22. a) Maar veeleer zult gij uitgaan als een triomferend volk, dat zijn onderdrukkers overwonnen heeft en met rijke buit beladen huiswaarts keert. Elke vrouw zal van haar buurvrouw, en van de waardin van haar huis, van degene bij wie zij inwoont, eisen 1) zilveren vaten en gouden vaten, kleinoden, (
Genesis 24:53 Exodus 35:22 Numeri 31:50 ) en kleren, feestkleren, gelijk men bij feestelijke gelegenheden draagt; die zult gij op uw zonen en op uw dochters leggen, 2) en gij b) zult Egypte beroven; 3) gij zult dat als een buit meenemen; zij zelf zullen het u vrijwillig geven; maar uw God heeft het hun door Zijn sterke hand afgeëist, als een welverdiend loon voor uw aangeven, moeilijke arbeid. (
Genesis 15:14 Vrgl.
Exodus 11:1-
3;
12:35,
36 ). 4)
a)Exodus 11:2; 12:35 b) Ezechiel 39:10
1)"Eisen," niet in de zin van, in lenen, maar indien van, voor zich ten eigendom vragen. De Egyptenaren hebben die geschenken gegeven met de gedachte van deze niet terug te zullen ontvangen..
2)"Leggen," niet in de zin van, versieren, zoals sommigen menen, maar in de gewone zin van het woord. Niet alleen zouden de hoofden van de gezinnen met hun schat beladen uit Egypte trekken, maar er zou zulk een overvloed zijn, dat ook de zonen en dochters nog met deze zouden beladen worden. God zou zijn goedertierenheid volkomen maken..
3) In het Hebreeuws Nietsaltem, Gij zult plunderen, in de zeer gewone zin van het woord, niet in die van bestelen. De Egyptenaren zouden zo van schatten ontbloot worden, dat het zou lijken, alsof zij geplunderd waren door een overmachtige vijand. Alles zou geschieden met volkomen toestemming van de Egyptenaren, zodat er zelfs geen schijn van onrecht zou bestaan..
4) Het is geen droom. Mozes zelf zal het werktuig zijn, waarvan God zich bedient, om de staf van de drijvers te breken. Hij moet heengaan, en de oudsten verzamelen, en hun meedelen, wat hier is gebeurd. Hij moet onverschrokken dat paleis weer binnengaan, waar hij vijftig, zestig jaar geleden zo vertrouwd was, en thans zo van vervreemd is geraakt, en in de naam van Israël's God Diens oproerige onderdaan op de troon tot plicht en gehoorzaamheid dwingen. Opzettelijk moet hij aan farao slecht een deel van de waarheid bekend maken. Wordt zelfs het billijk verzoek om een offerfeest te gaan vieren, geweigerd; het zal dan blijken, wat er in het hart van de dwingeland is, en wat God tot zijn vernedering doen zal! Nee, Mozes hoeft er niet aan te twijfelen, dat God zelf hem die last op de schouders legt; dezelfde berg (Vers 12), waar hij later met het volk van Jehova offeren zal, is hem het tastbare teken van zijn hemelse roeping! Zijn roeping-wat zullen wij ervan zeggen, dat u niet reeds zelf bedacht hebt? Wat een eervolle taak, zo weg te gaan, een hemelse volmacht in handen; te staan als middelaar tussen hemel en aarde; op te treden als vertrouwde van Hem, naar wiens onnavolgbare naam Egypte's wijzen slechts raden! Eerbied voor de gezant van Jehova; hij is de eerste, die, met een waarlijk profetische bediening bekleed, de rijen opent voor de eerbiedwaardige godsmannen, waarvan de bereider van de Heere de laatste en grootste zal zijn. Maar wat een moeitevolle roeping, om als heraut van een hogere macht voor een booswicht hoog in aanzien te treden; om een volk, waarin de laatste vonk van hoop is uitgeblust, weer met veerkracht van het geloof te bezielen; om alleen tegenover geheel Egypte te staan, waar hij vroeger voor de schim van één enkele Egyptenaar vluchtte! En bovenal wat een wijze en heilige roeping, want als er een sterveling is, aan wie God deze taak kan toevertrouwen, misschien in engelenogen begeerlijk, wie kan dat meer en beter dan Mozes. Nee, niet vroeger, nu is het de tijd, om zich aan het hoofd van de verdrukten te plaatsen, en niet één, maar zes maal honderdduizend te redden! Vroeger leefden de vorst en vorstin, die hem opnamen, en hij kan niet tegen hen ingaan, zonder dat het verwijt van ondankbaarheid hem bereikt; thans heerst een andere vorst, tegenover wie hij geen verplichtingen heeft en zich onafhankelijk voelt. Vroeger was Israël diep vernederd, geteisterd, ontmoedigd genoeg, om de hand, die het kwam bevrijden, te kussen; thans stemmen alle monden en harten in een kreet om verlossing tezamen. Vroeger was Mozes rijk aan vele gaven, maar nog niet rijp voor de belangrijkste taak; thans heeft hij niet slechts de voorbereidende school van de wijsheid van Egypte, maar ook de hogeschool van de beproeving van Midian achter zich. Dat hart, eenmaal ontstuimig als een zee, is nu gehard als een graniet van de Horeb; die geest, toen een veelbelovende bloesem, is thans een voldragene vrucht; die hand, die zo lang de herdersstaf droeg, is eindelijk stevig genoeg, om de Godsstaf met ere te voeren. Had God nog langer gewacht, te zwak waren de schouders geworden, om de bijna bovenmenselijke last te aanvaarden; had God vroeger geroepen, het werktuig zou nog voor het werk niet opgewassen zijn; nu of nooit, wordt het wachtwoord in het leven van Mozes!.