47. En hij mat het voorhof, de ruimte van het binnenste hof: de lengte was honderd ellen, en de breedte honderd ellen, vierkant 1); (vgl.
Hoofdstuk 42:1); en het altaar 2) (vgl.
Hoofdstuk 43:13) was voor aan het huis, waarvan in het volgende zal worden gesproken.
1) Dat tot het binnenste voorhof niet slechts zeven trappen leiden, gelijk tot het buitenste, maar acht, is in het algemeen reeds ene aanwijzing van de bijzondere betekenis van dit voorhof, waarin de godsdienst met hare offeranden wordt volbracht. Gelijk nu die zeven trappen er op wijzen, dat tot de gemeente, over welke gesproken wordt, niemand wordt toegelaten, die niet ook wezenlijk in verbondsbetrekking tot God staat, zo duiden deze acht trappen aan, dat zij, die verwaardigd worden tot het binnenste voorhof op te klimmen, priesters van een nieuw verbond, een nieuw priesterlijk geslacht zullen zijn, want acht is het getal van het nieuwe begin, en alzo het teken van het nieuwe verbond en van de nieuwe dingen, die nu reeds zijn begonnen, nu God een nieuw in `t leven heeft geroepen. In zulk ene betekenis komt "acht" reeds voor in de verordening der besnijdenis op den achtsten dag na de geboorte. Daardoor wordt toch de mens tot het natuurlijke leven geboren, welk leven de zeven eerste dagen vertegenwoordigen, voorbeeldelijk tot een geestelijk, hoger leven wedergeboren, en eveneens is het met de wijding der priesters en de reinverklaring der melaatsen op den 8sten dag (Leviticus 8:1, 12:3; 14:10, Zo doet men ook beter den Zondag niet als den eersten dag der week, maar den eersten dag na den sabbat, of den achtsten dag te beschouwen, waardoor die voorkomt als volmaking van den sabbat, en men nu voor de eeuwige zaligheid van den nieuwen hemel en van de nieuwe aarde, die op den sabbat van het duizendjarig rijk volgt (Openbaring 0:1-6, 21:1-22 een meer treffend voorbeeld verkrijgt. In `t bijzonder kan men ook op de acht zaligsprekingen der bergrede wijzen: het nieuwe priesterlijke geslacht van onzen tempel is een zodanig, dat de vervulling in zich draagt van de voorwaarden door den Heere gevorderd, om Zijne zaligheid te ontvangen (vgl. bij Vers 31.) .
2) Christus Jezus is niet alleen het altaar, maar ook de offerande. Offerande en altaar tegelijk. Het kruis van Golgotha wordt niet zelden ten onrechte bij het altaar vergeleken. Het kruis is de slachtbank, waarop het Lam zich tot een offerande laat slachten.
Het altaar was vooraan het huis, opdat het van alle zijden kon gezien worden, en daarom beeld van Christus Jezus, het geslachte offer-Lam, op wien van alle zijden gezien moet worden.
48.
IV. Vers 48-Hoofdst 41:26. Na de beschouwing der voorhoven wendt zich nu de Profeet tot de beschrijving van het eigenlijke tempelgebouw, zo als de Meter hem dit in zijne bijzondere delen toonde: a) het voorportaal van den tempel (Vers 48, 49), b) de binnenste ruimte of het heilige en allerheilige (Hoofdstuk 41:1-4); c) de muur en de zijgebouwen (41:5-11 d) de afgesnedene plaats achter den tempel en de uitwendige grootte van het gehele huis (41:12-14); e) van menige bepalingen over maat en toestand van het huis, en bijzondere waarnemingen over den groten sieraad der in t oog lopende delen daarvan (41:15-26) De hier voor ons liggende beschrijving van het tempelgebouw onderscheidt zich zeer in `t oogvallend door hare kortheid en door het vooral in de woorden van den grondtekst uitkomend karakter van het fragmentarische, raadselachtige, van de vorige ten opzichte der voorhoven. Ook vindt daar in vergelijking van de beschrijving van Salomo's tempel in de geschiedenis juist de omgekeerde verhouding plaats; want terwijl in de laatste bij het tempelgebouw de beschrijving gedeeltelijk in bijzonderheden plaats heeft, blijft daarentegen bij de localiteit dan het voorhof het meeste onbepaald. Niet eens wordt omvang en grootte vastgesteld, en nauwelijks zoveel vermeld, om zich ene voorstelling van de zaak te kunnen maken. Dit nu heeft ten opzichte van Salomo's tempel zijne natuurlijke reden: het bericht der geschiedboeken kan over de voorhoven spoedig heengaan, omdat deze iederen Israëliet van kinds af bekend waren uit eigen aanschouwing. Daarentegen was het heiligdom in zijne bijzondere delen voor het volk ontoegankelijk; hier moest dus de uit elkaar zetting zeer uitvoerig worden, om het gebrek aan eigene kennis te hulp te komen. Wat is echter de oorzaak, waarom omgekeerd Ezechiël zo nauwkeurig de voorhoven beschrijft, daarentegen over den tempel zelven zich in zo duistere uitdrukkingen verklaart, dat veel alleen wordt begrepen door te letten op de overeenkomstige verhoudingen van Salomo's tempel, het overige daarentegen geheel op den achtergrond moet blijven? Zonder twijfel ligt de reden juist in de betekenis van dit gedeelte, dat niet volledig kan worden begrepen, voordat de vervulling zelf komt van hetgeen daardoor moet worden voorzegd, en dan is aan de symbolische voorafgaande voorstelling niets meer gelegen.