Jesaja 25:9-12
Hier is het welkom, dat de kerk zal geven aan de zegeningen, die in de vorige verzen beloofd zijn, vers 9. Men zal te dien dage zeggen met een nederig, heilig triomferen en juichen: Zie, deze is onze God, wij hebben Hem verwacht. Aldus zal de verlossing van de kerk uit langdurige en zware benauwdheden gevierd worden, aldus zal het als een leven uit de doden voor haar zijn. Met zo'n vervoering van vreugde en lof zullen diegenen de blijde boodschap van de Verlosser ontvangen, die Hem verwachten en door Hem de verlossing verwachten in Jeruzalem, en met zo'n lied van de overwinning zullen de verheerlijkte heiligen ingaan tot de vreugde des Heeren.
1. God zelf moet van alles de eer ontvangen, Zie, deze is onze God, deze is de Heere. Dit, hetwelk gedaan is, is Zijn doen, en het is wonderlijk in onze ogen. Hierin heeft Hij gehandeld naar Hij is, in overeenstemming met Zijn aard, Zijn wezen, Hij heeft er Zijn wijsheid macht en goedheid in verheerlijkt. Hierin heeft Hij voor ons gedaan als onze God, een God in verbond met ons, en die wij dienen. Onze triomfen moeten niet eindigen in hetgeen God voor ons doet, in hetgeen Hij ons geeft, maar door deze heen moeten zij gaan tot Hem, die er de werker en gever van is: Deze is onze God. Heeft een van de volkeren van de aarde zo'n God om op te vertrouwen? Neen, hun rotssteen is niet gelijk onze rotssteen, niemand is er gelijk God, o Jeshurun.
2. Hoe langer het verwacht werd, hoe meer welkom het is. Deze is het, die wij hebben verwacht, vertrouwende op Zijn woord van de belofte, en ten volle verzekerd zijnde dat Hij op de bestemde, de juiste tijd komen zal, en daarom waren wij gewillig om op Zijn tijd te wachten. En nu bevinden wij dat wij niet tevergeefs op Hem hebben gewacht, want de zegen komt ten laatste met een overvloedige beloning, of vergoeding, voor het uitstel.
3. Het is een oorzaak van onuitsprekelijke vreugde. "Wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid. Wij, die in de weldaad, het voordeel ervan delen, zullen instemmen met de blijde dankzegging er voor."
4. Het is een aanmoediging om te hopen op de voortduur en de voltooiing van deze zaligheid. Wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken, zal voleinden wat Hij heeft begonnen, want Gods werk is volmaakt.
II. Een vooruitzicht van nog verdere zegeningen ter bevestiging en bestendiging van dezen.
1. De macht van God zal voor hen aangewend worden, Hij zal hun belangen blijven voorstaan. De hand des Heeren zal op deze berg rusten, vers 10. De kerk en het volk van God zullen blijvende bewijzen hebben van Gods tegenwoordigheid, van Zijn wonen onder hen, voortdurend zal Zijn hand over hen wezen om hen te beschermen en te bewaren, voortdurend uitgestrekt zijn om te voorzien in hun behoeften. De berg Zion is Zijn rust lot in eeuwigheid, hier zal Hij wonen.
2. De macht hunner vijanden, die tegen hen aangewend is, zal verbroken wordend. Moab wordt hier genomen voor al de tegenstanders van Gods volk, die kwellend voor hen zijn, zij zullen allen vertreden, of gedorst worden (want in die tijd dorste men het koren door er op te treden) en weggeworpen worden, als stro op de mesthoop nergens anders toe deugende. God heeft Zijn hand doen rusten op deze berg, en zij zal geen hand zijn, die slap neerhangt, geen gevouwen hand zijn, geen zwakke werkeloze hand, maar Hij zal Zijn handen uitbreiden in het midden van hen, in het midden van Zijn volk, als een, die zwemt, hetgeen te kennen geeft dat Hij Zijn macht zal gebruiken en krachtdadiglijk voor hen zal aanwenden, dat Hij aan alle zijden voor hen zal werken, dat Hij gemakkelijk en krachtdadiglijk de tegenstand tegen Zijn genaderijke doeleinden met hen zal tenietdoen, en daardoor Zijn goed werk onder hen zal bevorderen, en dat Hij gestadiglijk werkzaam zal zijn tot hun behoeve, want aldus is het zwemmen. Er is inzonderheid voorzegd wat Hij voor hen zal doen.
a. Hij zal de hoogmoed van hun vijanden nederwerpen, (de hoogmoed, waaraan naar ieder wist, Moab schuldig was, Hoofdstuk 16:6), door het een vernederende oordeel na het andere, van hen wegnemende hetgeen waarop ze hoogmoedig zijn.
b. Hij zal de roof van hun handen neerwerpen, hun ontnemen wat zij door roof en afpersing verkregen hebben, Hij zal de wapenen van hun handen neerwerpen die opgeheven zijn tegen Gods Israël, Hij zal hun macht ganselijk verbreken en hen buiten staat stellen om nog meer kwaad te doen.
c. Hij zal al hun versterkingen vernietigen, hun fortificaties verdoen, vers 12. Moab heeft zijn muren en hoge vesten, waarmee hij hoopt zich te beveiligen, en van welke hij voornemens is Gods volk te kwellen, maar God zal ze vernederen, ja Hij zal ze ter aarde tot het stof toe doen reiken, en zo zullen zij, die er op vertrouwd hebben geheel weerloos zijn. Er is geen oninneembare vesting voor de Almacht, geen veste zo hoog, of de arm des Heeren kan er over heen gaan en haar ternederwerpen. Deze verwoesting van Moab is een type of beeld van Christus' zegevieren over de dood, waarvan gesproken is in vers 8, Zijn beroven van overheden en machten, Coloss. 2:15, Zijn nederwerpen van Satans sterkten door de prediking van Zijn Evangelie, 2 Corinthiers 10:4, en Zijn heersen totdat "Zijn vijanden gezet zullen zijn tot een voetbank van Zijn voeten," Psalm 110:1.