3. En Hij zei tot mij: Mensenkind, geef uwen buik te eten, en vul uw ingewand met deze rol, die Ik u geef, 1) opdat zij tot kracht en sap voor u worde; toen at ik, bij de eerste gehoorzaamheid van het openen des monds (
Vers 2) nu ook de andere
Hoofdstuk 2:9 voegende, a) en het was in mijnen mond als honing, van wege de zoetigheid. 2)
a) Psalm 19:11; 119:103. Openbaring 0:10.
1) Ezechiël vervolgt nu dat hem die rol werd gegeven om te eten, dewijl de dienstknechten Gods uit de binnenste aandoeningen des harten moeten spreken. Wij weten dat velen een genoeg beweeglijken tong hebben, maar niets anders, dan waarmee zij pralen. Ondertussen heeft God ook de spot met hun ijdelheid, dewijl hun arbeid alle vrucht mist. En daarom is op te merken het woord van Paulus dat het koninkrijk Gods bestaat in kracht. Doch de kracht des H. Geestes openbaart zich niet, tenzij wanneer iemand geroepen is om te leren, hij zijn ijver om het ambt uit te voeren ernstig aanwendt. Om deze reden wordt Ezechiël bevolen de rol te eten.
In het Goddelijke komt veel verwonderlijke voor. Wat eet daarentegen een mens al niet in zijne vleselijke lusten, en vele nietswaardige boeken worden als verslonden.
De Profeet moet een ander zijn dan degenen, tot welke hij wordt gezonden: volle overgave, gehele gehoorzaamheid aan Gods wil moet bij hem zijn. Hij moet slechts zijnen mond opendoen en de wijze nemen, die de hand des Allerhoogsten hem geeft. Wij hebben deze rol, die hem als spijze werd aangeboden, nu in zijn Profetisch boek geschreven voor ons, vol gejammer en vol bedreiging over het verderf van zijn volk; het woord dat hij van God heeft ontvangen om te spreken, is niet door hem uitgevonden; de Heere heeft het hem ingegeven; het is niet uitwendig vernemen, maar inwendig ervaren.
"Eet wat gij vinden zult. Ook ten opzichte der Goddelijke openbaring is waar, wat de Heere tot Zijne discipelen omtrent de gewone spijze zegt (Lukas 10:8): "eet wat u voorgezet wordt; " de stelling, dat men te kiezen heeft, dat in plaats van "wat ik vind" zet "wat ik wil, " `t is van den boze. Zonder deze rol te hebben gegeten, moest niemand gaan prediken.
Onmogelijk kon God reeds hier den Profeet alle bijzonderheden uitvoerig zeggen omtrent het Goddelijke woord door hem in den loop van zijn Profetisch leven te verkondigen. Toch moet hij hier reeds substantiëel hebben, wat hij verder in bijzonderheden moet verkondigen; nu heeft de overgave van den inhoud zijner zending in dezen bijzonderen vorm plaats, dat hij ene boekrol, welke van wege haren rijken inhoud voor en achter beschreven is, waarop alles staat wat hij moet verkondigen, en waarvan de inhoud is klacht, gezucht en wee, op Gods bevel moet eten. Alzo heeft hij nu den inhoud daarvan in zich; hij verkrijgt op eens den gehelen inhoud van zijne profetische mededelingen als ene inwendige bezitting. Dit sluit echter niet uit, dat hij later tot elke bijzondere daad van zijn profetisch spreken en werken steeds ene bijzondere Goddelijke opwekking nodig heeft, die hem laat uitspreken wat hij in zich heeft.
De Profeet moet zich geestelijk vereenzelvigen met het woord, met den last Gods. Hij moet zich gans en al met lijf en ziele, het instrument Gods weten, hetwelk de Heere gebruiken wilde, om Zijn volk te brengen onder de tucht des Woords. Hij moest zich weten drager van het woord Gods te zijn. Uit dat Woord, door dat Woord leren en niets anders dan dat Woord tot het volk brengen.
2) Het woord van den levenden God is zoet als honing en honingzeem (Psalm 19:11), ook al ware het van den smartelijksten inhoud; als zodanig is ook voor Ezechiël de boekrol in zijnen mond zo zoet als honing (Jeremia 15:16). Het is wonderbaar hoe zoet en lieflijk het is orgaan en de spreker van den Allerhoogste te zijn. Vervolgens komt echter ook de aard der woorden zelf in aanmerking, want ook de smartelijkste Goddelijke waarheden hebben voor den geestelijk gezonden mens ene verheugende en verkwikkende zijde. De verkondiging van het oordeel, ook wanneer het ons zelven treft, leidt ons in de diepten der Goddelijke gerechtigheid in, en geeft ons zo ene spijze voor de ziel. Alsdan is achter het gericht de genade verborgen, aan gindse zijde der wolk wenkt de regenboog.