3. En Hij (
Vers 1) zei tot mij: Mensenkind! Ik zend u tot de kinderen Israëls, de nakomelingen van den geloofsheld, die in gebed met God streed en overwon (
Genesis 32:28), die echter niets minder dan een Israël ook naar den geest zijn, tot de rebellerende volken, 1) die tegen Mij gerebelleerd hebben, en tot ene vermenging van allerlei heidendom zijn geworden, daar de godsdienst en zeden van alle heidense volken zich bij hen afspiegelen; a) Zij en hun vaderen hebben overtreden tegen Mij, tot op dezen zelven huidigen dag (
Jesaja 1:4). a)
Jeremia 3:25.
1) In het Hebreeën El-gojim hamoordim. Beter: tot heidenen, tot rebellen De Heere God noemt de kinderen Israëls heidenen, niet in den zin van een heidens volk, dan zou er het enkelvoud staan, maar heidenen in den zin van oproermakers Gods; het tweede woord is dan ook appositie van het eerste. Zij waren niet meer volk Gods. Zij hadden tegen den Heere God gerebelleerd, dewijl zij van den Heere God waren afgevallen, zich van Hem hadden losgemaakt. Dit wil echter niet zeggen, dat allen, die tot het volk behoorden tegen den Heere waren opgestaan, als een heiden zich gedroegen. Terecht merkt Calvijn aan "dat er geen twijfel is of God had altijd enig zaad bewaard, ofschoon het verborgen was. Toen Daniël met de zijnen in ballingschap was, was hij volstrekt geen rebel tegen God, maar de goddeloosheid was wijd en zijd verspreid onder het volk. " Als volk had Israël den Heere God en Zijn dienst verlaten, en wandelde in de voetstappen der heidenen.
Dientengevolge ook waren de kinderen Israëls hard van aangezicht en stijf van hart, gelijk in het volgende vers wordt gezegd.