9. Uw voorhoofd heb Ik gemaakt als een diamant, die harderis dan a) ene rots. Ik heb dat gedaan, om hun sterkte in de boosheid, door de sterkte Mijner almachtige Godheid te overwinnen: b) vrees hen nieten ontzet u niet voor hun aangezichten, omdat zij een weerspannig huis zijn. Het zal u toch gelukken, ondanks al hun ongehoorzaamheid, in Mijn woord vast te staan.
a) Jeremia 5:3 b) Jeremia 1:8, 17. Ezechiel 2:6. 1 Petrus 3:14. Uit de hier genoemde vatbaarheid der heidenen volgt zo zeker, dat de zaligheid hun eens nog op werkzame wijze zal worden aangeboden, daar God den dood des zondaars niet wil, maar daarin lust heeft, dat hij zich bekere en leve. Ook is het woord, dat zulk vatbaarheid, in geval de zending van den Profeet tot de heidenen gericht ware, de uitwendige moeilijkheden zou overwinnen, in het Oude Testament bewaarheid in de geschiedenis van Naäman den Syriër en den Profeet Jona, in het Nieuwe Testament in de geschiedenis der Kananese vrouw en van den hoofdman te Kapérnaüm.
Maar het was toen nog niet de tijd der heidenen; het was nog de tijd van Israël, tot hetwelk ook de Heere zelf wilde komen, wiens voorlopers de Profeten waren.
Dat de taal van Israël de heilige taal was, in welke God van ouds af tot Zijn volk had gesproken, moest ook voor den inhoud de werkzaamheid van Ezechiël onder Israël uitwendig verlichten. Het is ook nu niet zelden gemakkelijker, op wereldse mensen te werken, dan op mensen, die met de tale Kanaäns van jongs af vertrouwd zijn (Jesaja 19:18). Juist omdat Israël dadelijk verstond, waarover Ezechiël handelde, deed zijn tegenzin tegen Gods woord hem dadelijk uit den weg gaan. Bij de heidenen was meer moeilijkheid door de taal en meer gemakkelijkheid door de gesteldheid des harten, bij Israël was het omgekeerde, meer gemakkelijkheid door de taal, maar meer moeilijkheid door den toestand des harten.
Volgens hetgeen hier van de hardheid van der Joden hart gezegd wordt, moeten wij verwachten, dat alleen een bijzonder werk van Gods genade, ene buitengewone hulp van den hemel hun tegenstand zal verbreken; dat echter ook ene grote scheiding en schifting onder hen zal plaats hebben, welke de verkiezing (Romeinen 11:7) op nieuw zal doen uitkomen (Openbaringen 12:7-12; 7:1-8, 14:1-5 God wijkt voor geen mens; niet dat de Geest, dien Hij aan Zijne dienaren en werktuigen geeft, een hardnekkige Geest is, die bij eigen zin blijft, maar wel geeft Hij hem zulke krachtige en machtige woorden, dat niemand kan tegenspreken (Lukas 21:15. Efeze 6:19).