3. Op dien vijfde had ene verschijning des Heeren plaats. Daarbij, om mij nu ook omtrent mijn persoon nader te verklaren, geschiedde het woord des HEEREN uitdrukkelijk tot Ezechiël 1) (in
1 Kronieken 24:16 Jehezkel), den zoon van Buzi (= gesproten uit Buz = veracht), den priester, gelijk ook Jeremia en Zacharia uit een priesterlijk geslacht afstamden, in het land der Chaldeën, bij de rivier Chebar. Daar leefde hij gehuwd in een eigen huis onder de gevangenen (
Hoofdstuk 3:24;
8:1;
24:15, en de hand 1) des HEEREN was, kwam daar, dus buiten het heilige land, dat tot hiertoe de plaats der Goddelijke openbaring was geweest, niet midden onder de ballingen, maar op ene eenzame, afgelegene plaats (
Hoofdstuk 3:12), op hem, om zich van hem meester te maken (
2 Koningen 3:15).
1) Ezechiël is een geestelijke Simson, die met krachtigen arm de pilaren van den afgodstempel aangreep en op den grond verpletterde, ene reusachtige natuur, die juist daardoor geschikt was, om den Babylonischen tijdgeest, die in machtige, reusachtige, groteske vormen behagen schepte, met vrucht te bestrijden. Er wordt bij hem ene nieuwe merkwaardige vereniging gevonden van Babylonischen vorm en van Israëlitischen inhoud.
Enigermate is Ezechiël de Mozes der Babylonische ballingschap; want in deze had hij ene roeping gelijk aan die, welke Mozes in de woestijn had. Mozes zowel als Ezechiël moesten Israël opvoeden en geschikt maken, de een, dat het in het beloofde land mocht komen, de ander, dat het daarheen kon terugkeren. Beide deden het door de Wet, de een doordat hij de Wet gaf (Deuteronomium 33:4), de ander door Israël weer terug te voeren tot de door Mozes gegevene wet, die het had verlaten, waarom Kanaän ook weer was ontnomen. Hiermede hangt ook de zeer merkwaardige verhouding zamen, waarin Ezechiëls Boek boven alle andere profetische boeken, zelfs dat van Jeremia niet geheel uitgezonderd, tot de Wet, tot de Boeken van Mozes staat. Hij verklaart de Wet, vooral plaatsen daarin, die door de ballingen verkeerd verstaan en misbruikt werden (Hoofdst 18). Op talrijke plaatsen beroept hij zich op de wet, hij herhaalt gedurig hare gedachten, bedient zich ieder ogenblik van hare wendingen, uitdrukkingen en woorden, en voert bestendig hare taal. Daarentegen gebruikt hij evenmin als Mozes den Godsnaam "Heere Zebaoth, " en betoont hij zich op het allerduidelijkst in de laatste, grote voorzegging van zijn Boek omtrent den nieuwen tempel en de nieuwe inrichting van den staat (Hoofdstuk 40-48 als een andere Mozes.
2) De hand des Heeren is hier de buitengewone kracht Gods, die op den Profeet kwam, de inwerking van de Almacht Gods op Ezechiël, waardoor hij in dien toestand kwam, dat hij bekwaam werd om de gezichten te zien, die hij aanschouwd heeft.
4.
II. Vers 4-28. Nu volgt de verschijning van God zelven, welke de Profeet op den zo even genoemden tijd op de plaats van zijn verblijf onder de gevangenen ontving. De mededeling daarvan begint met de verschijning, die eerst nog algemeen blijft, even als een storm van het noorden ene door vuur verlichte wolk aanvoert, waarin het naderend onweder van Gods gerichten zich aankondigt (Vers 4). Men heeft echter niet alleen te doen met de macht der Chaldeën, tegen welke men nu te Jeruzalem menselijke verbonden en eigen slimheid zoekt te stellen, maar de gehele schepping is naar alle vier zijden der wereld bereid tot volvoering van Gods gericht. Zo komt uit die verschijning ene andere voort, in alle bijzonderheden beschreven, die van de vier dieren of wezens (Vers 5-14) en de daarnevens lopende raderen (vers 15-21), en den Heere, die daarop Zijnen troon heeft gevestigd (Vers 22-28). 4. Doordat de hand des Heeren over mij kwam, werd ik in ekstatischen toestand verplaatst (1 Kon. 22:22)Toen zag ik niet meer met het lichamelijke, maar met het voor hemelse en Goddelijke dingen geopende oog des Geestes (2 Koningen 6:17), en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, ene grote wolk, en een vuur daarin vervangen 1) en een glans was rondom die wolk. Die stormwind, die van het noorden in mijn gezichtskring trad, bracht ene grote wolk mede, waarvan de kern mij een vuurklomp toescheen, en deze verbreidde een lichtglans door de gehele wolk en in de rondte, en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal 2) een onbekend metaal, uit het midden des vuurs; wederom vertoonde zich als kern van den vuurbal iets als gloeiend metaal, dat den grootsten lichtglans van zich gaf.
1) In de verklaring van het gezicht, dat hier volgt, zijn, zoals Hiëronymus opmerkt, alle synagogen der Joden stom. Zij zeggen dat het boven menselijk vermogen is hieromtrent, zowel als omtrent de opbouwing van den tempel in het laatste deel van ons Boek ene poging te wagen. Volgens hare bepaling moet niemand, voor hij het 30e levensjaar achter zich heeft, het begin van het de boek van Mozes, noch het Hooglied, noch het begin en het einde van het Boek Ezechiël lezen. Intussen hebben wij Christenen door het licht, dat ons in het Nieuwe Testament is opgegaan, toch een vasten grond onder onze voeten, waarop wel ene poging tot verklaring mag worden gewaagd. Wat nu in de eerste den storm aangaat, dien de Profeet van het Noorden ziet opkomen, deze stelt zonder twijfel ene zware bezoeking voor Zijn volk voor, want wind en storm zijn in de Heilige Schrift het gewone symbool van gerichten, van door God beschikt lijden en van bestrijdingen (1 Koningen 19:11. Jeremia 4:11 v.). Het noorden is de noodlottige landstreek, van welke de Aziatische wereldmachten, vooral ook de Chaldeën in het Heilige land vielen (Jeremia 2:13, 4:6). Tegen het noorden was de coalitie gericht, die aanleiding gaf tot het optreden van Ezechiël (vgl de bij Vers 1). De storm uit het noorden drijft alle sanguinische verwachtingen, die op deze coalitie gericht waren, als dorre bladeren voor zich heen. " De storm voert de wolk aan, deze zal het gericht nog nader voorstellen. Zij heeft een vuurklomp tot haren kern, want de Heere, uw God is een verterend vuur en een ijverig God, zo was tot Israël gezegd (Deuteronomium 4:24) en dat moest het ook nu ondervinden. De toekomst verscheen in rozenkleurig licht aan het onboetvaardige, ongelovige volk, dat zich door valse profeten in dwaze verwachtingen liet verstrikken (Jeremia 27:9 v. 28:1, 29:8 v. 15 v. er zal echter een vuur van toorn (Deuteronomium 32:22) over hen losbreken en verzengende vlammmen zullen al zijne heerlijkheid vernietigen, zodat niets overblijft dan een hoopje as. Intussen weet de Heere zeer wel, welke gedachten Hij ook midden in het gericht omtrent Zijn volk heeft (Jeremia 29:11 v.). Niet de tegenstelling van heil en gericht in `t algemeen is die van de valse profeten en van de ware, maar alleen die van heil zonder bekering en straf, en van heil na de op de straf volgende belijdenis en bekering. Zo is de wolk door een lichten glans verhelderd; tijden van verkwikking (Handelingen 3:20) zullen voor Israël nog eenmaal komen, wanneer eens het gericht zijn werk aan hen zal gedaan hebben. Het glinsterend erts in het midden, en het binnenste centrum der wolk ("in het Hebreeën staat Chasmal; wij houden het voor het allerhelderste in het vuur, zodat de bedoeling is, in de wolk was rood vuur, in het rode vuur helder wit" (Luther) laat denken aan Hem, die door gericht Zich in Zijne heiligheid openbaart-het is niet wel gedaan zich tegen Hem en Zijne raadsbesluiten te willen verzetten, want Zijn weg leidt over hen, die niet met Hem is (Openbaring :15). Daarentegen is het welgedaan Zijne onbegrijpelijke heerlijkheid lief te hebben en te loven en zich in Zijn beeld te laten verheerlijken. "Ziet, de Rechter staat voor de deur" (Jakobus 5:8); dat is de waarheid, die in algemene omtrekken zich in dit voorlopig gezicht van den Profeet symboliseert; hij mag echter de heerlijkheid des Heeren in het volgende nog dieper inzien.
In het Hebreeën Weëesch mithlak-kachath. Beter: te zamen gebonden vuur, in den zin, dat een stormwind van het noorden een grote wolk voortbrengt, waarvan de kern als een bal, als een klomp vuurs verschijnt.
2) Hasmal vatten sommigen op als een vermenging van goud en zilver. Anderen vertalen het door gloeiend erts. In elk geval moet het de betekenis hebben van iets wat hel schittert of glinstert.