Ezechiël 14:1-11
Hier is,
I. De komst van sommigen van de oudsten van Israël tot de profeet, als een man Gods, om door hem de Heere te vragen. Zij kwamen en zaten voor zijn aangezicht, vers 1. Het is waarschijnlijk, dat zij niet van degenen waren, die bij voortduring naar hem kwamen luisteren (zoals die, waarvan wij lazen in Hoofdstuk 8:1), maar toevallige toehoorders, enigen van de groten van Jeruzalem, die voor zaken te Babel gekomen waren, misschien politieke zaken, als gezantschap van de koning, en tevens de profeet een bezoek brachten, daar zij veel van hem gehoord hadden, en begerig waren te weten, of hij een boodschap van God had, die hun tot richtsnoer kon dienen bij de onderhandeling. Uit het gestrenge antwoord, dat de profeet hun geeft, zou men vermoeden, dat zij van plan waren de profeet een strik te spannen, of iets poogden op te vangen, dat gebruikt kon worden, als tegenspraak van Jeremia's profetieën, dan waren zij in de gelegenheid om op beide aanmerking te maken. Evenwel, zij veinsden oprechtheid, begroetten de profeet, en zetten zich met betamelijke ernst voor hem neer, zoals Gods volk als het samenkomt. Het is niets nieuws, dat slechte mensen bezig gevonden worden met uiterlijke godsdienstige verrichtingen.
II. De mededeling, die God de profeet aangaande hun karakter deed. Zij waren vreemdelingen voor hem, hij wist alleen, dat zij uit de oudsten van Israël waren, zo maakten zij zich bekend, en als zodanig ontving hij hen met eerbied, en waarschijnlijk was hij verheugd, dat zij zulke goede neigingen bedden. Maar God maakt hem bekend met hun karakter, vers 3, zij waren afgodendienaars, en vroegen Ezechiël slechts, zoals zij de godsspraak van een valse god zouden vragen, om hun nieuwsgierigheid te bevredigen, en daarom beroept Hij zich op de profeet, of zij enigen steun of aanmoediging verdienden, "Word Ik dan ernstig door hen gevraagd? Kan Ik hun vraag dan als een voor Mij bestemd aannemen, of hun antwoorden om hun voldoening te geven? Neen, dat kunnen zij niet verwachten", want,
1. "Zij hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, zij hebben ze niet alleen, maar zij hebben ze lief, zij zijn er verzot op, zijn er mee verbonden, en dragen ze zo na aan `t hart, en hebben ze zo'n grote plaats in hun genegenheid ingeruimd, dat zij er niet van kunnen scheiden". Ofschoon zij nu ver van hun ingebeelde binnenkamers zijn, toch hebben zij de drekgoden, die zij in hun huis hebben opgezet, in hun hart meegebracht, en vereren ze gestadig in hun gedachte en verbeelding. "Zij hebben hun drekgoden hun hart doen bestijgen (dat staat er eigenlijk), zij hebben hun hart aan hun afgoden onderworpen, zij zitten daar op hun troon". Toen zij de profeet kwamen vragen, deden zij alsof zij hun drekgoden weggedaan hadden, maar het was niet meer dan schijn, in stilte hadden zij die toch bewaard. Zij bewaarden ze in hun hart, en, als zij ze voor een tijd verlieten, dan was dat altijd (cum animo revertendi-met de bedoeling tot hen terug te keren) en geen vaarwel voor altijd. Men kan het ook verstaan van geestelijke afgoderij, zij, wier liefde verpand is aan de rijkdom van deze wereld en zinnelijke genietingen, wier God hun geld is, welker God is de buik, zij hebben hun drekgoden in hun hart opgezet. Velen, die geen drekgoden in hun heiligdom hebben, hebben die in hun hart, wat evengoed Gods toorn gaande maakt, als het Zijn naam ontheiligt. Kinderkens, bewaart u zelf van de afgoden.
2. Zij stellen de aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezicht. Hun zilver en goud werd de aanstoot van hun ongerechtigheid genoemd, Hoofdstuk 7:19, hun afgoden van zilver en goud, door welker schoonheid zij tot afgoderij verleid werden, dat was het blok waarover zij struikelden, en in die zonde vielen, hun ongerechtigheid is de steen des aanstoots, die hen neerwerpt, zodat zij in hun verderf vallen. Zondaars zijn hun eigen verleiders (een ieder wordt verzocht, als hij van zijn eigene begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt), en zo zijn zij zelf de oorzaak van hun verderf. Zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen, en zo stellen zij de aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezicht, en struikelen er over, hoewel zij die voor hun ogen zien. Dat betekent, dat zij besloten zijn met zondigen voort te gaan, wat er ook moge gebeuren. "Ik heb de vreemden lief, en die zal ik nawandelen, dat is de taal van hun hart. En wordt God door zulke goddelozen gevraagd?" Doen zij Hem daarmee niet eer een belediging dan een eer aan, zoals degenen, die spottend voor Christus op de knieen vielen? Kunnen zij een antwoord des vredes van God verwachten, die aldus hun daden van vijandschap tegen Hem voortzetten? "Ezechiël, wat dunkt u daarvan?"
III. Het antwoord, dat God in billijke toorn, Ezechiël beveelt hun te geven, vers 4. Zij moeten weten, dat het niet uit gebrek aan eerbied degens hun persoon is, dat God hun antwoord weigert te geven, maar het is een vaste regel voor ieder man uit het huis Israëls, wie hij ook zij, dat, als hij niet aflaat van zijn liefde tot en verbond met de afgoden, en toch nadert om God te vragen, God het beschouwen zal als een oneer Hem aangedaan, en hem zal antwoorden naar zijn werkelijke ongerechtigheid, en niet naar zijn schijnbare vroomheid. Hij komt tot de profeet, in de verwachting, dat die beleefd jegens hen zal zijn, maar God zal hem antwoorden, en hem straffen voor zijn onbeschaamdheid. Ik, de Heere, die spreekt en het is er, Ik zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte zijner drekgoden. Die drekgoden opzetten in hun hart, en hun hart op hun goden stellen, hebben er gewoonlijk zeer veel. Nederige aanbidders antwoordt God naar de veelheid van Zijn goedertierenheden, maar vermetele indringers antwoordt Hij naar de menigte hunner drekgoden, dat is:
1. Naar de begeerte hunner afgoden. Hij zal hen overgeven aan de begeerlijkheden hunner harten, en hen aan hen zelf overlaten om zo slecht te zijn als zij maar willen, totdat de maat van hun ongerechtigheid vol is. De menselijke gebreken zijn de drekgoden in hun hart, en zij hebben ze zelf opgezet, hun verzoekingen zijn de aanstoot hunner ongerechtigheid, en zij hebben ze zelf op hun weg gelegd en dienovereenkomstig zal God hun antwoorden, zij mogen hun gang gaan.
2. Naar de verdienste hunner afgoden, zij zullen het antwoord hebben, dat zulke afgodendienaars verdienen. God zal hen straffen zoals Hij gewoonlijk afgodendienaars straft, dit is, als zij Zijn hulp nodig hebben, zal Hij ze henen zenden "tot de goden, die zij verkoren hebben" Richteren 10:13, 14. Het oordeel Gods komt over de mensen naar wat zij werkelijk zijn (dit is naar wat hun hart is), niet naar wat ze in schijn en van belijdenis zijn. En wat zal hier het eind van zijn? Waarmee zal dit antwoord hen bedreigen? Hij zegt tot hen, vers 5 :Opdat Ik het huis Israëls in hun hart grijpe en dat voor iedereen openlegge, zodat zij zich schamen, ja hen zelf overgeven aan de vloek, zodat zij ten verderve zijn. Zonde en schande, smarten verderf hebben de zondaars alleen aan zichzelf te wijten, hun eigen hart is de strik, waarin zij gevangen worden, dat verleidt hen, dat verraadt hen, hun eigen geweten getuigt tegen, veroordeelt hen, en verschrikt hen. Als God hen grijpt, als Hij hen ontdekt, als Hij hen overtuigt, als Hij hen overgeeft aan het oordeel, dan is hun eigen hart van dat alles de oorzaak. "O Israël, gij hebt u zelf verdorven, Hosea 13:9. "Het huis van Israël is door zijn eigen zonde vernietigd, dewijl zij allen door hun drekgoden van Mij vervreemd zijn."
a. Het verderf van de zondaars is te wijten aan hun vervreemding van God. b. Het is altijd door een of andere afgod, dat het hart des mensen van God vervreemd wordt, een schepsel heeft de plaats en de heerschappij in het hart ingenomen, die God toekomt.
IV. Aan wie dit antwoord gegeven wordt-aan allen die van het huis van Israël zijn, vers 7, 8. Hetzelfde wordt herhaald en betekent Gods rechtmatige gramschap tegen de huichelaars, die Hem bespotten met de vorm en de schijn van vroomheid, terwijl hun hart van Hem vervreemd en met Hem in strijd is.
1. Wien deze verklaring nog meer aangaat. Zij is bestemd, niet alleen voor ieder man uit het huis Israëls (zoals tevoren, vers 4), maar ook voor de vreemdeling, die in Israël verkeert, hij moet niet denken, dat het verontschuldiging is voor zijn afgoderij, dat hij maar een vreemdeling en bijwoner in Israël is, en niet anders doet dan de goden dienen, die zijn vader diende en dat hij in de dienst er van groot gebracht is, neen, hij moet geen voordeel verwachten van Israëls godsspraken of profeten als hij zijn afgoderij niet volkomen laat varen. Zelfs proselieten zullen niet behouden worden, als zij niet oprecht zijn: een geveinsde bekering is geen bekering.
2. De beschrijving van de huichelaars: Zij scheiden zich van achter God af door hun gemeenschap met de afgoden, zij snijden zichzelf af van hun betrekking tot God en van hun invloed bij Hem, zij breken hun kennis en gemeenschap met Hem af en plaatsten zich op een afstand van Hem. Die zich met de afgoden verenigen, scheiden zich van God, ook zal niemand voor altijd van de vreugde van Gods aangezicht verstoken worden, dan degenen, die zich nu versteken van Zijn dienst en hem hun gehoorzaamheid hardnekkig onthouden. Maar er zijn er, die zich aldus aan God onttrekken, en toch tot de profeten komen, met schijnbaren eerbied en ontzag voor hun ambt, om God door hen te vragen, met de bedoeling aan een ijdele nieuwsgierigheid te voldoen, en de mond van een sprekend geweten te stoppen, of een naam te krijgen of te behouden onder de mensen, maar zonder enige begeerte om God te kennen of enig plan om zich door Hem te laten regeren.
3. Het vonnis van hem, die aldus speelt met God en Hem meent te bedriegen: "Ik, de Heere, zal hem antwoorden, laat het maar aan Mij over, Ik zal hem een antwoord geven, dat hem zal doen ontstellen, dat hem zijn vermetele goddeloosheid zal doen berouwen." Hij zal zijn antwoord hebben, niet door de woorden van de profeet, maar door de oordelen Gods. "En Ik zal Mijn aangezicht tegen die man zetten wat een grote mate van gramschap tegen hem te kennen geeft en een vast besluit hem te verderven". God kan het volhouden tegen de onboetvaardigste zondaar. De huichelaar dacht zijn naam te redden en bijval te winnen, maar inplaats daarvan "zal God hem stellen tot een teken en tot spreekwoorden," en zo grote oordelen over hem brengen, dat hij het voorwerp van aller nieuwsgierigheid en verachting zal zijn, zijn ellende zal de uitdrukking zijn van de grootste ellende, zoals van de ergste zondaars gezegd wordt: "Hij zal hun deel zetten met de geveinsden," Mattheus 24:51. God zal hem tot een voorbeeld stellen, Zijn oordelen over hem zullen voor anderen een waarschuwing zijn om God niet te bespotten: "want alzo zal men de man doen, die zich van achter God afscheidt en toch voorgeeft Hem te vragen". De huichelaar dacht voor een van Gods Volk door te gaan, en tussen hen in de hemel binnen te komen, maar "God zal hem verdelgen uit het midden van Zijn Volk," zal hem ontdekken en vinden in het dichtste gedrang, en daardoor, zegt God, zult gij weten, dat Ik de Heere ben. Door de ontdekking van de huichelaars blijkt, dat God alwetend is, predikanten weten niet in hoever de mensen getroffen zijn, als zij het Woord komen horen, maar God weet het. En uit het straffen van de huichelaars blijkt, dat Hij een ijverig God is en een, die Zich niet kan en wil laten bedriegen. V. Het vonnis van deze geveinsde profeten die deze geveinsde vromen steunen, vers 9,10. Al wil Ezechiël de geveinsden, die hem vragen, geen aangenaam antwoord geven, toch hopen zij andere profeten te vinden, die het wel willen, en als zij dat doen, wat misschien gebeuren zal, dan moeten zij weten, dat God die leugenachtige profeten toelaat hen te bedriegen, als een deel van hun straf: Als nu een profeet, die hen vleit, bedrogen zal zijn, en hun hoop geeft, waar geen grond voor is, Ik de Heere, heb die profeet bedrogen, Ik de Heere heb toegelaten, dat hij in die verzoeking gebracht werd, en ook toegelaten, dat hij er voor bezweek, en het zo beschikt, om hen te verharden op hun goddeloze paden, die besloten waren daarop te blijven wandelen. Wij zijn er zeker van, dat God niet de auteur van de zonde is, maar wij zijn zeker, dat Hij de Heer van allen is en de Rechter van de zondaars, en dat Hij dikwijls van de ene goddeloze gebruik maakt om een anderen te verderven, en zo ook gebruikt Hij de ene goddeloze om een andere te bedriegen. Beiden zijn zonden in hem, die ze doet, en die zijn niet van God, beide zijn straffen voor hem, wie ze worden aangedaan, en die zijn wel van God. Wij hebben een volledig voorbeeld hiervan in de geschiedenis van Achabs profeten, die bedrogen werden door een leugengeest, die God in hun mond gaf, 1 Koningen 22:23, en een ander in hen, die God overgeeft aan een kracht van de dwaling, dat zij leugen zouden geloven daarvoor, "dat zij de liefde van de waarheid niet aangenomen hebben," 2 Thessalonicenzen 2:10, 11. Maar lees het vreselijk vonnis van de leugenprofeet. "Ik zal Mijne hand tegen hem uitstrekken en zal hem verdelgen." Als God Zijn eigen rechtvaardige bedoelingen door hem bereikt heeft, zal Hij met hem afrekenen om zijn onrechtvaardige bedoelingen. Zoals, toen God de Chaldeën gebruikt had om een zondig volk te vernietigen, Hij hen naar recht strafte voor hun woeden, evenzo heeft Hij gebruik gemaakt van "valse profeten, en later van valse Christussen," om een zondig volk te bedriegen, en hen rechtvaardiglijk gestraft voor hun valsheid. Maar hierin moeten wij erkennen (zoals Calvijn ons op deze plaats herinnert) dat "Gods oordelen een grote afgrond zijn," dat wij niet bevoegd zijn te beoordelen, en dat, al kunnen wij de billijkheid van Gods handelingen niet bewijzen tot voldoening en overtuiging van iedere bediller, er toch een dag zal komen, dat hij voor de gehele wereld gerechtvaardigd zal worden en in `t bijzonder in dit geval, als de straf van de profeet, die de huichelaar vleit op zijn boze weg, zal zijn als de straf van de huichelaar, "die alleen zachte dingen van hem vraagt en verlangt", Jesaja 30:10. De gracht zal even goed voor de blinde leider als voor de blinde volgelingen zijn.
VI. De goede raad, die hun gegeven wordt om dit vreselijk vonnis te voorkomen, vers 6 :Bekeert u en keert u af van uw drekgoden. Laat dit scheiding maken tussen u en hen, dat zij scheiding maken tussen u en God, omdat zij Gods aangezicht tegen u zetten, keert gij daarom uw aangezichten van hen af, hetgeen betekent niet alleen hen te verlaten, maar hen te verlaten met walging en verfoeiing. Keert u van hen af als van gruwelen, waarvan gij zat zijt, en dan kunt gij in vrede komen om de Heere te vragen. Komt dan en laat ons samen rechten.
VII. De goede afloop van dit alles voor het huis Israëls, daarom zullen de geveinsde profeten, en de geveinsde heiligen te zamen omkomen door Gods oordelen, dat, als sommigen ten voorbeeld gesteld zijn, het volk in zijn geheel zich verbeteren mag, opdat het huis Israëls niet moet van achter Mij afdwale, vers 11. De straf van sommigen is bestemd om de zonde te voorkomen, opdat anderen mogen horen en vrezen en zich laten waarschuwen. Als wij zien, wat er terechtkomt van hen, die van God afdwalen, moet dat ons aansporen om dicht bij Hem te blijven. En, als het huis Israëls niet meer afdwaalt, zullen zij zich niet meer verontreinigen. De zonde verontreinigt, zij maakt de zondaar hatelijk in de ogen van de onbevlekte, heilige God, en in zijn eigen ogen ook, als zijn geweten ontwaakt is, "en daarom zullen zij zich niet meer verontreinigen, opdat zij Mij tot een volk zijn en Ik hun tot een God." Die God in het verbond met Zich opneemt, moeten eerst gereinigd worden van de verontreiniging door de zonde, en die aldus gereinigd zijn, zullen niet alleen voor het verderf bewaard maar ook gerechtigd worden tot alle voorrechten van Gods Volk.