Job 36:5-14
Daar Elihu spreken zal voor God, en inzonderheid zijn Maker gerechtigheid zal toeschrijven, toont hij aan dat al de beschikkingen van Gods voorzienigheid niet slechts overeenkomstig de eeuwige raadsbesluiten zijn van Zijn wil, maar ook overeenkomstig de eeuwige regelen van de billijkheid. God handelt als een rechtvaardig bestuurder. Want:
I. Hij acht het niet beneden zich om nota te nemen van de geringste van Zijn onderdanen, armoede of geringheid houden niemand verre van Zijn gunst. Als mensen machtig zijn, dan zijn zij maar al te geneigd om met minachting neer te zien op hen, die niet van aanzien zijn en geen groot figuur maken in de wereld, maar God is machtig, oneindig machtig, en toch versmaadt Hij niet, vers 5. Hij buigt zich neer om kennis te nemen van de zaken van de geringsten, hun recht te doen en hun vriendelijkheid te bewijzen. Job dacht dat hij en zijn zaak veronachtzaamd waren omdat God niet terstond verschenen is ten zijnen behoeve. "Neen," zegt Elihu, "God versmaadt niet," hetgeen een goede reden is waarom wij alle mensen moeten eren. Hij is geweldig in kracht en wijsheid vers 5, en toch ziet Hij niet met minachting neer op hen, die slechts weinig kracht en weinig wijsheid hebben, zo zij slechts eerlijk zijn in hun bedoelingen. Ja meer, Hij versmaadt niet, omdat Zijn wijsheid en kracht onbetwistbaar oneindig zijn, en Zijn nederbuigende genade en goedheid geen vermindering of verkleining voor Hem zijn. Zij, die wijs en goed zijn, zullen op niemand met verachting nederzien.
II. Hij verleent geen steun aan de grootsten, als zij slecht zijn, vers 6. Hij laat de goddeloze niet leven. Zijn leven kan wel verlengd worden, maar het is niet onder de bijzondere zorg van de Goddelijke voorzienigheid, maar alleen door haar gewone bescherming. Job had gezegd dat de goddelozen leven, oud worden, ja geweldig worden in vermogen, Hoofdst. 21:7. "Neen," zegt Elihu, "Hij laat goddelozen zelden oud worden. Hij laat hen niet zolang leven als zij verwachtten, noch in die vertroosting en voldoening, die in werkelijkheid ons leven zijn, en zij worden slechts bewaard voor de dag des toorns, Romeinen 2:5.
III. Hij is altijd bereid om recht te doen aan hen, aan wie op enigerlei wijze onrecht wordt gedaan, en hun zaak te bepleiten, vers 6. Het recht van de ellendigen beschikt Hij, wreekt hun twistzaak aan hun vervolgers, en noodzaakt hen vergoeding te doen voor hetgeen, waarvan zij hen beroofd hebben. Als de mensen aan de verongelijkte armen geen recht willen doen, zal God het doen.
IV. Hij draagt bijzonder zorg voor de bescherming van Zijn goede onderdanen, vers 7. Hij ziet niet slechts op hen, maar Hij onttrekt Zijn ogen niet van hen, laat niet af van op hen te zien. Hoewel zij soms veronachtzaamd en vergeten schijnen, en hun wedervaart wat wel een voorbijzien van de Goddelijke voorzienigheid schijnt te wezen, is toch het tedere, zorgzame oog van hun hemelse Vader nooit van hen afgewend. Indien ons oog steeds op God gericht is in plichtsbetrachting, dan zal Zijn oog altijd op ons gevestigd zijn in genade, en ook als wij het meest in de diepte zijn, zal Hij ons niet voorbijzien.
1. Soms bevordert Hij Godvruchtigen tot posten van vertrouwen en eer, vers 7, met de koningen zijn zij in de troon, en ieders schoof buigt zich voor de hunne. Als rechtvaardige mensen bevorderd worden tot posten van eer en macht, dan is het in genade jegens hen, want Gods genade in hen zal hen wapenen tegen de verzoekingen, die aan bevordering verbonden zijn, en hen instaat stellen om gebruik te maken van de gelegenheid, die zij hun geeft om goed te doen. Het is ook in goedertierenheid jegens hen, over wie zij gesteld zijn. Als de rechtvaardige heerst, verblijdt zich de stad. Als de rechtvaardigen bevorderd worden dan zijn zij bevestigd. Zij, die een goede consciëntie bewaren, staan op een vaste grond, en hoge plaatsen zijn voor hen niet zo glibberig als voor anderen. Daar het echter niet dikwijls is, dat wij goede mensen tot groten in de wereld gemaakt zien, kan men onderstellen dat dit verwijst naar de eer, waartoe de rechtvaardigen bevorderd zullen worden als hun Verlosser ten laatsten dage op de aarde staan zal, want dan alleen zullen zij voor eeuwig verhoogd worden, dan zullen zij allen blinken als de zon en onze God tot koningen en priesters gemaakt zijn.
2. Indien Hij te eniger tijd beproeving over hen laat komen, dan is het tot welzijn van hun ziel, vers 8-10. Sommige Godvruchtigen zijn bevorderd tot eer en macht, maar anderen zijn in verdrukking en benauwdheid. Merk nu op:
A. De benauwdheid ondersteld, vers 8. Zo zij, gebonden zijnde in boeien, vastgehouden worden met banden van de ellende, evenals Jozef in de gevangenis worden geworpen, of gehouden worden in banden van een andere beproeving of ellende, opgesloten zijn door pijn en ziekte, belemmerd door armoede, gebonden in hun raad, en, in weerwil van al hun worstelingen, lang vastgehouden in deze ellende. Dit was Jobs geval, hij was gevangen en vastgehouden in banden van de ellende. Doch let op:
B. Het doel, dat God heeft met Zijn volk in zo'n kommervolle toestand te brengen, het is tot welzijn van hun ziel, en de gedachte daaraan moet ons verzoenen met de beproeving. God heeft drie dingen op het oog als Hij ons beproeft.
a. Onze vroegere zonden aan ons te ontdekken, ze ons in herinnering te brengen, vers 9. Dan geeft Hij hun hun werk te kennen, toont hun wat verkeerd in hen was en dat zij tevoren niet gezien hebben. Hij ontdekt hun het feit van de zonde, toont hun hun werk. Zonde is ons eigen werk, als er enigerlei goeds in ons is, dan is het Gods werk, en het is van groot belang voor ons om te zien welk werk wij gedaan hebben door de zonde. Hij ontdekt hun de schuld van de zonde, toont hun hun overtredingen van de wet Gods, en daarbij het zondige van de zonde, dat zij, namelijk hun zonden, de overhand genomen hebben en bovenmate zondig geweest zijn. Ware boetvaardigen leggen zichzelf een last op, verzachten of vergoelijken hun zonden niet, maar verzwaren ze, en erkennen dat zij de overhand genomen hebben. Soms beantwoordt de beproeving aan de zonde, maar zij dient om het geweten van de mensen te doen ontwaken en doet hen nadenken.
b. Om ons hart te bereiden om tegenwoordige instructies te ontvangen, Hij openbaart het voor hunlieder oor ter tucht, vers 10. Wien God tuchtigt, leert Hij, Psalm 94:12, en de beproeving maakt de mensen gewillig om te leren, maakt de was week, teneinde de indruk van het zegel te ontvangen, doch zij doet dit niet door haarzelve, maar de genade Gods, die er in en door werkt, Hij is het, die het oor opent, het hart opent, die de sleutel Davids heeft.
c. Om ons terug te houden van ongerechtigheid voor het vervolg. Dat is de boodschap, waarmee de beproeving is gezonden, het bevel om zich te bekeren van ongerechtigheid, niet meer te doen te hebben met de zonde, er zich met afgrijzen van af te wenden, en een vast besluit te nemen om er nooit meer toe weer te keren. Zie Hosea 14:9. 3. Indien de beproeving haar werk doet en volbrengt hetgeen waartoe zij gezonden is, dan zal Hij hen weer vertroosten, naar de tijd in welke Hij hen beproefd heeft, vers 11, indien zij gehoorzamen en Hem dienen, indien zij instemmen met Zijn plan en Zijn voornemen dienen in deze beschikking, indien zij, als de beproeving weggenomen is, in dezelfde goede gemoedsstemming blijven, waarin zij waren toen zij er onder leden, en de geloften betalen, die zij toen gedaan hebben, indien zij leven in gehoorzaamheid aan Gods geboden, inzonderheid aan die, welke betrekking hebben op Zijn dienst en aanbidding, en er in alles een gewetenszaak van maken om hun plicht jegens Hem te vervullen, dan zullen zij hun dagen wederom doorbrengen in voorspoed en hun jaren in waar genot. Godsvrucht is de enige zekere weg tot voorspoed en genoegen, dit is een gewisse waarheid, en toch zijn er weinigen, die het geloven. Indien wij God getrouwelijk dienen:
a. Dan hebben wij de belofte van uitwendige voorspoed, de belofte des tegenwoordigen levens en de genietingen ervan, inzoverre dit strekt tot heerlijkheid Gods en ons welzijn, en wie zou ze tot nog iets verders, iets meer, begeren?
b. Wij hebben het bezit van inwendige genoegens, de vertroosting van gemeenschap met God en een goede consciëntie, en die grote vrede, welke zij hebben die Gods wet beminnen. Als wij ons niet te allen tijde in de Heere verblijden en in de hoop des eeuwigen levens, dan is het onze eigen schuld, en in wat grotere lieflijkheden kunnen wij onze jaren doorbrengen?
4. Indien de beproeving haar werk niet doet, zo laat hen verwachten, dat de oven zeven maal heter gemaakt zal worden, totdat zij verteerd zijn, vers 12. Maar zo zij niet gehoorzamen, indien zij niet beter worden door hun beproevingen, niet teruggebracht zijn van hun boze weg, indien hun levensgedrag niet beter is geworden, dan zullen zij vergaan door het zwaard van Gods toorn. Hen, die door Zijn roede niet werden genezen, zullen door Zijn zwaard worden gedood, en zo het louterende vuur niet heeft overmocht, dan zal het verterende vuur overmogen, want als God oordeelt, zal Hij overwinnen. Indien Achaz ten tijde als men hem benauwde, des overtredens tegen de Heere nog meer maakte, dan was dit de koning Achaz, die voor het verderf was getekend, 2 Kronieken 28:22, Jeremia 6:29, 30. God had hen willen onderwijzen door hun beproevingen maar zij hebben het onderricht niet aangenomen, zij wilden de wenken, die hun gegeven waren, niet ter harte nemen, en daarom zullen zij de geest geven zonder kennis, eer zij het weten zonder dat zij nogmaals vooruit gewaarschuwd worden, of, zij zullen de geest geven omdat zij zonder kennis waren, in weerwil van de middelen van kennis, waarmee zij bevoorrecht zijn geweest. Zij, die sterven zonder kennis, sterven zonder genade en zijn voor eeuwig verloren.
Eindelijk. Hij brengt verderf over huichelaars, de verborgen vijanden van Zijn koninkrijk, zoals hij ze beschreven heeft in vers 12, die, hoewel zij gerekend waren tot de rechtvaardigen, van wie hij tevoren had gesproken, Hem toch niet hebben gehoorzaamd, maar, kinderen zijnde van de ongehoorzaamheid en van de duisternis, kinderen zijn geworden des toorns en van het verderf. Die met het hart huichelachtig zijn leggen toorn op, vers 13. Zie de aard van de geveinsdheid, zij ligt in het hart, dat voor de wereld en het vlees is, terwijl het uitwendig voor God en Godsdienst schijnt te zijn. Velen zijn heiligen in de uiterlijke schijn, en heiligen in woord, maar geveinsden in het hart. Die bron is bedorven, en daarin is een boze schat. Zie het kwaad ervan, geveinsden leggen toorn op. Iedere dag doen zij hetgeen God tot toom verwekt, en voor dit alles tezamen zal in de grote dag met hen afgerekend worden. Zij "vergaderen zich toorn als een schat in de dag des toorns," Romeinen 2:5. Hun zonden zijn "bij God opgesloten, verzegeld in Zijn schatten," Deuteronomium 32:34. Vergelijk Jakobus 5:3. Evenals hetgeen in damp opgaat neerkomt in stortregen, zo zal hetgeen opgaat als zonde, indien de zondaar er zich niet van bekeert, nederkomen in toorn. Zij denken schatten op te leggen, verdiensten op te leggen, maar als de schatten geopend worden, zal het blijken dat zij slechts toorn hebben opgelegd.
Merk op:
1. Wat zij doen om toorn op te leggen. Wat is het, dat zo tergend is? Het is dit: zij roepen niet als Hij hen gebonden heeft. Dat is: als zij onder beproeving zijn gebonden met de koorden van benauwdheid, dan is hun hart verhard, zij zijn weerspannig en onverootmoedigd willen niet tot God roepen, zich niet tot Hem wenden. Zij zijn dom en ongevoelig, als stokken en stenen, verachtende de kastijding des Heeren.
2. Wat zijn de uitwerkselen van alle toom? vers 14. Hun ziel zal in de jonkheid sterven en hun leven onder de schandjongens. Dit is het deel van de huichelaars, tegen wie Christus vele weeën heeft uitgesproken. Indien zij zich niet bekeren:
a. Dan zullen zij een plotselinge dood sterven, sterven in de jonkheid, wanneer de dood het meest een verrassing is, en de dood (dat is: het gevolg ervan) is dit altijd voor de geveinsden, gelijk zij, die in hun jeugd sterven toen zij hoopten te zullen leven, zo gaan de huichelaars bij hun dood naar de hel, toen zij hoopten naar de hemel te gaan. Als de goddeloze mens sterft, vergaan zijn verwachtingen
b. Zij zullen de tweede dood sterven, hun leven na de dood, (want zo komt het hier voor), is onder de schandjongens, onder de ergste, snoodste zondaren, in weerwil van hun schoonschijnende belijdenis. Het is onder de Sodomieten, die vuile ellendelingen, die ander vlees zijn nagegaan en tot een voorbeeld gesteld zijn, dragende de straf des eeuwigen vuurs, Judas: 7.. De zielen van de goddelozen leven na de dood, maar zij leven onder de onreinen, de onreine geesten de duivel en zijn engelen, voor eeuwig gescheiden van het Nieuwe Jeruzalem, "waar niets inkomen zal dat ontreinigt."