2 Kronieken 33:1-10
Wij hebben hier een bericht van de grote goddeloosheid van Manasse, het is schier woord voor woord hetzelfde als het bericht, dat wij er al van gehad hebben in 2 Koningen 21:1-9, en het onderwerp is niet zo aangenaam, dat wij er behagen in kunnen vinden om er nogmaals bij te verwijlen. Deze dwaze jonge vorst heeft zich in weerwil van het goede voorbeeld en de goede opvoeding, die zijn vader hem had gegeven, aan alle goddeloosheid overgegeven, de gruwelen van de heidenen nagevolgd, vers 2, de gevestigden Godsdienst verdorven, zijns vaders glorierijke reformatie teniet gedaan, vers 2, het huis Gods ontheiligd door zijn afgoderij, vers 4, 5, zijn kinderen de Moloch gewijd en de liegende orakelen des duivels tot zijn gidsen en raadgevers aangenomen, vers 6.
In minachting van Gods keuze van Zion om Zijn rust te zijn tot in eeuwigheid, en van Israël om Zijn bondsvolk te wezen, vers 8, nam hij andere goden aan, ontwijdde Gods tempel, en verdierf Zijn verkoren volk, hij deed hen dwalen zodat zij erger deden dan de heidenen, vers 9, want als de onreine geest wederkeert, dan neemt hij met zich zeven andere geesten, bozer dan hijzelf.
Wat de zonde van Manasse verzwaarde was, dat God sprak tot Manasse en tot zijn volk, maar zij merkten daar niet op, vers 10.
Wij kunnen hier de genade Gods bewonderen in te spreken tot hen, en hun hardnekkigheid om niet naar Hem te horen, dat hun slechtheid Zijn goedheid niet geheel en al van hen heeft afgewend, maar dat Hij nog wachtte om hun genadig te zijn, of dat Zijn goedheid hen niet heeft afgewend van hun slechtheid, maar dat zij het nog altijd haatten om zich te verbeteren.
Laat ons nu hieruit leren:
1. Dat het niets nieuws, maar wel zeer treurig is, dat kinderen van Godvruchtige ouders zich ter zijde afwenden van de goeden weg Gods, waarin zij opgevoed werden. Ouders kunnen aan hun kinderen veel goede dingen geven, maar zij kunnen hun geen genade geven.
2. Bederf in de eredienst is een ziekte in de kerk, die, zelfs als zij genezen is, zeer licht weer uitbreekt.
3. De god van deze wereld heeft van de mensen hart verblind en heeft een grote macht over hen, die gevangen door hem worden geleid, want anders zou hij hen niet kunnen aftrekken van God, hun besten vriend, om afhankelijk te zijn van hun gezworen vijand.