2. De wet van Mozes zegt (
Exodus 20:5;
34:14.
Deuteronomium 4:24): Een ijverig God over iedere schending van Zijne eer, een God, die in heilige liefde voor de Zijnen over Zijn volk waakt, en een wreker over alle werken der boosheid tegen Hem en de Zijnen, is de HEERE; een wreker is de HEERE, en zeer grimmig, hoewel de oppervlakkige wereld het niet wil geloven, zo lang zij Zijne straffende gerechtigheid niet zelf gevoelt, een wreker is de HEERE aan Zijne wederpartijders, en Hij behoudt den toorn Zijner vijanden: Hij vergeet niet hoe zij Hem en Zijn volk met boosheid en haat hebben tegengestaan, maar laat de maat van hun zonden vol worden.
God is ijverzuchtig omtrent zijne eigene eer en des mensen hart. Hij kan niet dulden, dat een van beide Hem wordt ontnomen. Het hart moet Hem geheel zijn overgegeven en Zijne eer volkomen hersteld worden. God wreekt zeer grimmig, wanneer aan den een of anderen een roof wordt begaan. Gods wezen is licht, verwarmend en zegenend voor degenen, die Hem liefhebben, die op Hem vertrouwen; verterend voor Zijne wederpartijders. Beide gaan zamen in den ijver Gods, die allen gloed der liefde en allen gloed des toorns in zich sluit; ook de ijverzucht heeft haar wortel in de liefde. Het niet vergeten Gods komt niet voort uit ene gezindheid van achterhoudendheid, zo als bijv. een wraakzuchtig mens zich God naar eigene gedachten zou kunnen voorstellen, maar uit de gerechtigheid, die, wanneer zij vergeet, zichzelve opheft. Des mensen onrechtvaardig oordeel berust op zijne vergeetachtigheid. God onthoudt niet, omdat Hij boos is, maar omdat Hij traag tot toorn is, en veel laat opeenhopen, voordat Hij tot het gericht besluit; Hij weet dat Zijn gericht vreselijk is. Het niet vergeten heeft denzelfden wortel als het kennen der Zijnen; Hij is geheel Geest, dus geheel inzicht, geheel wijsheid en ook geheel geheugen. Het vergeven en vergeten behoort tot de zelfontledigingen Gods.
Gelovige, uw Heere is zeer jaloers op uwe liefde. Verkoos Hij u, Hij kan niet verdragen, dat gij een ander zoudt verkiezen. Kocht Hij u met Zijn bloed, Hij kan niet gedogen dat gij zoudt menen uzelven of deze wereld toe te behoren. Hij had u lief met zulk een liefde, dat Hij zonder u niet in den hemel blijven kon; Hij wilde liever sterven, dan dat gij zoudt verloren gaan, en Hij kon niet gedogen, dat iets tussen de liefde uws harten en Hem zou staan. Hij is reeds jaloers op uw vertrouwen. Hij zal u niet toelaten op een vlesen arm te vertrouwen. Hij kan niet verdragen, dat gij u gebroken bakken zoudt uithouwen, daar de overlopende bron altijd voor u openstaat. Hij is verheugd, als wij op Hem leunen, maar wanneer wij ons van een ander afhankelijk stellen, wanneer wij ons op onze eigene wijsheid of op die van een vriend verlaten, en het ergste van alles, wanneer wij ons vertrouwen op onze eigene goede werken stellen, is Hij beledigd, en zal Hij ons kastijden om ons tot zich terug te brengen. Hij is zeer jaloers op ons gezelschap. Wij behoren met niemand zoveel te verkeren als met den Heere Jezus. Alleen in Hem te blijven, ziedaar waarachtige liefde; maar met de wereld te verkeren, genoegzamen troost in de aangenaamheden des levens te vinden, zelfs het gezelschap onzer mede-Christenen te verkiezen boven den verborgen omgang met Hem, dit smart onzen naijverigen Heere. Hij wenst dat wij in Hem blijven, en in gedurige gemeenschap met Hem leven zullen, en vele der beproevingen, die Hij ons toezendt, strekken om onze harten van het schepsel af te trekken, en inniger aan Hem te hechten. Laat deze jaloersheid, die ons dicht bij Christus moet houden, ook een troost voor ons zijn; want indien Hij ons zo lief heeft, om dermate over onze liefde bezorgd te zijn, kunnen wij ons verzekerd houden, dat Hij niets zal toelaten ons te schaden, en dat Hij ons tegen onze vijanden beschermen zal. Och dat wij heden de genade mochten ontvangen, om onze harten in heilige reinheid voor onzen Liefste alleen open te stellen, en met heiligen ijver onze ogen te sluiten voor de betoveringen der wereld! .