Psalm 92:8-16
In vers 5 had de psalmist gezegd dat hij zal juichen over Gods werken, en nu doet hij het.
I. Hij juicht over Gods vijanden, vers 8, 10-12, juicht in het vooruitzicht van hun verderf, niet als in de rampzaligheid van zijn medeschepselen, maar als hetgeen strekken zal tot eer van Gods gerechtigheid en heiligheid.
Hij is zeker van het verderf van de zondaren.
1. Hoewel zij bloeien, vers 8.als de goddelozen groeien als het gras in de lente zo talrijk, zo dicht bezaaid, zo groen en zo snel opwassende en alle de werkers van de ongerechtigheid bloeien in pracht en macht, en al de tekenen van uitwendige voorspoed, gerust en talrijk zijn, voorspoedig zijn in hun ondernemingen, dan zou men denken dat dit alles strekken zal tot hun geluk, dat het een stellig teken is van Gods gunst en een onderpand van iets dat even goed of nog beter is, en dat voor hen is weggelegd. Maar het is geheel anders, het is: opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden." De voorspoed van de zotten zal hen verderven," Spreuken 1:32. De schapen, die voor de slachtbank bestemd zijn, worden in de vetste weiden gebracht.
2. Hoewel zij stoutmoedig, vermetel zijn. Zij zijn Uwe vijanden, en zij hebben de onbeschaamdheid om zich als de zodanigen te bekennen. Zij zijn tegen God, en zij strijden tegen God, zij zijn in opstand tegen Zijn kroon en waardigheid, en daarom is het gemakkelijk te voorzien dat zij zullen vergaan, want wie heeft ooit zijn hart verhard tegen God en is voorspoedig geweest? Al de onboetvaardige werkers van de ongerechtigheid zullen voor Gods vijanden gehouden worden, en als zodanig zullen zij vergaan en verstrooid worden. Christus acht diegenen Zijn vijanden te zijn, die niet willen dat Hij koning over hen zijn zal, en zij zullen voorgebracht en voor Zijn ogen gedood worden. De werkers van de ongerechtigheid zijn nu tezamen verenigd en nauw aan elkaar verbonden tegen God en Godsdienst, maar zij zullen verstrooid worden, onmachtig gemaakt om elkaar bij te staan tegen het rechtvaardig oordeel Gods. "In de toekomende wereld zullen zij gescheiden worden van de vergadering van de rechtvaardigen" aldus de Chaldeer, Psalm 1:5.
3. Hoewel zij inzonderheid boosaardig gezind waren tegen de psalmist, en hij dieswege in verzoeking zou kunnen zijn om hen te vrezen, triomfeert hij toch over hen, vers 12. "Mijn oog zal mijne verspieders aanschouwen, zal mijn lust zien aan mijne vijanden, die tegen mij opstaan. Ik zal hen niet alleen onmachtig zien om mij nog verder kwaad te doen, maar zien dat er met hen afgerekend wordt voor het kwaad, dat zij mij al gedaan hebben, en zo zullen zij of tot berouw en bekering of ten verderve worden gebracht, en dit was zijn lust aan hen. In het Hebreeuws staat alleen: "Mijn oog zal mijne verspieders aanschouwen, mijne ogen zullen het horen aangaande de boosdoeners." Hij zegt niet wat hij zal aanschouwen, of wat hij zal horen, maar hij zal datgene zien en horen, waarin God verheerlijkt zal worden en waarmee hij dus voldaan zal zijn. Misschien heeft dit betrekking op Christus, op Zijn overwinning over Satan, dood en hel, het verderf van hen, die Hem vervolgd en gekruisigd hebben en Zijn Evangelie hebben tegengestaan, en op het verderf, dat ten laatsten dage over de onboetvaardigen komen zal. Zij, die tegen Christus opstaan, zullen vallen voor Zijn aangezicht en tot Zijn voetbank worden gezet.
II. Hij juicht in God, in Zijn heerlijkheid en genade. 1. In de heerlijkheid van God, vers 9. Maar Gij zijt de Allerhoogste, in eeuwigheid de Heere. De werkers van de ongerechtigheid, die tegen ons strijden, kunnen voor een tijd hoog zijn en denken dat zij zich met geweld van alles kunnen meester maken, maar Gij zijt hoog, de Allerhoogste in eeuwigheid, hun hoogheid zal vernederd, naar beneden gebracht worden, maar de Uwe is in eeuwigheid. Laat ons dan niet vrezen voor de hoogmoed en de macht van boze mensen, noch ontmoedigd worden door hun machteloze dreigementen, "want de mot zal hen opeten als een kleed, maar Gods gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn," Jesaja 51:7,8.
2. In de genade van God, in Zijn gunst en de vruchten ervan.
A.. Voor hemzelf, vers 11. "Gij, o Heere die zelf de Allerhoogste zijt, zult mijn hoorn verhogen. De grote God is de fontein van eer, en daar Hij tot in eeuwigheid de Allerhoogste is, zal Hij zelf Zijn volk tot in eeuwigheid verhogen, want Hij is "de roem van al Zijn gunstgenoten," Psalm 148:14. De goddelozen wordt verboden de hoorn te verhogen, Psalm 75:5. Maar zij, die God en de belangen van Zijn koninkrijk dienen met hun eer en macht, en ze aan Hem overgeven om ze te bewaren, ze te verhogen, ze te gebruiken, er over te beschikken naar het Hem behaagt, kunnen hopen dat Hij hun hoorn zal verhogen gelijk eens eenhoorns, tot de grootste hoogte, hetzij in deze of in de andere wereld, mijn hoorn zult Gij verhoogen, als Uwe vijanden vergaan, want de rechtvaardigen zullen blinken gelijk de zijne, als de goddelozen tot versmaadheden en eeuwige afgrijzing gedoemd zijn. Hij voegt er bij: ik zal met verse olie overgoten worden, hetgeen duidt op een hernieuwde bevestiging in zijn ambt, waartoe hij gezalfd was, of wel op grote overvloed, zodat hij verse olie kon hebben zo dikwijls als hij wilde, of hernieuwde vertroostingen om hem op te wekken als de moed verflauwde. Genade is de zalving des Geestes, als deze gegeven wordt in een tijd van nood en ontvangen wordt uit de volheid, die in Christus Jezus is, dan zijn wij met verse olie overgoten. Sommigen lezen het: "Als ik oud word, dan zult Gij mij met verse olie zalven. Mijn ouderdom zult Gij verhogen door rijke genade, " aldus de zeventig. Vergelijk vers 15. In de grijze ouderdom zullen zij nog vruchten dragen. De vertroostingen van Gods Geest en de vreugde Zijns heils zullen een verfrissende olie zijn voor het grijze hoofd, welks kroon op de weg van de gerechtigheid wordt gevonden
B. Voor al de heiligen. Zij worden hier voorgesteld als bomen van de gerechtigheid, Jesaja 61:3, Psalm 1:3.
Merk op:
a. De goede plaats in welke zij gevestigd zijn, zij zijn geplant in het huis des Heeren, vers 14. De bomen van de gerechtigheid groeien niet vanzelf, zij zijn geplant, niet in gewone grond, maar in het paradijs, in het huis des Heeren. Bomen worden niet geplant in een huis, maar Gods bomen worden gezegd in Zijn huis geplant te zijn, omdat het van Zijn genade, door Zijn woord en Geest is, dat zij al het sap en al de kracht ontvangen, die hen in het leven behoudt en hen vruchtbaar maakt. Zij gronden zich in de heilige inzettingen, blijven er bij, zij staan onder de Goddelijke bescherming. en brengen allen hun vruchten voort tot Gods eer en heerlijkheid.
b. De goede staat, waarin zij gehouden zullen worden. Er is hier beloofd:
Ten eerste. Dat zij zullen groeien, vers 13. Waar God ware genade geeft, geeft Hij meer genade. Gods bomen zullen hoger worden, als de cederen, de hoge cederen van de Libanon. Zij zullen dichter bij de hemel groeien en met heilige eerzucht opwaarts streven naar de bovenwereld, zij zullen sterker worden, zoals de cederen, en geschikter om nuttig te zijn. Hij, die reine handen heeft, zal al sterker en sterker worden.
Ten tweede. Dat zij zullen bloeien, beide in de eer hunner belijdenis en in de vertroosting en blijdschap van hun eigen ziel. Zij zullen blijmoedig wezen, geëerd en geacht, door allen, die hen omringen. Zij "zullen groeien als een palmboom," die statig is, Hooglied 7:7, en grote takken heeft, Leviticus 23:40, Richteren 4:5. Dadels, de vruchten ervan, zijn zeer aangenaam, maar hij wordt hier inzonderheid vermeld als een boom, die altijd groen blijft. De goddelozen bloeien als het gras, vers 8, dat spoedig verdort, en de rechtvaardigen als de palmboom, die lang leeft, en in de winter niet verandert. Van de palmboom is gezegd: "Sub pondere crescit hoe meer hij naar beneden gedrukt wordt, hoe meer hij groeit," zo bloeien ook de rechtvaardigen onder de druk, onder hun lasten, hoe meer zij verdrukt worden, hoe meer zij vermenigvuldigen. Geplant zijnde in het huis des Heeren, is daar hun wortel, zij groeien in de voorhoven onzes Gods, daar spreiden hun takken zich uit, hun leven is met Christus verborgen in God. Maar hun licht schijnt ook voor de mensen. Het is wenselijk dat zij, die een plaats hebben in Gods huis, er ook een naam hebben en binnen Zijn muren zijn, Jesaja 56:5. Laat goede Christenen er naar streven om uit te munten, opdat zij uitnemend worden en bloeien en aldus de leer van God onze Zaligmaker in alles versieren, zoals bloeiende bomen de voorhoven van een huis versieren. En laat hen, die bloeien in Gods voorhoven, Hem de eer er voor geven, het is krachtens de belofte: zij zullen vet en groen zijn. Hun groen zijn van buiten komt van hun vettigheid van binnen, van "de wortel en de vettigheid des goeden olijfbooms, Romeinen 11:15. Zonder een levend beginsel van genade in het hart, zal de belijdenis niet lang bloeiend zijn, maar waar dit is, zal het blad niet afvallen, Psalm 1:3. "De bomen des Heeren worden verzadigd", Psalm 104:16. Zie Hosea 14:6, 7.
Ten derde. Dat zij vruchtbaar zullen zijn indien er niets dan bladeren aan hen was, het zouden geen bomen van enigerlei waarde zijn, zij zullen nog vruchten dragen, de voortbrengselen van de heiligmaking, al de blijken van een levende Godsvrucht en een wandel, die nuttig is voor anderen, goede werken, door welke God verheerlijkt wordt en anderen worden gesticht. Dat zijn de vruchten van de gerechtigheid, en het is het voorrecht zowel als de plicht van de heiligen, om daarin overvloedig te zijn, en dit is een belofte zowel als een gebod. Er is beloofd dat zij in de grijze ouderdom nog vruchten zullen voortbrengen. Andere bomen houden, als zij oud zijn, op van vruchten te dragen, maar in de bomen Gods zal de kracht van de genade niet feilen tegelijk met de kracht van de natuur. De laatste dagen van de heiligen zijn soms hun beste dagen, en hun laatste werk hun beste werk Dit toont in waarheid aan dat zij oprecht zijn, volharding is het stelligste bewijs van oprechtheid. Maar hier wordt gezegd: om te verkondigen dat de Heere recht is, vers 16, dat Hij getrouw is aan Zijn beloften, getrouw aan ieder woord, dat Hij heeft gesproken, en het werk dat Hij begonnen heeft zal voleinden. Gelijk het door de belofte is, dat de gelovigen voor het eerst van de Goddelijke natuur deelachtig worden, zo is het door de belofte dat deze Goddelijke natuur in hen bewaard wordt, in hen blijft, en daarom is de kracht, die zij uitoefent, een bewijs dat de Heere recht is, en aldus zal Hij zich "bij de oprechte oprecht houden," Psalm 18:26. Hierin juicht de psalmist: "Hij is mijn rotssteen en in Hem is geen onrecht. Ik heb Hem gekozen voor mijn rotssteen, om er op te bouwen, in zijn kloven beschutting te zoeken, en op zijn top mijne voeten te stellen. Ik heb Hem een rotssteen bevonden, sterk en standvastig, en Zijn woord is zo vast als een rotssteen. Ik heb bevonden," en laat iedereen spreken naar zijn bevinding "dat in Hem geen onrecht is." Hij is even machtig, en zal even goed zijn, als Zijn woord zegt dat Hij is. Allen, die ooit op God vertrouwd hebben, hebben Hem getrouw en algenoegzaam bevonden, en nooit is iemand in zijn hoop op Hem beschaamd geworden.