Ezechiël 1:1-3
De omstandigheden van het visioen, dat Ezechiël zag, en waarin hij zijn opdracht en verdere voorschriften ontving, worden hier zeer uitvoerig beschreven, zodat het verhaal alle tekenen van werkelijkheid draagt en geen droom blijkt te zijn. Het kan zijn nut hebben, goed acht te geven, wanneer en waar het Gode behaagd heeft, zich op bijzondere wijze aan onze ziel te openbaren, zodat de wederkomst des daags en onze terugkeer tot de plaats des altaars, Genesis 13:4 de aangename dankbare herinnering aan Gods goede gunst te ons waart verlevendigt. "Gedenk toch mijn ziel! en vergeet nimmer, wat tekenen van goddelijke liefde gij op die tijd en die plaats hebt ontvangen, en vertel anderen wat God u gedaan heeft."
I. De tijd, dat Ezechiël dit visioen had, wordt hier vermeld. Het was in het dertigste jaar vers 1. Sommigen nemen dat voor het dertigste levensjaar van de profeet, een priester zijnde trad hij op die leeftijd in de volle functie van zijn waardigheid. Maar omdat de goddeloosheid en de rampen van zijn tijd, toen men tempel noch altaar had, de uitoefening van zijn ambt onmogelijk maakte, riep hem God op die leeftijd tot het ambt van profeet. Anderen lezen daarin het dertigste jaar van de regering van Nabopolasser de vader van Nebukadnezar, wijl de Chaldeën toen een nieuwe tijdrekening hadden begonnen, gelijk zij honderd drie en twintig jaar vroeger, tijdens Nabonasser, ook gedaan hadden. Nabopolasser heeft negentien jaren geregeerd, en dit was het elfde van zijn zoon, wat samen dertig maakt. En het lag voor de hand, dat Ezechiël de Babylonische tijdrekening gebruikte, wij schikken ons in een vreemd land naar de tijd van dat land. Naderhand gebruikte hij de droeve tijdrekening van zijn eigen land, als hij vermeldt, vers 2, dat het het vijfde jaar van Jojachins gevangenschap was. Maar de Chaldeeuwse berekening noemt een andere tijd en zegt, dat het het dertigste jaar was, nadat Hilkia de priester het boek van de wet had gevonden in het huis des Heeren, te middernacht, na het ondergaan van de maan, in de dagen van de koning Josia. Het is waar, dat het juist dertig jaar van die tijd af was, en dat was zo'n merkwaardige gebeurtenis (daar het de Joodsen staat opnieuw op de proef stelde), dat zeer gepast van die tijd af gerekend werd. Misschien ook spreekt de profeet zo onbepaald van dertig jaar, omdat hij het oog op beide tijdrekeningen had. Het was in de vierde maand, overeenkomende met onze Junimaand en op de vijfden dag van de maand, dat Ezechiël zijn visioen kreeg, vers 2. Waarschijnlijk was het een sabbatdag, want wij lezen (hoofdst. 3:16), dat ten einde van zeven dagen, dat wij voor de volgende sabbatdag mogen houden, dat het Woord des Heeren andermaal tot hem geschiedde. Zo was Johannes in de geest op de dag des Heeren, toen hij de visioenen des Almachtigen zag, Openbaring 1:10. God wilde daardoor Zijn sabbat verheerlijken, toen de vijanden met hem spotten, Klaagliederen 1:7. Hij wilde op deze wijze Zijn volk aansporen, hun aandacht te geven aan de bediening van de profeten op iedere sabbatdag, namelijk door Zichzelf op een sabbatdag te openbaren.
II. De droevige omstandigheden, waarin hij verkeerde, toen God hem eerde en tegelijk Zijn volk met dit visioen zegende. Hij was in het land van de Chaldeën, in het midden van de weggevoerden, bij de rivier Chebar, in het vijfde jaar van de wegvoering van Jojachin.
Merk op:
1. Gods volk was nu, althans een gedeelte ervan, ballingen in het land van de Chaldeën. De meeste Israëlieten evenwel waren in hun eigen land gebleven, maar deze waren de eerstelingen van de gevankelijke wegvoering en wel de besten. In Jeremia's visioen namelijk waren zij "de goede vijgen, die God ten goede naar het land van de Chaldeën had gezonden", Jeremia 24:5. En opdat het hun ten goede zou zijn, verwekte God een profeet in hun midden, om en uit Zijn wet te onderwijzen, toen Hij hen tuchtigde, Psalm. 94:12. Zie, het is een grote genade, wanneer het Woord Gods tot ons gebracht wordt, en een grote plicht, het naarstig te onderzoeken, vooral wanneer wij in verdrukking verkeren. Het woord van de onderwijzing en de roede van de kastijding kunnen ons grote diensten bewijzen, als ze samengaan en elkaar steunen, het Woord om de roede te verklaren, en de roede om het Woord klem bij te zetten, samen om ons wijsheid te leren. Het is voor een man, die ziek is en pijn lijdt, gelukkig, zo een gezant een uitlegger bij hem is, één uit duizend, als hij slechts zijn oor voor de bestraffing opent. De twist, die God met de Joden had, toen Hij hen in gevangenschap heen zond, was onder meer ook daarover, dat zij "Zijn gezanten hadden bespot en Zijn profeten smadelijk bejegend." Toch, toen Hij ze deed lijden om die zonde, begunstigde Hij ze met een verbazende genade. Het zou er slecht met ons uitzien, indien God niet soms in Zijn genade die middelen van genade en zaligheid over ons uitstort, die wij verworpen hebben. In hun ballingschap waren zij beroofd van de gewone zorg voor hun zieken, en daarom schonk God hun buitengewone, want wanneer Gods kinderen verhinderd worden in hun hemelse opvoeding in een weg, dan opent God een anderen. Maar let hierop: het was in het vijfde jaar van de ballingschap, dat Ezechiël onder hen optrad, en niet eerder. Zolang had God hen zonder profeet gelaten, tot zij "achter de Heere begonnen te klagen en te jammeren dat zij hun tekenen niet meer zagen", Psalm. 74:9, dan zouden zij een profeet waarderen, en wat God hun omtrent Zich zelf door zijn dienst wilde openbaren, zou te gereder aangenomen worden. De Joden, die in hun eigen land bleven, hadden Jeremia bij zich, die werke gevankelijk waren weggevoerd, Ezechiël. Waarheen de kinderen Gods ook verspreid zijn, Hij zal middelen vinden om hun leraars te zenden.
2. De profeet behoorde zelf tot de ballingen die aan de rivier Chebar woonden, want het was bij de rivieren van Babel, dat zij neerzaten, en aan de wilgen aan de oevers dier rivieren hadden zij hun harpen gehangen, Psalm 137:1,2. De planters in Amerika vestigden zich aan de boorden van de rivieren, en misschien werden deze gevangenen door hun meesters gebruikt om land langs de rivieren, dat onbebouwd lag, te ontginnen, wijl de ingezetenen ten oorlog getogen waren. Of zij bezigden hen in fabrieken, die aan de oevers van de wateren gebouwd waren om de goederen gemakkelijk te water te kunnen vervoeren. De Bijbeluitleggers zijn het er niet over eens, welke de rivier Chebar was, maar te midden van de gevangenen bij die rivier was Ezechiël, zelf ook een gevangene.
Merk hier op:
a. De beste mensen, en daaronder Gods liefste kinderen, delen vaak niet alleen in de gewone levensrampen, maar ook in de openbare en nationale oordelen, die om van de zonde wil worden uitgegoten. Zij, die niets aan de schuld hebben toegebracht, gevoelen de pijn, zodat naar het blijkt, het verschil tussen de goeden en de bozen niet ligt in wat hun wedervaart, maar in de gemoedsstemming, waarmee zij dat ontvangen. En wijl niet slechts rechtvaardige mensen, maar zelfs profeten de ergste van de straffen mee ondergaan, mogen wij daarin met de grootste gewisheid het besluit trekken, dat beloning hen in de toekomst wacht.
b. Woorden van overtuiging, raad en troost slaan het best bij dezulken in, die zelf lijden en treuren om het lijden van anderen. Gevangenen worden het best onderricht door een medegevangene, die dus uit ervaring hun smart kent.
c. De geest van de profetie was niet beperkt tot het land van Israël, maar enkele van de heerlijkste goddelijke openbaringen werden geschonken in het land van de Chaldeen, hetgeen een gelukkig voorteken was van hetgeen de kerk later zou ervaren als grondslag voor haar opbouw te midden van de heidenen, zoals toen reeds, zou het later zijn bij en na de stichting van de kerk des Nieuwen Verbonds: de verstrooiing van de Joden zou verbreiding van de kennis Gods bevorderen.
d. Waar wij ook zijn, wij kunnen met God gemeenschap houden. "Undique ad coelos tantandem est viae, Overal vandaan vinden wij een weg naar de hemel."
e. Wanneer Gods dienaren gebonden zijn, "Gods Woord is niet gebonden," 2 Timotheus 2:9. Toen Paulus een gevangene was, had het Evangelie zijn vrije loop. Toen Johannes naar het eiland Patmos gebannen was, bezocht Christus hem daar. Ja, Gods lijdende dienaren zijn gewoonlijk als gunstelingen behandeld, en hun vertroosting is overvloediger geweest, wanneer de beproeving overvloediger was, 2 Corinthiers. 1:5.
III. De openbaring, die het Gode behaagde, de profeet van Zichzelf te geven, toen hij in deze omstandigheden verkeerde, wordt door hem aan het volk meegedeeld. Hij verhaalt hier wat hij gezien, gehoord en gevoeld heeft. Hij zag gezichten Gods, vers 1. Geen mens kan God zien en leven, maar velen hebben gezichten Gods gezien openbaringen van goddelijke heerlijkheid, die hen onderwezen en verheugden. Gewoonlijk gebruikte God, wanneer Hij zich voor de eerste maal aan een profeet openbaarde, een buitengewoon gezicht, bijvoorbeeld bij Jesaja, Hoofdstuk 6, bij Jeremia, Hoofdstuk 7, bij Abraham, Handelingen 7:2. Zo vestigt de Heere als het ware een gemeenschap en een genoegzame wij ze van mededeling van Zijn openbaring, waardoor latere gezichten onnodig werden. Ezechiël wordt gezonden om de harten des volks tot de Heere hun God weer te brengen en daarom moet hij zelf de gezichten Gods zien. Zie, voor hen, wier roeping het is, anderen tot de kennis en de liefde Gods te brengen, is het van belang, dat zij goed met God bekend zijn en ervaring hebben van die kennis. "Om de gezichten Gods te zien, worden de hemelen geopend."
1. Hij hoorde Gods stem, vers 3. Het Woord des Heeren geschiedde uitdrukkelijk tot hem, en wat hij zag moest hem voorbereiden op hetgeen hij horen zou. De uitdrukking spreekt met nadruk "Essendo fuit verbum Dei, het Woord Gods was werkelijkheid." Er was geen vergissing mogelijk, het kwam tot hem in de volheid van zijn licht en macht, in de ontwijfelbare mededeling des Geestes. Het kwam nabij hem, het kwam in hem nam bezit van hem en woonde rijkelijk in hem. "Het kwam uitdrukkelijk of nauwkeurig, of opzettelijk tot hem", hij verstond duidelijk wat hem gezegd werd en werd volkomen van deszelfs waarheid overtuigd. "Het werkelijke woord (zo kunnen wij vertalen), het Woord dat is, dat is wat het is, kwam tot Ezechiël, om hem voor zijn zending te bekwamen."
2. Hij gevoelde de macht van God om zijn ogen voor de gezichten te openen en zijn oor voor de stem, en zijn hart om te ontvangen: "de hand des Heeren was daar op hem. Zie, de hand des Heeren gaat samen met Zijn woord, en volbrengt zo haar taak, zij alleen verstaan en geloven de boodschap, aan wie de arm des Heeren is geopenbaard". De hand des Heeren was op hem, als eens op Mozes om hem te bedekken, opdat hij door het licht en de luister van de gezichten, die hem te beurt vielen, niet zou verblind worden, Exodus 33:22. Ze was op hem (als later op Johannes, Openbaring 1:17), om hem te verlevendigen en te ondersteunen, opdat hij deze openbaringen mocht horen en daaronder niet bezwijken, opdat hij noch zich verheffen noch neergeslagen worden zou door derzelver uitnemendheid. "Gods genade is hem genoeg, en ten teken daarvan is de hand des Heeren op hem."