van zeven dagen, welke zulk ene heiliging aan den dienst van God vorderde (Exodus 29:30. Leviticus 8:33, 2 Kronieken 29:17 dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, mij zowel de eigenlijke betekenis en grote verantwoordelijkheid van mijne roeping voorhoudende, als ook datgene, waarnaar ik mijne getrouwheid daarin moest afmeten, zeggende:
1) Hier wordt de algemene regel beschreven voor alle Profeten en herders der kerk, n. l. dat zij het woord uit den mond Gods zonden horen, door welke aanduiding God heeft willen uitsluiten, al wat de mensen uit zichzelven voortbrengen of verzinnen. Het is niet twijfelachtig, waar God Zich alleen het recht van spreken voorbehoudt, of hij beveelt allen mensen stom te zijn, opdat zij niet iets eigens voortbrengen; vervolgens, wanneer Hij hen beveelt te horen uit Zijn mond, of hij werpt een teugel aan, opdat zij niets verzinnen of overmoedig zijn op hun eigene verdichtselen, opdat zij niet dit of dat durven gevoelen. Vervolgens zien wij dat hier weggecijferd wordt, al wat de mensen uit zich zelven voortbrengen, waar God alleen wil gehoord worden. Want Hij verenigt zich hier niet met anderen als met de menigte, alsof Hij wilde ten dele gehoord worden. Hij neemt derhalve voor Zich wat wij terecht aan het hoogste gezag moeten toekennen, n. l. dat wij aan Zijn mond hangen.