38. Daartoe zal Ik door een louteringsproces, waaraan Ik u onderwerp, die rebel zijn en die tegen Mij overtreden, door zich geheel los te maken van de verbondsbetrekking met Mij, uit ulieden uitzuiveren, Ik zal hen uit het land hunner vreemdelingschappen uitvoeren onder de volken, en uit deze in de woestijn der volken (
Vers 23,
35), zonder dat zij daar burgerrecht verkrijgen, hoe gaarne zij ook zouden willen. En zij zullen met degenen, die Mijne genadige bedoelingen verstaan en tot bekering komen, in het landschap Israëls niet wederkomen, 1) en gij zult) wanneer nu het einde van Mijne wegen met u zijn zal, weten, dat Ik de HEERE ben, die even als in genade en barmhartigheid, Zich ook in gerechtigheid en gerichte weet te verheerlijken.
De uitleggers hebben zich het juiste inzicht in den zin dezer eschatologische afdeling gewoonlijk daardoor afgesneden, dat zij Vers 34 of van de terugvoering uit de toenmalige Babylonische ballingschap, of de laatste terugvoering uit de hedendaagse verstrooiing in het heilige land hebben verstaan. Maar noch van die noch van deze terugvoering kan het vers worden verstaan, wanneer men aan de woorden en aan den zamenhang recht laat wedervaren. De terugvoering uit de Babylonische ballingschap was niet ene terugvoering uit de volken en uit de landen, maar uit één volk en één land, zij geschiedde ook niet door Gods toorn en straffenden arm, die zich aan Israël betoonde. Evenzo zal die vergadering uit de volken, welke aan het einde der tegenwoordige verstrooiing moet plaats hebben, wanneer zij zich tot Christus hebben bekeerd, en ten gevolge daarvan weer in hun land worden gebracht, niet een werk zijn van Gods toorn, maar het tegengestelde, de grootste betoning van genade aan Israël. Verder wordt niet slechts gezegd, dat God Israël uit de volken, onder welke het verstrooid is, zal uitleiden, maar tevens ook, waarheen Hij hen zal leiden, namelijk in de woestijn der volken, om daar met hen te rechten en Zijne zaak met hen uit te maken. Dit bij de terugvoering uit de Babylonische ballingschap van de tussen Babel en Palestina liggende woestijn, van de aan de doortocht verbondene bezwaren en Israëls loutering door middel van deze bezwaren te verklaren, geeft slechts een matten zin. Ook kan niet verklaard worden, waarom die woestijn der volken genoemd wordt; bij de laatste verzameling van het tot Christus bekeerde Israël uit zijne tegenwoordige verstrooiing wordt het echter geenszins in de woestijn der volken verplaatst, maar in zijn land gebracht, en de toestand, waarin het daardoor komt, zal geenszins een zodanige zijn, in welken God met Israël van aangezicht tot aangezicht richt en het loutert. Ten laatste moet nog worden opgemerkt, dat Vers 38 veronderstelt, dat de Israëlieten nog niet weer in hun land zijn teruggekeerd, maar nog in het midden der volken leven, en dat eerst in Vers 40, Israëls terugkeren in zijn land wordt aangenomen als hebbende plaats gehad, en zijn vergaderd zijn uit de landen wordt gedacht. Wil men die vergadering en weer terugvoering reeds in Vers 34 denken, dan verscheurt men den gehelen zamenhang der profetie, de gehele volgorde der voorzegde gebeurtenissen. Integendeel is naar den klank der woorden en den zamenhang het volgende de juiste verklaring der plaats: Israël wil in de heidenvolken opgaan, maar dat zal het nooit (Vers 32). God zal hun in zoverre naar hunnen dwazen waan doen, dat Hij hen onder de volken brengt en verstrooit, (men denke vooral aan die verstrooiing, in welke Israël sedert de 2de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 60 leeft). Maar daarbij zal Hij Zijn eigendomsrecht, dat Hij door middel der verkiezing op hen heeft, onder alle omstandigheden door daden van toorn bewijzen en hen bij Zich weten te houden. Hij zal, ook als zij onder de volken verstrooid zijn, met Zijnen straffenden ernst het ten ondergaan onder de volken verhinderen, hen aanstonds uit de volken en alle gezochte en gewenste gemeenschap en vermenging met hen uitvoeren en tot zich vergaderen, zodat de wereld der volken, door welke zij heengaan, voor hen ene woestijn zal zijn, dat zij midden onder de mensen van de mensen afgezonderd en eenzaam als op enen tocht door ene woestijn zullen wezen (Vers 33, 34). Wanneer God nu in Zijnen toorn Israël in dezen toestand zal hebben verplaatst, dan zal Hij met hen tot hun bekering handelen. Vooreerst zal Hij dan met hen rechten. Gelijk Hij met hen gericht heeft, toen het na zijne uitleiding uit Egypte door de Sinaïtische woestijn trok, zo zal Hij met hen rechten, als het op deze voorzegde wijze door de wereld der volken als door de woestijn zal trekken. Deze door Gods toorn teweeggebrachte toestand, waarin zij midden onder de mensen en toch afgezonderd van hen leven, zal dan ook een toestand van straf, een voortgaand voorhouden van hun verkeerdheid zijn (Vers 35, 36). Het wordt echter verder ook een toestand, die hen dwingt en noodzaakt, zich onder Jehova te buigen. Altijd weer door Gods besturingen van de hen omgevende volken afgescheiden, zullen zij zich aan Jehova moeten houden. Zo zal God hen onder Zijnen heerschersstaf laten intrekken in die woestijn der volken, en zal hen brengen onder de banden des verbonds. De band des verbonds is de wet, en de wet is juist het middel, waardoor God hen in het midden der volken van de vermenging met de volken terug en bij Zich houdt. Deze wet, door welke zij hadden kunnen leven, moeten zij nu als boei dragen en hare kastijding ondervinden (Vers 37). Maar deze toestand van straf en dwang zal ook de uitwerking hebben, dat die Israël loutert. Aan het einde van den tijd van straf zal het geschieden, dat de goddelozen uit Israël zullen worden afgezonderd, zodat slechts een heilig en rein volk overblijft. Deze goddelozen zullen noch in de landen, waarheen zij verstrooid waren, te huis worden en blijven, noch in het land van Israël komen, maar aan het oordeel en het verderf toevallen. Die zich echter tot bekering laten leiden, zullen gelijk uit de tegenstelling van zelf blijkt, uit de landen, waarin zij verstrooid waren, in het land Israëls komen (Vers 38). Daarmee heeft de profetie Israëls toekomst gebracht tot op het punt, dat nog alleen het einde moet worden beschreven. Om het paraenetische (vermanende) doel van dit woord Gods, geschiedt dit op deze wijze, dat de rede in het volgende 39ste vers wordt afgebroken en zich met de roepstem tot bekering tot de dan levende Israëlieten wendt: "Daar nu het einde komt, zo heeft de beslissing voor u plaats; dient uwe afgoden voortaan gelijk te voren, dient hen nu, en dient hen verder, wanneer gij toch Gods stem niet wilt horen! Maar weet daarbij, dat gij dan ook voortaan Zijnen heiligen naam niet door uwen afgodendienst zult ontheiligen; gij zult dan toch tot diegenen behoren, die om hun weerspannigheid niet uit de landen der verstrooiing in het land van Israël zullen komen, en zult dus gene gelegenheid meer hebben, door uwe afgodendienst Mijnen naam te schandvlekken, want dan zal in Mijn heilig land door de in den tijd van straf bekeerden, en daaruit teruggevoerden alleen heilige en ware godsdienst worden uitgeoefend. " Zo verenigt zich het woord Gods van het verder volgende 40ste vers af met de door Vers 39 afgebrokene beschrijving van het einde, Zij zegt, dat alsdan Israël, uit zijne verstrooiing teruggeleid, in zijn van God den vaderen gegeven land, op den berg Zion Gode zijne onbevlekte offers zal brengen ten prijze voor alle volken der wereld, als een nu in zijn geheel door de genade Gods overwonnen heilig volk.
Merk hieraan, alhoewel godvruchtige mensen met de goddelozen in de rampen der wereld mogen delen, zo zullen de goddeloze mensen toch niet delen met de godvruchtigen in het hemelse Kanaän. Maar het zal een deel van het geluk dier wereld uitmaken, dat zij zullen uitgezuiverd zijn van onder hen, het kaf van het koren, de stoppels uit de tarwe.
Wij hebben ook hier weer een vergezicht in den toekomstigen tijd, zowel in dien der N. Bedeling als in dien der eeuwigheid.
De Profeet ziet ten slotte over alle eeuwen heen en kondigt den tijd aan, dat het geestelijk Israël eenmaal van alle zonde bevrijd, verlost van allen, die buiten zijn, in eeuwige heerlijkheid zal delen, en dat daarentegen allen, die niet van Gods volk zijn, voor eeuwig zullen omkomen.