9. Dan zult gij optrekken, gij zult aankomen als ene onstuimige verwoesting, gij zult zijn als ene wolk, om het land te bedekken, gij en al uwe benden, en vele volken met u. "En de draak vergramde op de vrouw en ging heen om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren en de getuigenis van Jezus Christus hebben, " zo lezen wij in
Openbaring 2:17. Daarmee wordt ons gezegd, dat de oude boze vijand, nadat Israël door zijne wederbegenadiging en terugvoering in het heilige land, waarheen hij het nog een waterstroom ter verderving heeft nagezonden, zijn invloed en zijne macht geheel ontrukt is, nu beproeft zijn toorn tegen diegenen uit te laten, die van Israëls zaad zijn, d. i. aan de Christenen en de heidenwereld, aan de leden der heilige Christelijke kerk, vooral in ons werelddeel Europa. Dat doet hij door oprichting van het rijk van den Antichrist, zo als het volgende 13de hoofdstuk der Openbaring at nader uiteenzet.
Wij kunnen niet aanwijzen, in hoeverre alle de Aziatische volken, welke de Profeet aanvoert, Magog, Mesech, Tubal, Gomer, Togarma en Perzen, en de Afrikaanse Ethiopiërs en Libiërs, onder de volken der toenmalige, buiten aanraking met Israël staande volken, de laatste tijd als in een beeld zal vertonen. Terwijl het Noorden, Oosten en Zuiden zijn vertegenwoordigd, ontbreekt het Westen, en juist dit is het, waarop het volgens onze opvatting van den toekomstigen Antichrist en zijn rijk aankomt. Er zijn echter nog andere raadsels genoeg, voor welke eerst de vervulling van het profetische woord de oplossing zal aanbrengen; voor het tegenwoordige moeten wij het er bij laten blijven, dat de grote volksverhuizing in de 4de en 5de eeuw na C. sedert de dagen van Ezechiël de kaart in etnografisch opzicht geheel veranderd heeft. Zo kan ook heden niemand reeds den krijgstocht, welken de Antichrist tot bevestiging en verdere uitbreiding zijner heerschappij tegen het einde van den hem door God gegeven tijd volgens de aanwijzingen in Daniël 11:40-45 zal ondernemen, en daarbij, hoe hij van zijnen weg afgaande, naar het heilige land en de heilige stad zal komen, in enig licht der geschiedenis plaatsen. Daar heeft ene zelfde zaak plaats als bij de profetische voorzegging van Christus lijden en sterven en Zijne latere verheerlijking, waarvoor de profetie lang te voren een bepaald programma had gegeven, en toch zou geen mens in staat geweest zijn ene geschiedenis van het lijden, sterven en de opstanding en hemelvaart van Christus vooraf zaam te stellen. Nadat echter het programma door God zelven was volvoerd, waren de Evangelisten in staat hun verhaal overal een "opdat vervuld zou worden" in te voegen. Dit alleen willen wij opmerken, dat de door den bozen vijand geleide onderneming van Gog en Magog tegen het heilige land op gelijke wijze wordt voorgesteld als geschiedenis op aandrang van den Heere zelven, even als de volkstelling van David in 2 Samuël 24:1, terwijl toch deze volgens 1 Kronieken 21:1 ene ingeving des satans was.
Daar den tiran zijn overmoed niet toevallig en onnodig, maar volgens hogere noodzakelijkheid verleidt, zo gaat hier met recht alles daarvan uit, dat Jehova zelf hen van den weg aflokt, en onbemerkt in het verderf voert, zo als men bij voorbeeld een wild dier aan den haak, dien men het in de kaken gelegd heeft, ter slachtbank heenleidt.
Hij denkt tegen Jehova uit te trekken, maar in waarheid heeft deze hem aan het touw, hij moet heengaan, waarheen de Heere wil, tot zijn eigen verderf, zo als reeds in vroegeren tijd Faraö den God van Israël geen streep door de rekening maakte, als hij weigerde Zijn volk te laten trekken, maar zo handelde, omdat Jehova zelf zijn hart verhard had om hem in `t verderf te storten. Voor het volk Gods is het zeer troostrijk, dat de Heere niet alleen Zijne vijanden overwint, maar dat ook hun vijandige ondernemingen zelf onder Zijne leiding staan, dat zij noch hand noch voet kunnen bewegen dan op Zijn bevel.
De plaatsing der profetie van Gog tussen de eerste opstanding en bij de verzameling der Joden en den tempelbouw wijst onmiskenbaar op den Antichrist, welke te dien tijde alle volken tegen Jeruzalem in het geld zal brengen, zo als bij Daniël en in de Openbaring s aangetoond. De naam Gog is de naam, welken de Ziener dezen koning geeft, en is ene verkorting van Magog, het land van dezen opperkoning. Gog is de grote nakomeling van Magog, die bij Daniël 11:36 slechts als koning zonder eigen naam te voorschijn treedt, de komende van het noorden bij Joël 2:20 de ongerechtige of wetteloze, bij Paulus (2 Thessalonicenzen 2:8), de engel des afgronds, Apollyon en Abaddon bij Johannes (Openbaring :11), eindelijk het beest uit den afgrond als Antichrist, de zevende en de achtste uit de zeven, de zoon des verderfs! Gog wordt de Gog van het land Magog genoemd, de vorst des hoofds of de hoofdvorst van Mesech en Tubal. (Daar de gezamenlijke volkennamen, welke de Ziener hier aanvoert, in Genesis 10 en elders in de Schrift voorkomen, zo houden wij Rosch niet voor een volksnaam, maar verstaan er door hoofd, waardoor Gog als hoofdvorst dezer volken verschijnt, gelijk hij ook later als hun aanvoerder geschilderd wordt). Dit past ten volle op den Antichrist, die aan de spits der koningen van den opgang der zon en van den ondergang der zon, als een koning der koningen zal staan, evenzo als zijn voorloper Attila, een koning veler koningen was. Het komt er dus op aan, te weten, welke volken, die zich hier in het gevolg van Gog bevinden, door deze namen worden aangeduid. Mozes heeft ons Genesis 10 ter vergelijking ene opgave van de volken der aarde na den zondvloed nagelaten. Daar voert hij de zonen van Noach en hun zonen ten tonele, doch geeft slechts van degenen, die aan deze zijde van den Ganges en Indus, en ten zuiden van de streken der Kaspische en Zwarte zee, en aan de kusten der Middellandse zee en in de landstreken van Arabië en Ethiopië gevestigd waren, de namen hunner zonen. Bij degenen, die reeds vroegtijdig uit den gezichtskring van Voor-Azië verdwenen waren, noemt hij slechts de namen der stamvaders of der kleinzonen van Noach. De volksnamen van Gogs krijgsleger zijn derhalve gene profetische, maar werkelijke namen van volken der aarde. Het zijn de namen van stamvaders dor Antichristelijke volken, die ongeveer 4. 000 jaren vóór het Antichristendom geleefd hebben. Met deze namen roept dus de Ziener, in wien de Geest van Jehova was, die (Zacharia 4) alle landen doorloopt, ene ganse wereld van volken wakker; volken uit Azië, welke Johannes (Openbaring 6:12) kortweg de koning van den opgang der zon, (Openb 9:7-11) noemt, volken uit Europa, door hem (Openbaringen 17:12, 13) de tien koningen geheten; volken van den gehelen aardbol uit alle werelddelen, welke door de demonen tot deelname aan het Antichristendom worden opgestookt en onder den opperkoning Gog naar Jeruzalem trekken. Aangaande de woonplaats van Magog, of het land van Magog, waar Gog huishoudt geeft ons de schrift gene opheldering. Over het algemeen houdt men het er voor, dat het land Magog in Noord- en Oost-Azië te zoeken zij, in China en Siberië, evenwel dat is niet waarschijnlijk, dewijl de Antichrist in Europa opstaat, en dewijl Magog (39:6) met de eilanden der zee te zamen genomen wordt, welke in de Schrift altijd de westelijk gelegene Middellandse zee of Europa aanduiden. De volken daarentegen, waarover Gog opperkoning is, Mesech en Tubal, komen hier en daar in de Schrift voor; zo noemt Ezechiël ze op in zijn klaaglied over Tyrus, dewijl zij met deze door handelsverkeer waren verbonden geweest (27:13). Zij woonden in de streken ten noorden der Zwarte of Kaspische zee. Mesech gelijkt op Moschoi Massageten; Tubal herinnert aan de rivier de Tobal en aan de stad Tobolsk, aan den Oby. Attila, de voorloper van Gog, was een hoofdkoning over Mesech en Tubal, of over de Hunnenstammen, welke zich van de Wolga en de Kaspische zee tot aan Midden-Azië hadden uitgebreid doch hij was niet slechts koning over deze, maar ook nog over vele andere volken van de Wolga tot aan de Theis, en later tot aan den Rijn naar Gallië heen. Letten wij dus op het gebied dezes voorlopers van Gog, dan ligt het land Magog in Europa. Uit het land Magog breekt alzo de hoofdvorst over Mesech en Tubal op, om met een ontzaglijk krijgsheir naar het land Israëls te trekken. Maar hij komt daar onder de aller bijzonderste leiding van God, ofschoon duivelen hem daartoe aanzetten, zo als Johannes (Openbaring 6:13-16) aantoont. Gog en de duivel menen het rijk van Christus uit te roeien, maar God doet dien toeleg op de vernietiging van Gog en alle goddeloze Adamszonen (2 Thessalonicenzen 2:9-12), uitlopen, en kerkert den boze in den afgrond. Onder Gogs leger zijn Perzen, Kuschieten en Puteërs. De Perzen woonden en hun nakomelingen wonen nog ten oosten van Tiger en Eufraat tot aan den Indus. De naam Kus duidt op ene menigte volken uit Ethiopië ten zuiden van Egypte tot over Zuid-Arabië en geheel Zuid-Azië, Achter-Indië, China en de eilanden der Indische zee verspreid. Aan Kus herinnert ook Hindokusch. De oorspronkelijke bewoners van Oost-Indië waren Kuschieten, die door de binnendringende Indiërs, het Sanskrit-volk verdreven werden. Put noemt Jeremia 46:9 nevens Kus (Opper-Egypte) bij gelegenheid zijner schildering van Faraö Necho's veldtocht. Van Put stammen de bewoners der kusten van Noord-Afrika en van Kreta de Kanarische en Azorische eilanden des Atlantischen Oceaans, van waar zij reeds in de vroegste tijden een weg naar Afrika gevonden hebben, zo als de daar door hen in Mexico nagelaten overblijfselen van beschaving bewijzen. Gomer en zijne legerscharen bevonden zich ook bij het leger van Gog. Van Gomer stammen af (Genesis 10:3) Askenaz, Riphat en Togarma. De nakomelingen van deze worden dus met de gezamenlijke legers van Gomer bedoeld. Van Askenaz spreekt Jeremia (51:27) in zijne voorspelling tegen Babel als nevens de koninkrijken Ararat en Mimmi met de koningen van Medië verbonden. Askenas wijst vermoedelijk op de Skyten in Zuid Rusland. Riphat schijnt naar het verre noorden te zijn getogen, wijl hij slechts Genesis 10 wordt genoemd. Van hem heeft wellicht het Riphaische gebergte, de Ural, bij de klassieken zijnen naam. Togarma, de zoon van Gomer, wordt echter bij Ezechiël in het bijzonder als Gogs medegenoot genoemd. Togarma dreef handel met Tyrus (27:14), en beduidt voor dien tijd de Armeniërs. Onder die van de einden van het Noorden en al hun krijgsheiren kunnen insgelijks Askenaz en Riphat, de zonen Gomers, verstaan worden. Mesech, Tubal, Perzen, Kus en Put leren wij uit de Schrift en uit de navorsing der talen bepaald kennen, en zij beduiden de Aziaten, Afrikanen en in zo ver Put ook Amerika bevolkte, de Amerikanen. De krijgsheiren van Gomer en van het huis Togarma en de noordelijke legerscharen moeten daarentegen in allen gevalle de Europeërs beduiden, van wie, zo als wij uit Daniël en de Openbaring eker weten, het Antichristendom uitgaat. Gomer herinnert aan de Cimmeriërs, van waar de naam Kimbren afkomt. Keltische volken, die zich in overoude tijden van den Beneden-Donau en den Rijn naar de Noordzee hadden uitgebreid. Merkwaardig is ook, dat Homerus zijn Odysseus voorbij de zuilen van Herkules aan Europa's zuidwestkust tot de Cimmeriërs laat komen. Herodotus en andere Griekse schrijvers gewagen daarentegen van een volk, de Cimmeriërs geheten, in de Krim. Dat de Kelten aan de mondingen van den Donau zich uitgebreid hadden, is bekend zo als ook hun invallen als Galaten in Klein-Azië bewijzen. Het huis Togarma herinnert aan het huis Israëls; daarbij kan men aan het Israël des Nieuwen Verbonds, aan het huis der Germanen denken, wier naam in Togarma, wanneer men "To" als voorlettergreep wegneemt in den wortel "Garm" ligt opgesloten, welke met Aram (Armenië = Hoogland) verwant is. Wanneer men de hier ten tonele gevoerde volken niet alleen nauwkeurig kan aanwijzen, zo blijft toch in allen gevalle uit deze beschouwing, dat ongeveer alle volken van den wereldkreits, bijna alle niet te ver afgelegene volken der oude wereld zich in het heir van Gog zullen bevinden. Daniël zegt (Daniël 11:14) van den Antichrist: Put en Kush of Afrikanen en Aziaten zullen in zijne gangen zijn; en Johannes noemt zijn leger kort weg: de koningen der aarde en hun verzamelde heirlegers (Openbaring 9:19). De Gog en Magog welke door Satan, wanneer deze weer losgelaten wordt, met zijne scharen tegen de heilige stad wordt aangevoerd, is slechts de navolger van dezen Gog, wiens lotgevallen geheel en al verschillen van die, welke hier aangaande den Gog van Ezechiël zijn voorspeld (Openbaringen 20:8-10). Gog rust zich toe en laat anderen zich toerusten; ook uit zijnen mond gaat een kikvorsgeest, om de volken op te stoken. Wanneer de volken verzameld zijn, dan treedt hij aan hunnen spits als opperveldheer en voert hen naar Armageddon (Openbaring 6:12-16). Deze indrukwekkende voorspelling van Gog heeft betrekking op den laatsten tijd, op den tijd onmiddellijk aan Christus wederkomst voorafgaande, wanneer Israël, ten einde aan Gog te ontvlieden, uit alle landen zich in zijn erfland vergadert, hetwelk sinds langen tijd, gedurende zijne vertreding door de Moslim-wereld ene woestijn is geweest. De zich veilig wanende Joden zullen evenwel door Gog op ene vreeslijke wijze gedreigd worden; als een onheil zwanger onweder zal hij met zijne volkerenmenigten, ene benaming met recht op zijne ontelbare barbarenhorden van toepassing, aan sprinkhaanzwermen gelijk het land bedekken (Joël 2).