16. En gij zult optrekken tegen Mijn volk Israël, als ene wolk, om het land te bedekken (
vers 9): in het laatste der dagen zal het geschieden (
Vers 8); dan zal Ik u aanbrengen tegen Mijn land, opdat de Heidenen mij kennen, als Ik aan u, o Gog! voor hun ogen zal geheiligd worden (
Hoofdstuk 36:23).
De profetische rede is over `t geheel zo ingericht, dat men ziet, hoe hier twee gebeurtenissen van den laatsten tijd in elkaar zijn geweven, namelijk de beide, welke aan het slot der bij vers 2, wat den tijd aangaat, uit elkaar zijn gezet; want terwijl Vers 14-16 weer teruggaat tot de beschrijving van den krijgstocht van den Antichrist, waarvan in Vers 4-9 werd voorzegd, hebben daarentegen Vers 10-13 betrekking op die gebeurtenis, welke het voorwerp der verkondiging van Johannes in Openbaring 0:7-9 vormt. Voor den Oud-Testamentische Profeet is het geheim der boosheid, dat in den persoonlijken Antichrist de mens der zonde en het kind des verderfs eens openbaar zal worden, nog vrij verborgen. Het heeft, zo als wij bij Hoofdstuk 32:32 hebben opgemerkt, op hem en het volk, tot wiens Ziener hij in de eerste plaats geroepen was, gene onmiddellijke betrekking, het is minder het eigenlijke duivelenwerk van den Antichristelijken tijd, dat hij krijgt te aanschouwen, als het werk van menselijke laagheid en roofzucht, dat in den Gog en Magog van Johannes ons voorkomt. Zo zal dan ook wat na het duizendjarig rijk geschiedt, hoewel ook door de verleiding van den losgeraakten satan bewerkt, niet weer zulk ene verheffing van den boze op aarde zijn, als hetgeen onmiddellijk vóór de oprichting van dat rijk is geschied. Dit getal van het dier "zes honderd zes en zestig" (Openbaring 3:18), heeft reeds aangewezen, dat in dit dier het absoluut hoogste toppunt ligt opgesloten; duivel en mens hebben zich daar als het ware tot ééne natuur verbonden, de duivel is als het ware mens geworden; de boosheid van Gog en Magog daarentegen is eensdeels niet zozeer ene van een persoon als wel van een volk, en reeds daarom niet ene zo intensieve, en is aan de andere zijde slechts ene duivels-menselijke, daar mensen of volken zich door den duivel laten drijven en beheersen; want tot ene herhaling der incarnatie van den duivel mag het thans niet komen.
In deze verzen (Vers 10-16) is de grond aangegeven, waarom Gog tegen het volk Israëls optrekt. De woede van Gog tegen Israël, wijl zij hem als den Antichrist niet aangebeden, maar zich liever tot den waren Christus bekeerd hebben, voorspelt de Ziener des Ouden Verbonds niet; hij schildert Gog alleen als wereldveroveraar en brandstichter. Gog verneemt van den uittocht der Joden naar Kanaän en meent hen in hun toestand van weerloosheid licht te kunnen uitplunderen en vernietigen. Het volk heeft zich ter nauwernood gevestigd en het woeste in bezit genomen, en heeft aangevangen het weer onder Hoger zegen, in een lusthof des Heeren, in een land, dat van melk en honing vloeit, te veranderen. In het land Kanaän heeft het volk de goederen en schatten, welke Gog plunderen wil, nog niet verwerven, dewijl het daar eerst sinds enige jaren woont; maar het heeft die in zijne vroegere woonplaatsen verkregen, en bij zijn intocht wedergebracht, zo als ook Israël op Gods bevel, schatten uit Egypte naar Kanaän heeft medegevoerd (Exodus 3:21, 22). Misschien wordt ook menig kleinood uit Europa derwaarts medegenomen, eer de schare van verdervers van den Antichrist zich laat zien, opdat het ten nutte en tot heil der nawereld gered worde. Scheba en Dedan, of de Arabieren (27:22) en de handelaars van Tarsis of de Feniciërs, die in den ouden tijd met Tarsis en Spanje even als met het gehele kustgebied der Middellandse zee handel dreven, en hun jonge leeuwen of jonge helden, zijn de naburen van het verzamelde Israël, die, wanneer zij dan ook niet rechtstreeks nakomelingen der opgenoemden zijn, toch in hun landen wonen. Deze zijn vijandig tegen de in hun land getogen Joden gezind, dewijl zij als het ellendig gespuis der tot het Antichristendom overgegane Moslim-wereld een tegenzin tegen de tot Christus bekeerde Joden koesteren. Deze vervangen bij de herzamelde Joden de plaats der Samaritanen, welke de uit Babylonische gevangenschap terugkerende Joden altoos hindernissen in den weg legden. Dat zij vijandig tegen Israël bestemd zijn, bemerken wij uit Joël 3:9-13, waar Jehova den Feniciërs belooft, dat Hij, dewijl zij de Joden als slaven naar het Westen hebben verkocht, hen ook naar het Oosten door de Joden zal laten verkopen. Israëls naburen verblijden zich alzo, dat Gog ter plundering en vernietiging van Israël uittrekt. Maar deze zullen ook getuchtigd worden. Hoe die volken in het algemeen tegenover de Christenen gezind zijn, hebben de wandaden der Drusen, in 1860 aan de Maronieten gepleegd, bewezen. Jehova bevestigt zelf, dat Gog de verzameling van Israël vernemen en in den laatsten tijd komen zal, uit zijne noordelijke landen, vooral uit Europa, met ene ontelbare Barbarenschaar en ene geduchte wel-geregelde armee. Wanneer hij dan het land als ene onweerswolk bedekt heeft, zal Jehova door een geweldig oordeel Zich aan hem en zijn heir verheerlijken, zodat `s Heeren naam over de ganse aarde bekend en gevreesd zal worden.
God zou zelf de vijanden tegen Zijn volk aanbrengen, opdat straks de Heidenen zouden weten, dat ook zij zich niet kunnen roeren noch bewegen zonder Hem. Opdat Hij in hen geheiligd zou worden, en zij zouden weten, dat Hij, ja wel Zijn volk door hen laat tuchtigen, maar ook weer uit hun hand verlost. Zijn Naam zou dan ook geheiligd worden door het verderf der vijanden van Zijn volk. 17. Zo zegt de Heere HEERE: Zijt gij die, van welken Ik in verledene dagen gesproken heb, door den dienst Mijner knechten, de Profeten Israëls, die in die dagen geprofeteerd hebben, jaren lang, dat Ik u tegen hen zou aanbrengen (vgl. Jesaja 25:5, 10, 26:21. 1 Jeremia 30:23 v. Joël 3:7 v. 16)?
De aankondiging, hoe de Heere Zich aan Magog zal heiligen, begint met de uitspraak, dat God diegene is, van wien God reeds door de vorige Profeten gesproken heeft.
Vroegere voorzeggingen, die den naam van Gog bevatten, worden er niet gezonden; wel zijn er vele profetieën, die voorzeggen, dat God op enen laatsten dag de gehele wereldmacht tot enen laatsten strijd tegen Zijn volk zal concentreren, maar dan ook Zijn volk uit deze grootste verdrukking zal redden, en over alle macht der wereld eindelijk en voor altijd zal zegevieren. Op zulke algemene voorzeggingen van den laatsten dag van Jehova, van den laatsten strijd en de overwinning, doelt onze Profeet. Hij wil dus niet zeggen, dat reeds van Gog is voorzegd, maar dit wil hij zeggen, dat de laatste en machtigste vijand van Gods volk, van welken die voorzeggingen spreken, Gog zijn zal, in Gog zal verschijnen.
Dat de Profeten van Israël Gog reeds zouden genoemd hebben, wordt juist door den vragenden vorm van den zin uitgesloten; wanneer zij namen noemen, waren het veelmeer andere volksvormen, maar achter deze alle bleef een vraagteken, terwijl bij alle lieflijke uitzichten van Israël een eindoordeel over zijne en Gods vijanden, over de wereld, die tegen het Godsrijk zich verzet, bleef aangekondigd. Dat vraagteken nu wordt gerealiseerd door dezen Gog hier bij Ezechiël; het is daarom niet alleen moeilijk bepaalde woorden van andere Profeten aan te wijzen, maar ook overbodig.