17. Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt (
Hoofdstuk 1:7): Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is 1), van de eeuwige zaligheid, die pas later zal worden geopenbaard (
1 Corinthiërs 2:9) en Ik zal hem geven een witte keursteen en op de keursteen een nieuwe naam (
Jesaja 62:2;
65:15) geschreven, die niemand kent, dan die hem ontvangt 2).
1) Het manna is Israëls voedsel in de woestijn, die in Kanaän ophield. Omdat nu naar de bijbelse typiek dit leven met de woestijn en wat aan gindse zijde van het graf is, met het bezit van Kanaän overeenkomt, verklaren verschillende uitleggers deze eerste belofte van hetgeen de Heere aan de Zijnen reeds in dit leven toedeelt en het tweede van de hemelse beloning (1 Johannes 3:1 v.). Daarentegen spreekt het "die overwint", dat in Vers 26 wordt verklaard door het bijgevoegde "en die Mijn werken tot het einde toe bewaart", wat dus alleen op de voleindigde overwinning betrekking hebben kan, eveneens de gelijkheid uit van de overige beloften, die alle op het eeuwige leven zien. Daarnaar zal men moeten aannemen, dat het karakter van het manna als spijs van de woestijn hier buiten aanmerking moet worden gelaten en alleen het karakter als hemels brood (Psalm 78:24; 105:40 wordt beschouwd tegenover de ellendige genietingen, die de aarde als zingenot aanbiedt.
Bij dit hemels brood moest men toch de lust tot godenoffer wel verliezen.
Dit manna is verborgen, omdat het pas in de toekomstige heerlijkheid openbaar zal worden, als men het geniet.
Tegenover het tast- en eetbare manna is het een geestelijk voedsel.
De oudheid bediende zich graag bij het stemmen over iets van witte en zwarte stenen, vooral in gerechtszaken, waarbij dan de zwarte steen voor een "schuldig", de witte voor een "niet schuldig" werd gehouden. Nu zullen de Christenen zeker bij het gerechtshof te Pergamus in de kort van te voren vermelde vervolgingen wel menige zwarte steen van hun rechters hebben gekregen. Dit moet u, zegt hun de Heere, niet verschrikken; de wereld moge voor u steeds zwarte stenen hebben, Ik, de Rechter van de hele wereld, zal u eens op die beslissende gerechtsdag een witte geven en uw onschuld voor de hele wereld openbaar maken. En als de wereld uw naam lastert als van een booswicht en geen enkele goede draad aan u laat, als zij u aan de schandpaal en aan de galg hecht welaan, laat hen doen met uw aardse naam, wat hun goeddunkt: Ik zal u eens, als Ik u een witte steen geef, tevens met deze, als het ware op dezen als op zijn grondsteen geschreven, ook een nieuwe naam geven.
Hier is geen bepaalde naam bedoeld, anders zou die genoemd zijn. Het is genoeg, dat die naam een nieuwe is; dat die veel heerlijker is dan de vorige; dat de toestand, die hij aanwijst, met de vorige, vol van smart, honger, dorst, hitte en tranen, niets gemeen heeft. Die nieuwen naam kent niemand, dan die hem ontvangt; dat is een geheim, oneindig voortreffelijker dan de hooggeprezen en toch zo nietige geheimen van de Nikolaïeten of Gnostieken. Overeenkomstig daaraan is de naam van Christus, die niemand kent dan alleen Hij zelf, in Hoofdstuk 19:12 Ook volgens 1 Johannes 3:1. v. is de zalige staat van de Christenen, de tegenwoordige en nog meer de toekomende voor de wereld onverstaanbaar, die bij al haar hooggeroemde kennis toch zo weinig weet, die noch God kent, noch Christus (Johannes 15:21; 16:3), noch Zijn gelovigen.
De vermelding van Bileam voert vanzelf uw verbeelding terug tot de woestijn van Arabië, waar deze bedrieger of dweper over de naam zullen wij heden niet twisten na vruchteloze poging om Israël profetisch te vloeken, aan Balak de raad gaf, om het volk tot goderij en ontucht te lokken, opdat het zichzelf met een zware vloek zou beladen. Was die raad de bron van zonde en jammer geworden, de naam van de dwaalprofeet was in welverdiende verachting gebleven en zulken werden gezegd, de Bileamslering te volgen, die, zoals deze dwaalgeest, onreinheid en afval bevorderden en de vrijheid voor het vlees lieten gelden. Aan hen verwant, wellicht dezelfde dwaalleraars, waren de Nikolaïeten; beide namen althans zijn niet voor eigen- maar voor zinnebeeldige namen te houden, waarvan de eerste in het Hebreeuws, de andere in het Grieks de volksoverwinnaar of verleider moet aanduiden. Met diepe verontwaardiging stelt zo de Heere deze sekten voor als bedervers van Zijn zichtbare kerk, die hun invloed misbruikten, om de belijders van het Evangelie tot een heidense wandel te voeren. Hij berispt het ernstig, dat dezen in hun midden geduld worden, roept tot strijd en waakzaamheid op en dreigt een naderend oordeel over de onverbeterlijk bozen. Het schijnt, dat deze laatsten, in menig opzicht verwant aan de sekten, die ons uit de kerkgeschiedenis van de tweede eeuw onder de naam van Gnostieken bekend zijn, de schijn hadden aangenomen van verborgenheden en geheimen te kennen, waartoe zij hun aanhangers opzettelijk noodden en inwijden. Daaruit verklaren wij voor ons het geheimzinnige karakter van de toezegging, waarmee de brief wordt besloten. De Heere plaatst geheimzinnige taal tegenover de verborgen wetenschap, waarop de dwaalleraars roemden, maar een taal, waaruit, zoals eens uit de wolkkolom, een gloed van heerlijkheid uitstroomt, te midden van de donkere nacht. Heeft Hij, met zijdelingse toespeling op de Engel, die zich met een zwaard tegenover Bileam stelde, gedreigd, hoe Hij met het zwaard van Zijn mond tegen de Bileamieten krijg zou voeren, de deelgenoot van zijn strijd wordt de heerlijkste overwinning verzekerd. En de overwinnaar, tweeërlei loon wordt hem toegezegd, dat even strelend als vererend mocht heten. Het manna, dat in het heilige der heiligen in een gouden kruik werd bewaard; dat naar Joodse overlevering bij de verwoesting van de tempel niet vernietigd was, maar verborgen, om eenmaal door de Messias weer te voorschijn gebracht te worden, wordt als hemelspijs aan de getrouwe beloofd. Bedenken wij, hoe de Heere vaker Zichzelf het brood des levens genoemd heeft; wij aarzelen niet, hier de toezegging van een hemelse gemeenschap met Jezus zelf te vinden, waardoor de hoogste behoeften van de ziel volkomen verzadigd worden. Tot de hoge eer van aan dat hemels gastmaal te zitten, zouden zij raken langs geheel bijzondere weg. Was het in het Oosten gebruikelijk, ereplaatsen door het lot te begeven, terwijl op de getrokken lotsteen de nieuwe titel stond aangeduid, iets dergelijks stond daarboven te wachten. Wit wordt de lot- of keursteen genoemd, met kennelijke zinspeling op de gewoonte van de ouden, om door het gebruik van witte stenen een aangeklaagde voor onschuldig, door zwarte hem voor schuldig te verklaren. De uitverkorene tot de hoogste eer zou zo tegelijk een gerechtvaardigde wezen door Christus, maar hoe groot zijn geluk zou zijn, niemand dan hij zelf kon het weten. De naam op de lotsteen, die de nieuwe waardigheid aanwees, werd alleen aan de drager bekend. Men moest zelf een gezaligde wezen, om enigzins te doorzien, wat de vreugde van de gezaligden is. O, men moet wellicht Oosterling zijn, om al de kracht en schoonheid van deze geheimzinnige beeldspraak te voelen, maar zeker, men hoeft slechts Christen te zijn, om zich in strijd met de wereld te voelen, maar tegelijk door Jezus verkwikt. Nee, Christenen, al bent u tegen alle geestelijke vijanden door Jezus zelf gewapend, al mag u zelfs gerust zijn op de trouw van de veldheer, die u meer dan overwinnaars zal maken; u voelt het zelf, die zekerheid kan u van voortgezette en vernieuwde strijd niet ontslaan. Hier heeft de Heere u een uur van rust gegeven, maar straks moet het zwaard van de Geest weer aan de zijde gegespt, nee, uit de schede getogen worden om te strijden, niet slechts tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, de machten, de geweldhebbers van de wereld, de geestelijke boosheden in de lucht. Hetzij u nog twintig dagen of twintig jaren te leven heeft, het zullen dagen en jaren zijn van een telkens zich weer vernieuwende strijd. De wereld, die in de achttien eeuwen tussen Antipas en ons nog altijd dezelfde gebleven is, geeft ten eerste geen hoop, dat zij in deze tijd haar vijandschap tegen de Heere zal verzaken; veeleer wordt die vijandschap heviger, naarmate het licht, helderder schijnende, haar duisternis meer openbaart. Is zij de verleidende Bileam, de Christen moet nog altijd de moedige Pinehas zijn, die gewapend tegen haar dienaren optreedt. En wat onszelf betreft ach, ook het nieuwe hart blijft in zo menig opzicht het oude; vatbaar voor zo menig gevaarlijke indruk, weggesleept door zo menig onrustige stroom, voor de wereld geopend, al is het ook aan de wereld gekruisigd. Die kleine wereld daarbinnen, zij verandert telkens van gedaante, maar nooit geheel van karakter. Wellust is de Bileam van de jongeling; eerzucht de Balak van de man; gierigheid de Nikolaïet in de grijsaard. En die strijd moet dagelijks voortgezet; en die wapenen kunnen ontvallen, maar mogen niet neergelegd worden; en die vijand voert telkens frisse strijdkrachten aan tegen een telkens ontzinkende kracht. zeker, die weet, wat strijd in de wereld is, weet ook van vermoeidheid te spreken. Maar hoe talloze keer verkwikt Hij in de strijd onze zielen met een trouwe liefde, waarvan niemand beter het geheim verstaat, dan juist Hij! Nu, als Hij aan het Avondmaal, ons in beker en brood de voorsmaak geeft van het manna, dat bij God is verborgen, dan, als Hij in de binnenkamer ons met één blik van Zijn goedkeuring meer doet genieten, dan wij derven door de verloren vriendschap van de wereld; straks, als aan een heldere hemel het nachtgordijn opgehaald wordt en het gesternte zijn avondlied van "vrede, vrede" ons toezingt en de aarde ons zo onbeschrijfelijk klein wordt en de strijd zo onuitsprekelijk licht! Nee, de wereld weet het niet, hoe de Heere Zijn strijders verkwikken kan; zij ontdekt de wonden, maar ziet de balsem voorbij. De Christen voelt zich hier, tegenover de vijand, reeds zalig in de hemelse Vriend en was hier reeds de verkwikking zo zoet, wat zal daar de volle verzadiging zijn! Ik zou het niet wagen er van te spreken, als de Heere zelf in Zijn geheimzinnige taal ons geen grond gaf en recht om het hoogste en beste te hopen. Daal neer, getrouwe Antipas, met uw martelkroon in een lichtkrans herschapen, om ons van uw rust te spreken; nee, stijg opwaarts, gelovige geest, om achter de weggeslagen sluier in de open hemel te staren! Nog een tijdje, vrienden van de Heere en uw deel is het daar verborgen manna. Jezus zelf, met van wie uw waarachtig leven nu nog in God is verborgen, verzadigt dan volkomen, als het ware hemelse Brood, de hoogste behoeften van de ziel en al wat u omwille van Hem aan de feesttafel van de zonde verzaakt heeft, u ontvangt het daar, in Zijn gemeenschap, geheiligd en verheerlijkt terug. Hier had u de smaad van Zijn kruistocht te dragen, maar houd goede moed, in de hemelse lotbus schuilt de keursteen, die u een nieuwe waardigheid in het nieuw Jeruzalem aanwijst en de hand, die uw lotsteen zal uittrekken, is de hand van de eeuwige Liefde! Wat naam u daarboven bereid is, wie zal het zeggen; slechts één naam zeker niet: die van krijgsknecht van de Heere. Daar is geen vijand rondom u; ja, ook geen zonde meer in u; u heeft in de witte keursteen tevens volkomen vrijspraak ontvangen. O, dat enkele denkbeeld reeds: een nieuwe naam op deze keursteen geschreven! Het is een van de heerlijkste denkbeelden uit Johannes' Openbaring; alles, alles vernieuwd! Een nieuw lied, een nieuw Jeruzalem, een nieuwe hemel; ja, ook het oude hart niet meer oud en de oude aarde herschapen! Maar nee, dat heil, geen tong kan het uitspreken. Reeds hier kent niemand de zaligheid van het nieuwe leven, dan die het uit genade ontving; daar zal men eerst hemelling zijn moeten, om van de hemellingen heil te waarderen! Waar Jezus zelf die nieuwe naam in een aardse taal niet uitspreken wilde, wat zou daar Zijn dienaar vermogen? Heere, schenk ons uit genade de zaak, opdat wij eens het woord mogen vinden!
In de oudheid schreef men nu en dan op witte stenen. Een steen, blinkende en wit als licht en sneeuw zal Ik hem geven en daarop zal geschreven worden een nieuwe naam. En welke? Die nieuwe naam wordt niet genoemd. Onze oude naam, die wij op aarde dragen, betekent, dat wij hier vreemdelingen en bijwoners zijn in een wereld vol droefenis, honger en dorst, kommer en ellende. Nog is het niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. De nieuwe naam, die Gods kinderen ginds pas krijgen zullen, zal een hemelburger aanduiden, die de Heere Jezus gelijkvormig is, want "wij zullen Hem zien zoals Hij is. " Er is iets heerlijks in dat woord nieuw, dat zo vaak in de Openbaring oorkomt. Er wordt hier gesproken van een naam, van een nieuw gezang, een nieuwe hemel een nieuwe aarde, het nieuw Jeruzalem alles wordt nieuw. Hoe vertroostend is dat voor allen, die zich zwaar voelen neergedrukt door het oude! En deze nieuwe naam kent slechts hij, die die ontvangt; hij is een verborgenheid, veel heerlijker dan de hooggeroemde, ijdele, niets beduidende verborgenheden van de Nikolaïeten en hun hele aanhang. De kinderen van de wereld hebben reeds geen inzicht in de inwendige zaligheid, die Gods kinderen in dit leven genieten, hoewel zij anders hoog opgeven van de rijkdom van hun kennis, de schranderheid van hun wetenschap, de helderheid van hun oordeel toch hebben zij geen denkbeeld van God, noch van Zijn heilig kind, noch van Zijn gelovigen; en hoeveel te minder kunnen zij zich dan een voorstelling vormen van het gans zeer uitnemend eeuwig gewicht van heerlijkheid, dat ginds het deel zal zijn van de verlosten van de Heere!
Bij de oude volken geschiedde de stemming vaak door steentjes; zwarte stenen beduidden bij de Grieken schuldig, witte onschuldig. Dergelijke stenen werden ook gegeven aan hen, die na de afloop van de spelen recht hadden om tot de openbare maaltijden te worden toegelaten. De witte steen geeft dus te kennen, dat de Rechter de Overwinnaar bij voorraad zal vrijspreken; maar op de witte steen staat ook een nieuwe naam, die slechts gekend wordt door hem, die hem ontvangt; en deze naam is een beloning vanwege de Rechter en Koning, die hem, tot van wie Hij spreekt, niet alleen voor onschuldig, maar ook van de beloning waardig heeft verklaard een bijzondere beloning, elk weer een andere (Handelingen 1:25 Johannes 14:2), omdat ieder mens iets bijzonders bezit, dat de Heere alleen kent. Een nieuwe naam staat in verband met de nieuwe mens en met van de vernieuwde toekomstige roeping en plaats in het Koninkrijk van God. Denken wij aan de naamsveranderingen van Abram in Abraham, van Jakob in Israël, van Simon in Petrus. Door de nieuwe naam wordt uitgesproken het burgerrecht van een gelovige in de stad van God, alsmede wat de Christen met opzicht tot zijn toekomstig priesterlijk beroep geworden is en wordt zijn geestelijk bestaan op het scherpst gekarakteriseerd. Jezus zelf heet in het Oude Verbond Jehoschua of Jeschua, waaruit de naam Jezus ontstond, en Maschiach of Messias, de Christus of de Gezalfde. Jezus wil zeggen Heiland of Zaligmaker en staat in verband met Zijn priesterschap. Messias of Gezalfde heeft betrekking op Zijn koninklijke waardigheid. Jezus Christus is zo hetzelfde als "Priesterkoning. " Wie echter zal hier ten volle verstaan wat het verborgen manna en de nieuwe naam te kennen geven?
Men denkt, dat de apostel hier ziet en zinspeelt op Psalm 105:40 : "Hij verzadigde hen met hemels brood. " Ik beschouw het als een toespeling op de kruik met manna, die op bevel van God in het heiligdom naast de ark des Verbonds verborgen was. Dat manna was verborgen, het was niet zichtbaar voor mensenoog. Dat was ook een type van de hemelspijs, waarmee zowel de gelovigen hier op aarde als eens in de hemelen de gezaligden worden gevoed. (LUD. CAPELLUS IN CRIT. SACR.).
IV. Vers 18-28. In de kerkelijke toestand, door Thyatire voorafgebeeld, is van uitwendige vervolging geen sprake meer. Daarentegen is het inwendige verderf in de kerk hier tot een macht, ja, tot een heersende macht geworden. De gemeente is nog gemeente van Christus en enkele gaven van de Geest, namelijk ijver van de liefde en van het geloof en weldadigheid en volharding in goede werken zijn sterk, ja heerlijk in haar ontwikkeld en getuigen van de Geest van de Heere, die nog in haar werkt. Maar in haar schoot heeft zich de Jezabels heerschappij verheven, die het erop aanlegt, om de leden van de gemeente, de dienstknechten van God, tot afgoderij en tot hoererij te verleiden en welke zich daarbij profetische gave en roeping en het recht toeschrijft om als Jezabel, de getuigen van de waarheid bloedig te vervolgen. Dat de gemeente deze heerschappij duldt is een zware schuld: haar plicht is zich uit getrouwheid aan haar ware Koning, tegen deze valse Izebel te verzetten. Het ontbreekt ook niet aan een minderheid, die dit doet en Jezabels diepten stout voor satans diepten verklaart. Aan de Jezabels macht is een lange tijd van lankmoedigheid gegeven. Het is echter voorspeld, dat dit uitstel niets zal baten, dat zij zich niet zal bekeren en dat de Heere met een vreselijk gericht van de vernietiging over haar zal komen, haar heerlijkheid in ellende zal veranderen en haar aanhangers doden. De getrouwen, die tegen haar heerschappij hebben geprotesteerd, zullen, als zij tot het einde volharden, niet mee lijden aan het gericht, dat over de overige kerk komt, hun is integendeel als bijzondere zegen die heerschappij over de heidenen, zoals Christus ze uitoefent, beloofd. Duidelijk sluit zich aan de drie eerste voorbeelden, de apostolische kerk, de martelaarsgemeente van de eerste eeuwen en de Oosters Romeinse Staatskerk aan, terwijl de gemeente van Thyatire het voorbeeld is van de westerse pauselijke kerk, vooral in haar ontaarding tot een moeder van de hoeren (Hoofdstuk 17:5), onder welke onze hedendaagse wereld zoveel heeft te lijden en waarvan haar nog groter onheil dreigt.