23. En de heerlijkheid des HEEREN rees op van het midden der stad, en stond op den berg, die tegen het Oosten der stad is, op den Olijfberg, om als van daar de voorgenomen belegering van Jeruzalem te leiden en den ondergang van stad en tempel te doen komen.
Allengs verwijdert zich de heerlijkheid des Heeren van Jeruzalem; nadat zij den tempel verlaten heeft, staat zij eerst op den drempel, daarop in den ingang der Oosterpoort, eindelijk boven den Olijfberg, vanwaar de Heiland tot den Vader opvoer. Men zou kunnen zeggen, dat Ezechiël het leven van Jezus in Zijne gezichtspunten (vgl. het begin Johannes 4:1-3. Mattheus 4:12, den voortgang Johannes 10:39, en het einde Mattheus 24:1-3 ten opzichte van het Joodse volk voorziet.
God dus tragelijk weggaande, dus trapsgewijze heengaande, duidt daarmee aan, dat Hij hen met tegenzin verlaat, en niet zou gegaan zijn, indien zij Hem niet volkomen van zich hadden gedreven. Doch alhoewel Hij lang verdraagt, zal Hij toch niet altoos verdragen, maar zal ten laatste diegenen verlaten en voor altoos verwerpen, die Hem verlaten en verworpen hebben.
Ook in Zacharia 14:4 komt de Olijfberg voor als militaire positie, welke de Heere als Veldheer inneemt. Op den Olijfberg kondigt de Heiland den ondergang van Jeruzalem aan. De Olijfberg 2556 voet hoog, 175 voet hoger dan de Zion, 416 voet hoger den het dal Kedron is het beheersende punt ten opzichte van Jeruzalem, dat van hier in zijne gehele uitgestrektheid wordt overzien.
Van den Olijfberg verhief Zich Christus bij Zijne hemelvaart op Zijnen koninklijken zetel, om het gericht over de Joden ten uitvoer te brengen.