Ezechiël 10:8-22
Wij hebben hier het vervolg van het verhaal van het visioen van Gods heerlijkheid, dat Ezechiël zag, hier bestemd om dat jammervolle voorteken in te leiden van het weggaan van die heerlijkheid van hen, dat de deur zou openen om het verderf binnen te laten.
I. Ezechiël ziet de heerlijkheid Gods schijnen in het heiligdom, zoals hij ze gezien had bij de rivier Chebar, en geeft er een beschrijving van, opdat zij, die door hun goddeloosheid God getergd hadden hen te verlaten, mochten weten, wat zij verloren hadden, en wenende de Heere achterna gaan, onder het steunen van hun Ikabod: "De ere is weggevoerd." Ezechiël ziet hier de werkzaamheid van de goddelijke Voorzienigheid in het bestuur van de wereld en de wereldse zaken, voorgesteld door de vier raderen, en de volmaaktheden van de heilige engelen, de bewoners van de hemel, en hun dienst, voorgesteld door de vier dieren, van welke ieder vier aangezichten had. "De deelneming van de engelen aan het bestuur van de wereldse zaken wordt voorgesteld door het nauw verband tussen de dieren en de raderen, daar de raderen in al hun bewegingen bestuurd werden door de dieren, zoals de wagen door de bestuurder". Maar dat dezelfde Geest, beide in de dieren en in de raderen was, beduidt de oneindige wijsheid, die zijn doel bereikt door de dienst van de engelen en alle wereldse gebeurtenissen. Zodat dit visioen ons geloof een blik geeft op "de troon, die de Heere heeft bevestigd in de hemelen, en dat koninkrijk, dat heerst over alles," Psalm 103:19. De profeet merkt op, dat het hetzelfde visioen is, dat hij aan de rivier Chebar zag, vers 15, 22 en toch schijnt er in een opzicht een wezenlijk onderscheid te zijn, dat wat daar eens runds aangezicht was, en ter linkerzijde, Hoofdstuk 1:10, hier het aangezichts eens Cherubs is en het eerste aangezicht, vers 14, waaruit sommigen de gevolgtrekking hebben gemaakt, dat het aangezicht van een Cherub dat van een os was, met het oog waarop de Israëlieten het gouden kalf maakten. Ik denk eer, dat het eerste aangezicht het wezenlijke uiterlijk van een Cherub had, dat Ezechiël zeer goed kende, daar hij het als priester in de tempel des Heeren gezien had, 1 Koningen 6:29, maar daar hebben wij volstrekt geen zekerheid van, en daardoor wist Ezechiël zeker, terwijl hij het vroeger slechts vermoed had, dat het allen Cherubim waren, al hadden zij verschillende aangezichten, vers 20. En daar het eerste aangezicht van een Cherub was, en er toch vier moesten zijn, werd dat van een rund weggelaten, omdat het gezicht van de Cherubim het meest beledigd was door de verering van het rund. Zoals soms, wanneer God verscheen om Zijn volk te verlossen, zo voer Hij ook nu op een Cherub en vloog.
I. Deze wereld is onderhevig aan wendingen, veranderingen en verschillende omwentelingen. De loop van de wereldse zaken is voorgesteld door raderen, vers 9, nu eens is de ene spaak boven, dan weer een andere. Zij gaan steeds heen en weer als eb en vloed, zij nemen toe en nemen af, gelijk de maan, I Samuël 2:4 enz. Ja, hun gedaante was als het ware een rad in het midden van een rad, vers 10, wat de onderlinge betrekking van de leidingen betekent, hun afhankelijkheid van elkaar, en de gezamenlijke strekking van die alle tot een doel, terwijl hun bewegingen voor ons ingewikkeld, verward en schijnbaar tegenstrijdig zijn.
2. Er is een bewonderenswaardige harmonie en eenheid in de verschillende leidingen, vers 13. Aangaande de raderen, al gingen zij naar verschillende kanten, toch werd tot hen gezegd: O, rad Zij waren alle als één, daar zij door een Geest tot een doel geleid werden, want God werkt alles naar de raad van Zijn eigen wil, en voor Zijn heerlijkheid, en die zijn een. En dit maakt de beschikkingen van de Voorzienigheid in waarheid bewonderenswaardig, en wonderlijk om te aanschouwen. Zoals de delen van Zijn schepping, afzonderlijk, goed, maar alle tezamen zeer goed waren, zo zijn de raderen van de Voorzienigheid, op zich zelf beschouwd, wonderlijk, maar voeg ze bijeen, en ze zijn zeer wonderlijk. O rad!
3. De bewegingen van de Voorzienigheid zijn vast en regelmatig, en wat de Heere behaagt, dat doet Hij, Hij verandert Zijn plannen nooit. De raderen keerden zich niet om als zij gingen, vers 11, en de dieren gingen ieder rechtuit, voor zijn aangezicht henen, vers 22. Welke moeilijkheden op hun weg lagen, zij kwamen ze zeker te boven, en waren nooit verplicht stil te staan, op zij of achterwaarts te gaan. Zo volkomen bekend zijn God al Zijn werken, dat Hij Zijn plannen nooit verandert.
4. God maakt meer gebruik van de dienst van de engelen bij het bestuur van deze wereld dan wij weten. De vier raderen waren bij de Cherubim, een rad bij elken Cherub, vers 9. Wat sommigen zich denken ten opzichte van de sferen boven ons, dat iedere kringloop zijn eigen leiding heeft, wordt hier betekend van de raderen beneden, dat ieder rad een Cherub heeft om het te besturen. Het is ons een voldoening te weten, dat er onder de wijzen God, wijze mannen gebruikt worden om de zaken van kerk en staat te besturen, maar, of die er zijn of niet, hier blijkt, dat er wijze engelen gebruikt worden, een Cherub bij ieder rad.
5. Al de bewegingen van de Voorzienigheid en alle diensten van de engelen zijn onder het bestuur van de groten God. Zij zijn allen vol ogen, die ogen des Heeren, die de gehele aarde doorlopen, en waar de engelen altijd het oog op hebben, vers 12. De dieren en de raderen zijn tegelijk in beweging en in rust, vers 17 want de Geest des levens, zoals men lezen kan of de Geest van de dieren, is in de raderen. De Geest van God bestuurt alle schepselen, beide hogere en lagere, om ze het goddelijk doel te doen dienen. De gebeurtenissen worden niet beschikt door het rad van avontuur, dat blind is, maar door de raderen van de Voorzienigheid, die vol ogen zijn.
II. Ezechiël ziet, dat de heerlijkheid Gods zich uit het heiligdom verwijdert, de plaats, waar God eerlang had gewoond, en dit gezicht is even droef, als het andere behagelijk was. Het was aangenaam te zien, dat God het land niet (zoals afgodendienaars aannamen Hoofdstuk 9:9) verlaten had, maar droef om te zien, dat Hij Zijn heiligdom verliet. De heerlijkheid des Heeren hief zich omhoog op de dorpel van het huis, vers 4. Maar nu ging zij weg van boven de dorpel, nadat zij vandaar de nodige bevelen gegeven had voor de verwoesting van de stad, en stond boven de Cherubim, niet die in het allerheiligste, maar die, welke Ezechiël nu in het visioen zag, vers 18. Zij besteeg haar statige wagen, zoals de rechter na de zitting, in zijn koets stapt en vertrekt. En terstond hieven de Cherubim hun vleugelen op, vers 19, zoals hun bevolen was, en verhieven zich van de aarde omhoog, zoals een vogel op zijn vleugels, en als zij uitgingen, werden de wielen van deze wagen niet getrokken, maar gingen van zelf tegenover hen, waaruit bleek, dat de Geest van de dieren in de raderen was. Zo zullen, de engelen boven, en de gebeurtenissen hier beneden, samenwerken om Gods vertrek te bevorderen, als Hij een volk in toorn verlaat. Maar in de hoven van de tempel, waar het volk van Israël zijn God onteerd, Zijn juk afgeschud en zijn schouder er aan onttrokken heeft, daar blijken zalige engelen zeer bereid om Hem te dienen, Zijn wagen te trekken, en er mee op te stijgen. God had de profeet getoond, hoe de mensen op aarde de wil van God niet gehoorzaam waren geweest, Hoofdstuk 8, hier toont Hij hem, hoe bereidwillig die gehoorzaamd wordt door engelen en schepselen van lageren rang, en als wij smart hebben over de goddeloosheid van de wereld, dan is het een troost voor ons, te bedenken, hoe Zijn engelen Zijn bevelen doen, "gehoorzamende van de stem van Zijn Woord," Psalm 103:20. 1. Laat ons nu deze wagen bezien, waarin "de heerlijkheid van de God Israëls voorspoediglijk rijdt." Hij, die de God van Israël is, is de God van hemel en aarde, en beveelt over de krachten van beide. Laat de getrouwe Israëlieten zich hiermee troosten, dat Hij, die hun God is, boven de Cherubim is, Hij is hun Verlosser, 1 Petrus 3:22, en heeft alleen souvereine beschikking over alle gebeurtenissen: de dieren en de raderen dienen Hem eenstemmig en Hij is van de gemeente tot een hoofd boven alle dingen. De rabbijnen noemen dit visioen van Ezechiël: Mercabah-"het visioen van de wagen, " en vandaar noemen zij het meer duistere deel van het goddelijk werk, dat van God en de geesten, "Opus currus-Het werk van de wagen," zoals zij het andere deel, dat meer eenvoudig en bekend is: "Opus bereshith noemen-Het werk van de schepping."
2. Laat ons letten op de bewegingen van deze wagen. Elkeen stond aan de deur van de Oosterpoort van het huis des Heeren, en de heerlijkheid van de God Israëls was van bovenover hen, gereed te vertrekken en het huis te verlaten, vers 19. Maar zie, hoe vaak God ophoudt en stilstaat voordat Hij vertrekt, als was Hij onwillig om te gaan, alsof Hij wilde zien, of niet iemand Hem verzoeken zou te blijven. Geen van de priesters van de binnenste voorhof tussen de tempel en het altaar, wilde Hem dat afsmeken, daarom verlaat Hij hun voorhof en staat aan de Oosterpoort, die naar de voorhof des volks leidde, om te zien of iemand van hen in de bres zou springen. God verlaat een afdwalend volk stap voor stap, en als Hij gereed is in toorn van hen weg te gaan, zou Hij nog in genade tot hen willen terugkeren, als zij slechts wilden berouw hebben en tot Hem bidden.