13. Scheba, en Dedan, en de kooplieden van Tarsis (
Hoofdstuk 20:12,
20,
22), en al hun jonge leeuwen, al hun geweldigen, alle roofgierige beheersers dezer handeldrijvende volken, zullen tot u zeggen: Komt gij, o Gog! om buit te buiten? hebt gij uwe vergadering vergaderd, om roof te roven? om zilver en goud weg te voeren, om vee en have weg te nemen, om enen groten buit te buiten?
De hier genoemde zijn handeldrijvende volken, de Arabische volken: Scheba en Dedan als vertegenwoordigers van den handel te land, Tarsis als vertegenwoordiger van den zeehandel. Waar aas is daar worden de arenden vergaderd, waar winst te behalen is, daar zijn kooplieden.
In den tros van een overwinnend leger is altijd ene menigte van zulk lieden, die alleen daar zijn om de buitgemaakte goederen voor goud en zilver in te kopen. Zulk soort van volk zou men ook in menigte zien in het leger van Gog, dat immers niet eens zou behoeven te strijden, maar slechts zou komen om te plunderen en na zich te slepen
De handel, die land en zee doortrekt, biedt ene tegenstelling tegen Israël, dat in zijn land blijft en vreedzaam handelt. Met den naam "jonge leeuwen" worden zij aan de zijde van den naar roof en buit begerigen Gog geplaatst, en vertonen zij zich daar als het ware als kenners van zaken en van het vak, als kunstenaars, waar roof en buit is, want hun woord: "Komt gij, om buit te buiten enz. " komt voor als ene ironische vraag: "Wat wilt gij toch bij een volk van zulk ene patriarchale leefwijze eigenlijk halen?" Het geeft te kennen, dat zij, die gaarne roven en buit maken, zich hier gene bijzondere winst behoeven te beloven; de grote aantal schijnt hun toe in geen verhouding te staan tot de kleinheid van het voorwerp.
In tegenstelling tot de leefwijze van het aan zijne oorspronkelijke bestemming teruggegeven Israël, zijn de hier genoemde kooplieden tevens ene herinnering aan hetgeen Israël gedurende den tijd zijner verwerping en verstrooiing onder de volken geweest is. Hoe meer afkeerwekkend de indruk is, dien deze kooplieden hier met hun rede maken, des te meer zal het tot Christus bekeerde volk der Joden nog eens zelf leren inzien, hoe kwalijk zij er eigenlijk aan zijn geweest, toen zij tot straf daarvoor waren prijs gegeven aan den geest van handelen en winstbejag, zodat zij altijd den Heiligen Geest hadden weerstaan (Hand 7:51. Hoofdstuk 20:43).