Jesaja 25:1-5
Aan het einde van het vorige hoofdstuk was gezegd dat de Heere van de heirscharen heerlijk zal regeren, in overeenstemming daarmee spreekt de profeet hier van "de eer van de heerlijkheid Mijns koninkrijks," Psalm 145:12 en geeft hij er Hem de eer van, en ofschoon dit zijn vervulling zal hebben in de verwoesting van Babel en de bevrijding van de Joden uit hun gevangenschap aldaar, schijnt het toch nog verder te zien, namelijk op de lofzeggingen, die Gode geofferd zullen worden door de Evangeliekerk voor Christus' overwinningen over onze geestelijke vijanden, en de vertroostingen, die Hij voorzien heeft voor alle gelovigen. Hier:
I. Besluit de profeet om zelf God te loven, want zij, die anderen willen opwekken om God te loven, moeten er in de eerste plaats zichzelf toe opwekken, vers 1. "Heere, Gij zijt mijn God, een God in verbond met mij." Als God bezoeking doen zal over de koningen des aardbodems op de aardbodem, en hen voor Zijn aangezicht doet beven, kan een arme profeet tot Hem gaan en met nederige vrijmoedigheid zeggen: Heere, Gij zijt mijn God, daarom zal ik U verhogen en Uw naam loven. Zij, die de Heere tot hun God hebben, zijn gehouden en verplicht Hem te loven, want Hij heeft ons aangenomen tot Zijn volk, opdat wij Hem tot een naam en tot lof en tot heerlijkheid zouden zijn, Jeremia 13:11. Door God te loven, verhogen wij Hem, niet dat wij Hem hoger kunnen maken dan Hij is, maar wij moeten Hem voor onszelf en voor anderen hoger doen worden. Zie Exodus 15:2.
II. Verlustigt hij zich in de gedachte dat ook anderen er toe gebracht zullen worden, om God te loven, vers 3 "Daarom, om de verwoestingen, die Gij door Uw voorzienigheid "aanricht op de aarde," Psalm 46:9, en de rechtvaardige wraak, die Gij gedaan hebt aan Uw vijanden en aan de vijanden van Uw kerk zal U een machtig volk eren, zal de stad van de tirannische volken, de hoofdstad, of de steden van zulke volken, "U vrezen." Dit kan verstaan worden:
1. Van de volken, die sterk en vreeslijk waren tegen God, zij, die vijanden zijn geweest van Gods koninkrijk en met grote kracht en verschrikking tegen zijn belangen hebben gestreden, zullen of bekeerd worden en God verheerlijken door zich met Zijn volk te verenigen in Zijn dienst, of ten minste overtuigd worden, zodat zij zich overwonnen erkennen. Zij, die de schrik van de helden zijn geweest, zullen genoodzaakt zijn te beven voor Gods oordelen, en tevergeefs zullen zij tot bergen en rotsen roepen om hen te verbergen. Of
2. Van hen, die nu sterk en vreeslijk gemaakt zullen worden door God en voor God, hoewel zij tevoren zwak en vertreden waren. Hij zal zo blijkbaar voor hen verschijnen voor hen optreden, die God vrezen en Hem verheerlijken, dat allen zullen erkennen dat zij een sterk volk zijn, en ontzag voor hen zullen hebben. Er was een tijd, "toen velen uit de volkeren des lands Joden werden, omdat de vrees van de Joden op hen was gevallen," Esther 8:17, en dat zij, die hun God kenden, sterk waren en krachtige daden deden," Daniël 11:32, waarvoor zij God verheerlijkten.
III. Hij merkt op wat het onderwerp is en behoort te wezen van deze lof. Wij en anderen moeten God verhogen en Hem loven, want
1. Hij heeft wonderen gedaan, naar de raad van Zijn wil, vers 1. Wij verhogen God door wat Hij gedaan heeft te bewonderen als waarlijk wonderbaar, als wonderbare bewijzen van Zijn macht boven hetgeen door schepselen gedaan kan worden, en wondervolle bewijzen van Zijn goedheid boven hetgeen zondige schepselen, zoals wij zijn, konden verwachten. Deze wonderbare dingen, die nieuw en verrassend voor ons zijn en geheel ongedacht, zijn naar Hij ze beraadslaagd heeft van verre, dat is: van ouds, beraamd door Zijn wijsheid en bedoeld tot Zijn heerlijkheid en tot vertroosting van Zijn volk. Al de werkingen van de voorzienigheid zijn naar de eeuwige raad Gods, en die is waarheid en vastigheid, in overeenstemming met Zijn hoedanigheden en in overeenstemming met elkaar, en op hun tijd zullen zij gewis volbracht worden.
2. Hij heeft inzonderheid de hoogmoed van de machtigen van de aarde vernederd en hun macht verbroken, vers 2. "Gij hebt van de stad, van menige stad, een steenhoop, een puinhoop gemaakt, van menige vaste stad, die zich wel bewaard waande door natuur en kunst, en haar talrijke, kloekmoedige strijdkrachten, hebt Gij een vervallen hoop gemaakt." Welke geschapen sterkte kan stand houden tegen de Almacht? "Menige stad, die zo rijk gebouwd was dat zij een paleis genoemd kon worden, en zo druk bezocht werd door personen van de hoogste rang uit alle plaatsen, dat zij het paleis van de vreemdelingen genoemd kon worden, hebt Gij zo doen vervallen, dat zij geen stad meer is, zij is met de grond gelijk gemaakt, en niet een steen is op de anderen gebleven, en zij zal nooit herbouwd worden." Dit is het geval geweest met vele steden in onderscheidene delen van de wereld inzonderheid met die van ons eigen volk, steden, die eens gebloeid hebben, zijn in verval geraakt, en als verloren, en het is nauwelijks meer bekend, behalve door opgegraven urnen en muntstukken, waar zij gestaan hebben. Hoe vele van de steden Israëls zijn reeds sedert lang niets meer dan puinhopen. Hierdoor leert God ons dat wij hier geen blijvende stad hebben, en daarom een toekomende moeten zoeken, die nooit tot een puinhoop zal worden, nooit zal vervallen.
3. Hij heeft tijdig Zijn nooddruftig volk geholpen en ondersteund, vers 4. Gij zijt de arme een sterkte geweest, een sterkte de nooddruftige. Gelijk God de sterken, die hoogmoedig en gerust zijn, verzwakt, zo versterkt Hij de zwakken, die nederig en ernstig zijn en op Hem steunen. Ja meer, Hij maakt hen niet alleen sterk, maar Hij zelf is hun sterkte, want in Hem sterken zij zich, en het is Zijn gunst en genade die de sterkte is van hun hart. Hij is een sterkte voor de nooddruftige als hij bang is, als hij sterkte nodig heeft en als zijn benauwdheid hem uitdrijft tot God. En gelijk Hij hen sterkt tegen hun innerlijk verval, zo beschermt en beschut Hij hen tegen aanvallen van buiten, Hij is een toevlucht tegen de vloed, tegen de storm van regen of hagel, en een schaduw tegen de verschroeiende hitte van de zomer. God is een algenoegzame bescherming voor Zijn volk in iedere weersgesteldheid, beide in hitte en in nat weer en in droog weer. "De wapenen van de gerechtigheid zijn dienstig voor de rechter- en voor de linkerzijde, 2 Corinthiers 6:7. In welke gevaren of moeilijkheden, benauwdheden Gods volk ook mogen wezen, er is afdoende voor gezorgd dat hun geen wezenlijk kwaad zal overkomen. Als de gevaren het meest dreigen en verschrikken, dan zal God verschijnen tot veiligheid van Zijn volk, als het blazen van de tirannen als een vloed, een storm, is tegen de wand, die een groot gedruis maakt, maar de muur niet om ver kan werpen. De vijanden van Gods armen zijn tirannen, zij doen alles wat zij kunnen om zich vreeslijk voor hen te maken, hun woeden is als het huilen van de stormwind, luid en bulderend, onstuimig en verwoed, maar evenals de wind is hun woeden onder Goddelijk bedwang, want God heeft de wind in Zijn vuisten verzameld, en God zal zo'n beschutting wezen voor Zijn volk, dat zij in staat zullen zijn de schok te verduren, stand te houden vast te houden aan hun oprechtheid en hun vrede te bewaren. Een storm, die tegen een schip aankomt, doet het heen en weer slingeren, maar die tegen een muur aankomt, beweegt hem niet, Psalm 76:11, 138:7.
4. Dat Hij hen, die op Hem betrouwen, beschut en zal beschutten tegen de onbeschoftheid van hun trotse verdrukkers, vers 5. Gij zult de onstuimigheid van de vreemdelingen neerdrukken, Gij zult haar doen bedaren, tot zwijgen brengen, zoals de hitte in een dorre plaats verminderd en gematigd wordt door de schaduw van een wolk, het gezang, of het triomferend gejuich, van de tirannen zal vernederd worden, en zij zullen genoodzaakt worden van toon te veranderen.
Merk hier op:
a. De verdrukkers van Gods volk worden vreemdelingen genoemd, want zij vergeten dat degenen, die zij verdrukken, van hetzelfde stof zijn gemaakt als zij zelf, en dat zij met hen van één bloede zijn. Zij worden tirannen, of vreeslijken genoemd, want zij bedoelen dit te zijn, zij worden liever gevreesd dan bemind.
b. Hun onbeschoftheid jegens het volk van God is luidruchtig, maakt gedruis, maar dat is ook alles, het is slechts het geraas van vreemdelingen, die door allen die op hun weg zijn te dreigen en te overbluffen en door grootspreken hun doel denken te bereiken. "Farao, de koning van Egypte is maar een gedruis," Jeremia 46:17. Het is slechts als de hitte van de zon, verschroeiend op het midden van de dag, maar waar is zij, als de zon is ondergegaan?
c. Hun gedruis en hun hitte en al hun triomferen zullen vernederd worden, in hun verwachtingen zullen zij teleurgesteld worden, en al hun eer zal in het stof worden gelegd. De tak van de vreeslijken, zelfs de bovenste tak, zal verbroken worden, op de mesthoop worden geworpen.
d. Als de arbeiders in Gods wijngaard te eniger tijd geroepen worden om de last en de hitte des daags te dragen, dan zal Hij wel een middel vinden om hen te verkwikken, als onder de schaduw van een wolk, opdat zij niet bovenmate gedrukt zullen worden.