Psalm 27:7-14
In deze verzen geeft David uitdrukking:
I. Aan zijn begeerte naar God in verscheidene gebeden. Als hij niet kan opgaan naar het huis des Heren, kan hij toch, waar hij zich ook bevindt, een weg vinden naar de troon van de genade door het gebed.
1. Nederig vraagt hij om gehoor, en hij gelooft vast dat het hem verleend zal worden:
Hoor, Heere, mijn stem als ik roep, niet alleen met mijn hart, maar ook als een, wie het zeer ernst is, met mijne stem." Hij vraagt ook om een antwoord des vredes, dat hij verwacht, niet van zijn eigen verdienste, maar van de goedertierenheid des Heren; wees mij genadig, en antwoord mij, vers 7 Als wij bidden en geloven, zal God genadiglijk horen en antwoorden.
2. Hij grijpt de vriendelijke uitnodiging aan, die God hem gedaan heeft, vers 8 Het is vermetele aanmatiging in ons om opgeroepen in de tegenwoordigheid van de Koning van de koningen te komen, ook kunnen wij niet met gerustheid tot Hem naderen tenzij Hij ons de gouden scepter toereikt. Daarom steunt David, als hij gaat bidden, op de uitnodiging, die God hem had gegeven, om tot de troon van de genade te komen, en eerbiedig raakt hij als het ware de spits aan van de gouden scepter, die hem hiermede was toegereikt. Mijn hart zegt tot U, of van U: Zoek Mijn aangezicht. Daar dacht hij eerst over na en daarover predikte hij weer tot zichzelf (en dat is de beste prediking, het is tweemaal horen wat God eens gesproken heeft), Gij zegt, aldus hebben de overzetters de volzin aangevuld: Zoek Mijn aangezicht; en dan keert hij terug tot hetgeen, waarover hij nagedacht heeft, in dit vrome besluit: ik zoek Uw aangezicht, o Heere.
Merk hier op:
a. De ware aard van Godsdienstige aanbidding: het is het aangezicht Gods te zoeken. Dat is het in het gebod van God: Zoek Mijn aangezicht. Hij wil dat wij Hem zoeken om Hemzelf, dat wij Zijn gunst tot ons hoogste goed maken. En dat is het in de bedoeling en begeerte van de heilige: "ik zoek Uw aangezicht, o Heere, en met niets minder dan dat zal ik tevreden zijn." Het openen van Zijn hand zal de begeerte bevredigen van andere levende wezens Psalm 145:16, maar het is alleen het lichten van Zijn aangezicht, dat aan de begeerte zal voldoen van een levende ziel, Psalm 4:7, 8
b. De vriendelijke uitnodiging van een genadige God tot het volbrengen van deze plicht. Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; het is niet slechts een vergunning, een verlof, maar een gebod; en dat Hij ons beveelt Hem te zoeken, daarin ligt de belofte van vinden opgesloten; want Hij is te vriendelijk om te zeggen: Zoek Mij tevergeefs. God roept ons om Zijn aangezicht te zoeken in onze bekering tot Hem en in ons spreken met Hem. Hij roept ons door de fluisteringen van Zijn Geest tot en met onze geest, om Zijn aangezicht te zoeken. Hij roept ons door Zijn Woord, door het gestadig weerkeren van de gelegenheid om Hem te aanbidden, door de bijzondere leidingen van Zijn voorzienigheid, door zegeningen en door beproevingen. Als wij in onze dwaasheid valse ijdelheden onderhouden, dan roept God in Zijn liefde ons om onze eigen weldadigheid te zoeken. c. Het bereidwillig voldoen van een Godvruchtige ziel aan deze uitnodiging. Terstond wordt op de roepstem geantwoord: mijn hart zegt tot U: ik zoek Uw aangezicht, o Heere. De roeping was algemeen: Zoek Mijn aangezicht," vers 8 maar wij moeten evenals David haar beschouwen als tot ons gericht: "ik zoek Uw aangezicht." Het woord doet ons geen goed, als wij het op anderen overdragen, maar er de vermaning niet van aannemen voor onszelf. De roepstem was: Zoek Mijn aangezicht, het antwoord is: "ik zoek Uw aangezicht, o Heere," zoals Jeremia 3:22 : "Zie, hier zijn wij, wij komen tot U." Een Godvruchtig hart antwoordt redelijk op de roepstem van een genadig God, gewillig gemaakt zijnde ten dage van Zijn heirkracht.
3. Hij is zeer nauwkeurig in zijn beden:
A. Om de gunst van God, dat hij daarvan niet uitgesloten mocht zijn, vers 9 "ik zoek Uw aangezicht, o Heere, in gehoorzaamheid aan Uw bevel, en daarom: Verberg Uw aangezicht niet voor mij, laat mij nooit de verkwikkende bewustheid missen van Uw gunst; heb mij lief en doe mij weten dat Gij mij liefhebt; keer Uw knecht niet af in toorn." Hij erkent Gods misnoegen verdiend te hebben, maar bidt dat God, hoe Hij hem ook mocht kastijden, hem toch niet van Zijn tegenwoordigheid zou verbannen; want wat is de hel anders dan dat?
B. Om het voortduren van Zijn nabijheid; Gij Zijt mijn hulp geweest, en Gij zijt de God van mijn heil, tot wie anders zal ik dan heengaan dan tot U? Begeef mij niet en verlaat mij niet; onthoud mij de werkingen niet van Uw kracht want dan ben ik hulpeloos, onthoud mij de tekenen niet van Uw welbehagen, want dan ben ik troosteloos."
C. Om het voorrecht van de Goddelijke leiding, vers 11 Heere, leer mij Uwen weg; geef mij de betekenis te verstaan van de weg, die Gij met mij houdt, maak hem mij duidelijk. En geef mij in iedere twijfelachtige zaak te weten wat mijn plicht is, opdat ik er mij niet in vergisse, maar op de rechte weg wandele, niet aarzelend en als in onzekerheid, maar met vasten tred. Het is geen berekenende staatkunde maar eenvoudigheid, dat is: bepaalde en stellige eerlijkheid, die ons op de weg van onze plicht zal leiden en er ons op zal houden. Hij bidt om in het rechte pad geleid te worden, om zijn verspieders wil. Zijn vijanden lagen op de loer om hem te zien hinken, teneinde gelegenheid tegen hem te vinden. Saul had het oog op David, 1 Samuël 18:9 Dit wekte hem op om te bidden: "Heere, leid mij in het rechte pad, opdat zij mij geen kwaad ten laste kunnen leggen, of iets dat de schijn heeft van kwaad".
D. Om de weldaad van de Goddelijke bescherming, vers 12 Geef mij niet over in de begeerte van mijn tegenpartijen. Heere, laat hen hun doel niet bereiken, want zij leggen het toe op mijn leven, op niets minder dan dat, en wel zo, dat ik door niets tegen hen beschut ben dan door Uw macht over hun geweten; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, wier oogmerk verder reikt dan mij van mijn eer en goede naam te beroven, want zij blazen wrevel uit; het is mijn bloed, waarnaar zij dorsten. Hierin was David een type van Christus, want valse getuigen zijn tegen Hem opgestaan en de zodanige die wrevel uitbliezen; maar hoewel Hij overgeleverd werd in hun goddeloze handen, werd Hij toch niet overgegeven in hun begeerte, want zij konden Zijn verhoging niet beletten.
II. Hij drukt zijn vertrouwen uit op God: 1. Dat Hij hem hulp en bijstand zal verlenen als alle andere hulp en bijstand hem zullen falen, vers 10 :Als mijn vader en mijn moeder mij verlaten, de naaste en dierbaarste vrienden, die ik in de wereld heb, van wie ik de meeste bijstand kan verwachten, en met de meeste reden, als zij sterven, of ver van mij verwijderd zijn, of niet instaat zijn om mij te helpen in mijn tijd van nood, of onvriendelijk voor mij zijn, of achteloos en mij niet willen helpen als ik zo hulpeloos ben als ooit een arme wees was, die zonder vader en moeder was achtergelaten, dan weet ik dat de Heere mij zal aannemen, mij zal opnemen gelijk een arm verdwaald schaap opgenomen wordt, zodat het niet omkomt." Zijn tijd om hen te helpen, die op Hem betrouwen, is als alle andere helpers falen, als het het meest strekt tot Zijn eer en hun gerief, een wees zal bij Hem ontfermd worden. Deze belofte is dikwijls naar de letter vervuld geworden. Verlaten wezen zijn onder de bijzondere zorg en hoede genomen van de Goddelijke voorzienigheid daar God hulp voor hen beschikt en vrienden voor hen verwekt heeft op een wijze, die men niet verwacht zou hebben. God is een betrouwbaarder en beter vriend dan onze aardse ouders het zijn of zijn kunnen.
2. Dat hij te bestemder tijd de tentoonspreiding zal zien van Zijn goedheid, vers 13 Hij geloofde, dat hij het goede des Heren zou zien ut het land van de levenden, indien hij haar niet gezien had, hij zou onder zijn beproevingen zijn bezweken. Zelfs de beste heiligen zijn er aan onderhevig om te bezwijken of te bezwijmen als hun beproevingen zwaar worden en lang duren; hun ziel is overstelpt, hun vlees en hart bezwijken; maar dan is hun geloof een krachtige hartsterking, het bewaart hen er voor om te vertwijfelen onder hun last om te wanhopen aan hulp of bijstand en uitredding, maakt dat zij blijven hopen en bidden en wachten, goede gedachten blijven koesteren van God, zodat zij getroost en gesterkt zijn. Maar wat was het, dat David geloofde en dat hem voor bezwijmen of bezwijken heeft behoed? Dat hij de goedheid des Heren zou zien, vers 13 die nu verre scheen te zijn. Zij die wandelen door geloof in de goedheid des Heren, zullen te bestemder tijd wandelen in de aanschouwing van die goedheid. Deze hoopte hij te zien in het land van de levenden, dat is:
a. In deze wereld, dat hij zijn ellende en moeilijkheden zou overleven en er niet onder zou bezwijken. Het is zijn troost niet zozeer dat hij het land van de levenden zal zien, als wel dat hij er de goedheid van God in zal zien want dat is voor een Godvruchtige ziel het lieflijke in alle aardse genietingen.
b. In het land Kanaän en in Jeruzalem, waar de levende orakelen waren; in vergelijking met de heidenen, die dood waren in zonde, kon het land Israël's gevoeglijk het land van de levenden genoemd worden, daar was God bekend en daar hoopte David Zijn goedheid te zien. Zie 2 Samuël 15:25, 26 Of:
c. In de hemel. Alleen dat land kan in waarheid het land van de levenden genoemd worden, waar geen dood meer is, deze aarde is het land van de stervenden. Niets is zo krachtig als de gelovige hoop op het eeuwige leven, het vooruitzicht op die heerlijkheid en de voorsmaak van die zaligheid, om ons onder de rampen van de tegenwoordige tijd voor bezwijken te behoeden.
3. Dat hij intussen gesterkt zal worden om staande te blijven onder zijn last, vers 14; of hij dit zegt tot zichzelf, of tot zijn vrienden, het komt op hetzelfde neer, het is hetgeen hem bemoedigt. Hij zal uw hart versterken, uw ziel ondersteunen, en dan zal de ziel, de geest, het zwakke lichaam steunen. Houd u in die kracht dicht bij God en uw plicht. Wacht op de Heere door geloof en gebed en een nederige onderworpenheid aan Zijn wil, ja wacht op de Heere; wat gij ook doet, vergeet of verzuim niet, om tot God te gaan. Houd moed, ook temidden van de grootste gevaren en moeilijkheden. Heb goeden moed, Uw hart zij vast, betrouwende op God, en dan zult gij door geen van deze dingen bewogen worden. Zij, die op de Heere vertrouwen, hebben reden om goedsmoeds te zijn.