Nehemia 6:15-19
Hier voltooit Nehemia de muur van Jeruzalem, maar nog worden hem door zijn vijanden moeilijkheden bereid.
1. Tobia en de andere tegenstanders van de Joden hadden het verdriet om de muur opgebouwd te zien in weerwil van al hun pogingen om het te beletten. In twee en vijftig dagen was de bouw van de muur begonnen en voltooid, en toch hebben wij reden te geloven dat zij op de sabbatdagen hebben gerust, vers 15. Velen werden voor dit werk gebruikt, en er was plaats voor hen, wat zij deden deden zij blijmoedig, en zij gaven acht op hun werk omdat zij het liefhadden. De dreigementen van hun vijanden, die bedoeld waren om hen te verzwakken, hebben hen waarschijnlijk aangevuurd om met het werk zoveel krachtiger voort te gaan, opdat het volbracht zou zijn eer de vijand kwam. Alzo is uit de eter spijs voortgekomen. Zie hoeveel werk in weinig tijd gedaan zou kunnen worden, indien wij het slechts met ijver en volharding doen.
Toen de vijanden hoorden dat de muur voltooid was, vóór er, naar zij dachten, nog goed mee begonnen was, en er niet aan twijfelden of zij zouden de verdere bouw ervan kunnen verhinderen vervielen zij zeer in hun ogen
a. Zij schaamden zich over hun vertrouwen dat zij het werk konden doen ophouden, de teleurstelling maakte hen neerslachtig en moedeloos. Zij benijdden de voorspoed van de Joden, het verdroot hun de muren van Jeruzalem opgebouwd te zien, terwijl de koningen van Perzië hun misschien niet hadden toegestaan de steden van Samaria te versterken. Toen Kain zijn broeder Abel benijdde, "betrok zijn gelaat" Genesis 4:5.
b. Zij wanhoopten er aan om hun ooit het kwaad te kunnen doen, dat zij tegen hen in de zin gehad hebben, hen tenonder te brengen, hen tot hun prooi te maken, en wèl mochten zij daaraan wanhopen, want aan hun verwonderlijker voorspoed merkten zij dat dit werk van God gedaan was. Zelfs deze heidenen hadden besef genoeg:
A. Om de bijzondere voorzienigheid Gods te zien in de voorspoedige gang van de zaken voor de kerk, zij "zeiden onder de heidenen: de" "Heere heeft grote dingen voor deze gedaan." Het is Zijn doen, Psalm 126:2 God strijdt voor Israël en werkt met hen.
B. Om te geloven dat Gods werk volmaakt zal zijn, toen zij merkten dat het werk van God was, verwachtten zij niets anders dan dat het voort zou gaan en voorspoedig zou zijn.
C. Om tot de gevolgtrekking te komen dat zo het van God was, het doelloos zou zijn om het tegen te staan, daar het voorzeker de overhand zal hebben.
2. Nehemia had het verdriet om, in weerwil hiervan, sommigen van zijn eigen volk in verraderlijke briefwisseling te zien met Tobia, te zien dat zij zijn belangen dienden, en een grote smart en ontmoediging zal dit ongetwijfeld voor hem geweest zijn.
a. Zelfs onder de edelen van Juda waren er, die zo weinig eergevoel hadden en zo weinig besef van het welzijn van hun land, dat zij briefwisseling onderhielden met Tobia, vers 17. Zij schreven hem met al de vrijheid en gemeenzaamheid van vrienden, en heetten zijn brieven aan hen welkom. Konden edelen zo iets laags doen? Edelen van Juda iets dat zó slecht was? Het schijnt wel dat voorname mannen niet altijd wijs, niet altijd eerlijk en oprecht zijn.
b. Velen in Juda waren in nauw, maar geheim verbond met hem, om de belangen van zijn land te bevorderen, hoewel dit gewis de ondergang van hun eigen land tengevolge zou hebben. Zij hadden hem gezworen, niet als hun vorst maar als hun vriend en bondgenoot, omdat hij en zijn zoon dochters van Israël hadden gehuwd, vers 18. Zie het kwaad van huwelijken met vreemden, voor één heiden, die er door bekeerd werd, werden tien Joden er door verdorven. Toen zij met Tobia verwant waren werden zij al spoedig zijn gezworen bondgenoten. Een zondige liefde leidt tot een zondige verbintenis.
c. Zij waren onbeschaamd genoeg om zelfs Nehemia in vriendschapsbetrekkingen met hem te willen brengen. "Zij verhaalden zijn goeddadigheden voor mijn aangezicht, stelden hem voor als een man met een verheven, edel gemoed, wel waardig om met mij bekend te zijn, een eerlijk man, in wie ik vertrouwen kon stellen." Wel is waar, er wordt ons gezegd van niemand kwaad te spreken, maar nooit is ons gezegd goed te spreken van slechte mensen, "die de wet verlaten," "prijzen de goddelozen," Spreuken 28:4.
d. Zij waren zo ontrouw dat zij Nehemia's raadslagen aan hem verrieden, zij brachten zijn woorden uit tot hem, verdraaiden ze nog ongetwijfeld, en gaven er een onjuiste betekenis aan, hetgeen Tobia van stof voorzag voor brieven om hem vreesachtig te maken, en hem aldus van zijn werk weg te drijven, er hem in te ontmoedigen. Aldus waren al hun gedachten tegen hem ten kwade, maar God gedacht hem ten goede.