Ezechiël 13:1-9
De valse profeten, tegen wie hier geprofeteerd wordt, woonden voor een deel te Jeruzalem, Jeremia 23:14, "In de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwelijkheid." Anderen woonden te midden van de ballingen in Babel, want aan hen schrijft Jeremia. 29:8. "Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen". En gelijk Gods profeten, ofschoon aangaande plaats en tijd van elkaar gescheiden, toch dezelfde waarheden predikten, waaruit bleek, dat zij door een en dezelfde Geest geleid werden, zo profeteerden de valse profeten ook dezelfde leugens, geïnspireerd door een en dezelfde geest van de dwaling. Er was weinig hoop, hen tot boete te bewegen, zo verhard waren zij in hun zonden, toch moest Ezechiël tegen hen profeteren, in de hoop, dat het volk mocht gewaarschuwd worden, niet naar hen te luisteren. Zo zal hun getuigenis gegeven worden, opdat ze niet te verontschuldigen zouden zijn.
Ezechiël had bijzondere opdracht, "tegen de profeten Israëls te profeteren, zo noemden zij zich, als was niemand die naam waardig dan zij, die inderdaad Israëls bedriegers waren. Maar het is opmerkelijk, dat Israël nooit door zogenaamde profeten bedrogen werd dan nadat het de ware profeten had verworpen en versmaad". Gelijk het later door geen valse Christussen werd misleid dan toen het de ware Messias had verworpen. Deze valse profeten moesten "het Woord des Heeren horen." Zij ondernamen tot anderen te spreken, als ware het Gods Woord, nu moesten zij horen wat hen zelf betreft. Twee dingen worden de profeet opgedragen te doen:
I. Hun hun zonde bekend te maken, hen er zo mogelijk van te overtuigen, en hen te weerhouden, er verder mee voort te gaan, door hun uitzinnigheid allen openbaar te maken, 2 Timotheus 3:9. Zij worden dwaze profeten genoemd, vers 3, mensen, die hun werk in het geheel niet verstonden, om het volk voor de gek te houden, hielden zij zich zelf voor de gek en misleidden in de ergste mate hun eigen ziel. Laat ons zien, wat hun hier ten laste gelegd wordt.
1. Zij beweren, een zending van God te hebben, hoewel God hen nooit gezonden had. Zij traden in de loopbaan eens profeten, zonder de minste waarborg dat de Heere God van de heilige profeten hen daartoe bekwaam had gemaakt, hetgeen de dwaasheid gekroond is. Want hoe konden wij verwachten, dat God hun arbeid als van de Zijnen zou erkennen, daar Hij hen niet geroepen had? Zij zijn profeten uit hun eigen hart, profeten van hun eigen maaksel, vers 6. Zij zeggen: De Heere heeft gesproken, zij beweren Zijn boodschappers te zijn, maar de Heere heeft hen niet gezonden, heeft hun generlei opdracht gegeven. Zij maken het grootzegel des hemels na, en geen groter bedrog kan jegens de mensheid gepleegd worden, want hiermede leggen zij een blaam op de goddelijke openbaring, verzwakken derzelver gezag en ondermijnen derzelver geloofwaardigheid. Wanneer deze, die voorwenden Gods gezanten. te zijn, blijken bedriegers te zijn, zullen godloochenaars en ongelovigen daaruit de gevolgtrekking maken, dat alle profeten zo zijn. "De Heere heeft hen niet gezonden, want ook zijn zij in andere dingen listig genoeg gelijk de vossen en zeer wijs naar deze wereld, toch zijn zij dwaze profeten en hebben geen kennis noch ervaring van de dingen Gods". Zie, dwaze profeten zijn niet door God gezonden, want wie Hij zendt, die is bekwaam of wordt door Hem bekwaam gemaakt. Dien Hij zendt, die schenkt Hij ook wijsheid.
2. Zij beweren, van God een openbaring te hebben ontvangen, terwijl Hij zich nooit aan hen heeft geopenbaard. Zij wandelen hun geest na, zij verkondigden dat als een boodschap Gods, wat òf het voortbrengsel hunner eigene vinding om zichzelf te misleiden, òf het product hunner dwaze en verhitte verbeelding was om aan hun inbeelding vrijen loop te laten. Want zij hebben niets gezien, zij hebben geen hemels gezicht gehad, zij beweren wel dat wat zij zeggen God heeft gesproken, maar God erkent dat niet. "Ik heb het niet gesproken, Ik heb nooit zo iets gezegd noch bedoeld. " Wat zij mededeelden was niet wat zij gezien of gehoord hadden, zoals de dienaren van Christus, 1 Johannes 1, maar wat zij hadden gedroomd of wat zij dachten, dat hun hoorders gaarne zouden vernemen. Het heet hier ijdelheid en leugenachtige voorzeggingen, vers 6, zij beweerden te zien wat zij niet gezien hadden en brachten als goddelijke waarheid te voorschijn wat zij wisten vals te zijn. Hetzelfde getuigt vers 7 :Ziet gij niet een ijdel gezicht en spreekt een leugenachtige voorzegging, zonder goddelijke oorsprong en zonder waarheid, die blijken zullen niet verwezenlijkt te worden. De woorden worden veranderd, vers 8, omdat gijlieden ijdelheid spreekt en leugen ziet, wat zij zagen en wat zij zeiden was al hetzelfde, zonder realiteit, zij zagen niets, en wat zij zeiden had dus geen grond, niets waarop men bouwen of zich verlaten kon. Opnieuw, vers 9 :Zij voorzien ijdelheid en zeggen leugen. Zij beweren, gezichten te hebben gehad, gelijk de ware profeten, terwijl zij werkelijk niets hebben gezien, wat zij zeggen is 6f de schepping hunner eigene verbeelding (zij meenden een gezicht te zien, maar dat doen mensen in delirium ook, dat was ijdelheid te zien), òf een maaksel hunner eigene politiek, "zij voorzagen ijdelheid en zeiden leugen." Zie Jeremia 23:16 enz. Zie, daar de duivel algemeen bekend is als de vader van de leugens, doen zij Gode de allergrootste smaad aan, die leugens zeggen en God als derzelver auteur aanwijzen. Zij, die wat Godes is aan Satan toeschrijven, als zij de duivel aanbidden, zinken ten laatste tot zo'n diepte van goddeloosheid, dat zij Gode toeschrijven wat des Satans is.
3. Zij droegen geen zorg, Gods oordelen te ontwijken, die over het koninkrijk uitgegoten werden. Zij zijn gelijk de vossen in de woestijn, die heen en weer lopen en grote haast schijnen te hebben, maar het is om zelf weg te komen en voor eigen veiligheid te zorgen, niet om iets goed te doen. De huurling vliedt en verlaat de schapen. Zij zijn gelijk de vossen begerig naar buit voor zichzelf, listig en wreed om zichzelf te weiden. Maar, vers 5, Gij zijt in de bressen niet opgetreden, en hebt de muur niet toegemuurd voor het huis Israëls. Een bres is gemaakt in hun wallen, waardoor de oordelen gelegenheid vinden om binnen te dringen en de inwoners te overvallen, indien ooit, dan is het nu tijd om te helpen maar gij hebt niets gedaan om te helpen. zie zouden voor hen gepleit hebben, om de toorn Gods af te keren, maar zij zijn geen biddende profeten geweest, zij hadden met de hemel niets uitstaande en dus ook van de hemel niets te wachten, gelijk de ware profeten, Genesis 20:7, en gij kon hun dus ook geen goed doen. Zij moesten het zich ten taak hebben gesteld, door prediking en vermaning het volk tot berouwen bekering te roepen, en zo de muur dicht te metselen en Gods oordelen te verbidden. Maar daaraan hebben zij geen zorg gewijd, zij hebben er alleen aan gedacht, het volk te behagen en er profijt van te trekken. Zij zagen een zondvloed van heiligschennis en goddeloosheid het land overstromen, een woeste oorlog tegen deugd en heiligheid, die alles dreigde te verpletteren en te vernielen, en "zij moesten gekomen zijn tot de hulp des Heeren, tot de hulp des Heeren met de helden," Rich. 5:23, door te getuigen tegen de goddeloosheid van de tijd en de plaats, waarin zij verkeerden. Maar zij oordeelden het een gevaarlijk stuk, in de bressen op te treden en de belegeraars aan te vallen, daarom weigerden zij zulks, deden niets om de stroom te keren, traden niet in de kampplaats tegen ondeugd en zedeloosheid, en verrieden lafhartig de zaak van godsdienst en reformatie, in de dag des Heeren, toen uitgeroepen werd: "Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie staan aan de zijde des Heeren?" Psalm 94:16. Zij waren de naam van profeten onwaardig, die zo vergoelijkend over de zonde konden oordelen en zo weinig ijver voor God en het algemeen welzijn betoonden.
4. Zij vleiden het volk met ijdele hoop, dat Gods oordelen, waarmee Hij gedreigd had, nimmer zouden komen, daardoor verhardden zij degenen in de zonde, die zij zouden getracht hebben, van de zonde af te keren, vers 6. Zij gaven hoop, dat alles wel zou gaan, dat de vrede zou bestendigd worden, ofschoon een ieder in zijn overtredingen voortging, en dat de uitkomst hun woord zou bevestigen. Zij waren haastig met te zeggen: Wij staan er voor in, dat deze ellende spoedig zal eindigen, en welvaart opnieuw zal bloeien, alsof hun bevestiging hun valse profetie waar en God te schande kon maken.
II. Hij wordt belast, de oordelen Gods tegen hen om deze zonden aan te kondigen, van welke hun voorgewend ambt als profeten hen niet zou verschonen.
1. In het algemeen wordt hier, vers 3, een wee uitgesproken, en wat dat wee betekent, vinden wij in vers 8. Zie, Ik wil aan u, spreekt de Heere Heere. Zie, degenen die God tegen zich hebben, zijn in een beklagenswaardige toestand. Wee, duizendmaal wee dengenen, die Hem hun vijand gemaakt hebben.
2. Zij worden in het bijzonder gestraft met uitsluiting uit alle voorrechten van de gemeenschap van Israël, want zij worden geoordeeld, ze alle te hebben verbeurd, vers 9. Gods hand zal tegen de profeten zijn, Hij zal ze nemen en voor Zijn rechterstoel stellen, om ze uit Zijn tegenwoordigheid te verbannen, en het zal een vreselijk ding zijn, in Zijn handen te vallen. Zij beweren profeten te zijn, bijzondere gunstelingen des hemels en gemachtigd, in de vergadering van de kerk op aarde voor te gaan. Maar door een eer voor te wenden, waartoe ze niet gerechtigd zijn, verloren zij wat ze anders hadden kunnen genieten, Mattheus 5:19. Hun vonnis is,
a. Uit de vergadering van de heiligen geworpen en geacht te worden als er niet toe te behoren: Zij zullen in de verborgen raad Mijns volks niet zijn, hun dwaasheid zal zo duidelijk openbaar worden, dat men hen nooit meer raadplegen noch hun onderricht begeren zal. Zij zullen in de beraadslaging van de publieke aangelegenheden niet meer toegelaten worden. Of liever: zij zullen ontbreken bij de vergadering van Gods volk voor openbare Godsverering, want zij zullen zich schamen daar te verschijnen, wanneer de uitkomst heeft bewezen, dat zij valse profeten zijn, zij zullen, gelijk Kaïn, van het aangezichte des Heeren uitgaan. Het bedrogen volk zal hen verlaten, vastbesloten, niets meer met hen te doen te hebben. Zij, die op de stoel van Mozes gezeten waren, zullen zelfs de post van deurwachter niet meer mogen bekleden. "In de groten dag zullen zij niet bestaan in de vergadering van de rechtvaardigen, Psalm 1:5, wanneer God Zijn gunstgenoten verzamelt, Psalm 50:5, 16, om eeuwig bij Hem te zijn."
b. Uit het boek des levens uitgewist te worden. Zij zullen sterven in ballingschap en kinderloos, zij zullen geen nakomelingschap nalaten om hun naam te bewaren, zodat die niet genoemd zal worden onder de terugkerenden uit Babel, van wie een bijzonder register werd gehouden, dat het geschrift van het huis Israëls genoemd wordt, gelijk wij dat vinden in Ezra 2. Zij zullen niet gevonden worden, geschreven te zijn onder "de ten leven geschreven te Jeruzalem," Jesaja 4:3. Of zij zullen niet gevonden worden, beschreven onder degenen, die God van eeuwigheid uitverkoren had om vaten van de barmhartigheid te zijn tot in eeuwigheid. Wij lezen van hen, "die in Christus' naam geprofeteerd hebben, en van wie Christus toch zegt, dat Hij ze nooit heeft gekend," Mattheus 7:22, 23, omdat zij niet tot degenen behoren, die Hem gegeven waren. De Chaldeeuwse paraphrase leest: "Zij zullen niet geschreven worden in het geschrift des eeuwigen levens, hetwelk geschreven is voor de rechtvaardigen van het huis Israëls", Zie Psalm 69:29.
c. Voor eeuwig uit het land van Israël gebannen te worden. "God had aangaande hen in Zijn toorn gezworen, dat zij nimmer in van Zijn rust zouden ingaan" met de naar het land Kanaän terugkerende gevangenen, die daar een tweede maal rust zouden vinden. Zie, degenen, die zich tegen de bedreigingen Gods verzetten en er geen ontzag of vrees voor tonen, zullen de zegen van Zijn beloften missen en kunnen niet verwachten, er door getroost en bemoedigd te zullen worden.