37. En hare posten waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmbomen aan hare posten, van deze en van gene zijde; en hare opgangen waren van acht trappen.
Het sprak bij de metingen van het binnenste voorhof, dat slechts 100 ellen in `t vierkant had (Vers 47), van zelf, dat de gebouwen der binnenpoorten, even als die der buitenpoorten, in den ruimeren buitenvoorhof lagen. Toch vermeldt de tekst die ligging met opzet zo uitdrukkelijk, omdat daardoor de ligging der binnendeuren de omgekeerde van de buitendeuren werd. Bij de buitendeuren bracht de eerste dorpel in den ringmuur van het buitenste voorhof, de trap lag vóór den ringmuur en zo strekte zich het poortgebouw uit in het binnenste voorhof. Bij de binnendeuren daarentegen lag de tweede dorpel tussen de ringmuren van het binnenste voorhof; het poortgebouw strekte zich van daar uit in het buitenste voorhof en zijn trap lag vóór het voorportaal. Men kan berekenen, dat volgens de opgegevene maten, ieder in `t bijzonder van de 6 poortgebouwen, met uitsluiting der opene ruimte, een gebouw van 12. 000 ellen in zich sluit, door iedere 6, dus de ene en de andere helft der gemeente komt, wier eerste helft wij volgens het bij Vers 27 opgemerkte, in de 72. 000 ellen van den ringmuur vertegenwoordigd vonden. In deze gebouwen, die tot controlering over degenen, die door deze intreden, bestemd zijn, nu wordt de Geest der gemeente, zo als zij door den muur als ene die alle Kanaänieten of met den ban beladen (Zacharia 14:21), van haar afwijst, nu als een, die de geesten scherp beproeft, of zij uit God zijn (1 Johannes 4:1), gesymboliseerd. Die gave van het beproeven der geesten strekt zich bij haar uit, niet alleen tot bijzondere personen, zodat in `t algemeen niemand in haar bereik en tot haren godsdienst kan komen, die niet van harte den Drieëenigen God belijdt, die niet staat in de liefde Gods, des Vaders en in de gemeenschap des Heiligen Geestes, die niet vervuld is met geloof, hoop en liefde, maar ook beproeft hij de offergaven, die telkens door degenen, die in den tempel Gods willen dienen, worden gebracht, of zij rein zijn en nauwkeurig met de Goddelijke wet overeenkomen. Voor het eerste dienen de drie poortgangen in het buitenste, voor het andere de drie poortgangen in het binnenste voorhof, bij welk laatste er voor gezorgd is, dat ieder, die reeds tot aanbidding is toegelaten, nu ook zijn offer behoorlijk kan brengen, en dat hij dat werkelijk gedaan heeft, voordat hij in de binnenste heilige ruimte treedt, daarvoor zorgen de wachters in de binnenpoorten. Wat in de eerste Apostolische gemeente reeds aanwezig was, toen Petrus ene zo scherpe controle op Ananias en Saffira en hun offergave toepaste (Handelingen 5), zal in de gemeente op Zion in veel rijkere mate en op blijvende wijze worden wedergevonden; want deze gemeente heeft aan de ene zijde de zalige belofte ontvangen, dat zij op hare plaats als in ene van de overige wereld afgezonderde woestijn in den tijd van de heerschappij van den Antichrist, voor het aangezicht der slang zal worden gevoed, en als een oogappel Gods zal worden bewaard (Openbaring 2:14. Psalm 105:15). Aan de andere zijde is ook hare heerlijke bestemming de vrouw te zijn, die tot de bruiloft des Lams zich toebereidt, en aan welke het wordt gegeven zich te bekleden met rijke en schone zijde (Openbaring 9:7). Alzo moet alles, wat met die belofte niet overeenkomt, en voor deze bestemming niet deugt, ten strengste van haar worden afgehouden. De gemeente oefent echter die controle niet alleen uit op de vreemden, die niet uit de 12 geslachten Israëls zijn, en als proselieten bij haar zijn, zij oefent die ook uit aan ieder in `t bijzonder uit haar eigen midden. Er is over haar als geheel een geest der tucht uitgestort, welke haar tot een afwerenden muur en tot ene controlerende deurwacht maakt. Deze geest is tevens een geest der kracht en der liefde, welke ieder lid, dat tot haar behoort, in de strengste zelfbeproeving en in het zoete deeg der reinheid en waarheid bewaart, opdat in haar het karakter der ware kerk niet alleen in objectieven, maar ook in subjectieven zin openbaar worde. Zulk ene kerk kan alleen de Heere onmiddellijk en zelf, en niet menselijke goede wil en eigen geest van ijver door zelf uitgedachte vormen scheppen, en de Heere heeft ze Zich voor Zijn uitverkoren volk en voor den door hem eens bestemden tijd van wederbrenging voorbehouden; daarom moesten alle proeven van vooruitlopen, die ooit in de kerkgeschiedenis zijn gemaakt, te niet gedaan worden, daarom is ook die tijd, waarin men de kerk geheel aan hare verwoesters ziet prijs gegeven, zeker die, waarin de Heere Zich van zulk ene kerk afwendt en voor Zijn heiligdom ene andere plaats zoekt. Wat boven gezegd werd van de controle over de offergave, wordt in de volgende verzen uitgedrukt. Daar is alles in beelden en gelijkenissen voorgesteld, welke van den Oud-Testamentischen tempel en van den Mozaïschen cultus zijn afgeleid, want deze, als naar hare eigenlijke natuur, symbolisch voor den toekomstigen Christus en het werk Zijner genade, zijn ook de duidelijkste concrete uitdrukking voor hetgeen door het werk Zijner genade nog van het volk Zijns eigendoms kan worden, wanneer het Hem zal hebben erkend en zich zal hebben eigen gemaakt. Den Profeet, schrijft Stendel, zweeft het beeld van dien tijd voor ogen, waarin de verering van Jehova zonder enigen tegenstand zal bestaan, en alle toestanden zo zal doordringen, dat in dezen zelfs zowel ene voorstelling zal gevonden worden daarvan, dat in alles `t eerst aan Jehova wordt gedacht, als ook een waarborg en zekerheid daarvoor.