23. Alzo zal Ik Mij groot maken 1), en Mij heiligen, en bekend worden voor de ogen van vele Heidenen); en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben (
Vers 16;
36:23).
1) De verbazende overwinningen, welke Mijn volk zal behalen, over zo een machtig koning en over een krijgsmacht, die zo veel groter is als de hun, zullen alle volken rondom overtuigen, dat zulks door den bijstand, dien Ik, Jehova, Mijn volk gaf, geschieden, en dat Ik die God ben, die machtig is alles te doen, en die machtiger ben dan allen. GODGELEERDEN).
2) Tegen Gog roept de Heere het zwaard, zodat zijne legerscharen elkaar wederkerig verslaan en doden. Deze trek der vernietiging, die ook in Zacharia 14:13 wederkeert, en zegt dat de vijand zich zelven vernietigt, heeft zijn typische voorbeelden in de nederlaag der Midianieten onder Gideon (Richt 7:22), en vele onder Josafat en Juda gevallen vijanden (2 Kronieken 20:23). De nederlaag der vijanden werd voltooid door van God beschikte wonderbare plagen: pest en bloed, plasregen en hagelstenen, en vuur- en zwavelregen, zo als eens op Sodom en Gomorra.
Het einde is, dat God uit alles groot en heilig te voorschijn treedt, waarom wij alle dingen met God moesten beginnen; maar wat is God in dezen ontzettend klein voor de ogen der mensen, ook door de schuld der huichelaars! .
Gelijk wij daarop reeds hebben gewezen, wordt bij onzen Profeet in de voorzegging tegen Gog van het land Magog gesproken van de vernietiging van den Antichrist, even als van die van Gog en Magog in Openb 19:11, en 20:7, maar gedeeltelijk ook van de ondernemingen van den antichristelijken tijdgeest tegen het terugkerende Israël in Openbaringen 16:13, en van de vernietiging der door hem beproefde staatsinrichting in Openbaring 1:13. Nu eens staat de ene, dan de andere bedoeling op den voorgrond; toch kan gene volledige scheiding der in elkaar gevlochtene bedoelingen zo worden gemaakt, dat men aan elk der verschillende Godsgerichten dat doel de profetische voorzeggingen kan toewijzen, dat er toe behoort, en de verschillende groepen op de rij in `t bijzonder zou kunnen voorstellen; het geheel moet een algemeen beeld van den laatsten tijd blijven, die den jongsten dag voorafgaat. Eerst op den jongsten dag zelven komt Christus weer van den hemel, om te oordelen de levenden en de doden: daaraan moeten wij onvoorwaardelijk vasthouden, en gelijk nu deze wederkomst ons duidelijk in Openbaring 0:11-15 wordt voorgesteld, zo is al het voorgaande nog niet 2ijne eigene, persoonlijke verschijning, noch is Hij bij het vallen van het vuur des hemels tot vertering van Gog en Magog in Openbaring 0:9, noch bij de opening des hemels en het richten van het dier en den valsen profeet in Openbaring 9:11, reeds zichtbaar tegenwoordig, maar dat zijn alle slechts middellijke werken Zijner Goddelijke almacht en majesteit, welke zich zo duidelijk en tastbaar als Zijne werken zullen openbaren, dat men ze reeds zó tegenwoordig ziet, alsof zij werkelijk waren verschenen. Diensvolgens is ook het duizendjarig rijk in Openbaring 0:1-6 nog niet een zodanig, waar Christus zichtbaar en persoonlijk Zijn volk regeert. Hij zelf daarentegen staat tot Zijne gemeente op aarde in betrekking, als vroeger tot den kring der Zijnen, in den tijd der 40 dagen tussen opstanding en hemelvaart. Men heeft door allerlei valse voorstellingen, welke men over omvang, betekenis en toestand van het duizendjarig rijk zich heeft gemaakt, aan de leer der laatste dingen veel schade aangedaan en daardoor den verdedigers van het kerkelijk dogma overvloedig aanleiding gegeven om het chiliasmus in elke wijze van opvatting te bestrijden. Wij zullen moeten beproeven, de zaak aan beide zijden duidelijk te maken, maar, dewijl wij gene zamenhangende geloofsleer, maar ene Bijbelverklaring schrijven, slechts langzamerhand en in bijzondere uitweidingen, als de gelegenheid zich daartoe aanbiedt, onze mening kunnen voorstellen, daar zelfs de Openbaring an Johannes van Hoofdstuk 10-20 niet alles in chronologische opeenvolging voorstelt, integendeel met hare gezichten altijd maar de ene zijde van hetgeen zij voorzegt, ontwikkelt, en andere zijden weer bij andere gezichten voorstelt.
In gevolge deze uitspraak van Jehova, hebben niet slechte één, maar vele Profeten van Gog geprofeteerd. Slechts Ezechiël noemt hem Gog, de overigen noemen hem anders, Joël b. v. "dien van het noorden. " Van den Antichrist hebben, behalve Ezechiël, bijna alle Profeten meer of minder duidelijk gesproken, namelijk onder het Oude Verbond: Jesaja aan het einde van zijn heerlijk boek; Daniël, Joël, Zacharia, Haggaï (2:20-23); onder het Nieuwe Verbond, Paulus (2 Thessalonicenzen 2) en vooral Johannes in de Openbaring. Wanneer Gog nu in het land Israëls komt, ontbrandt de onwederstaanbare, vuurvlammende toorn Gods tegen hem en tegen zijn heir. Schrikwekkende voorvallen op het gebied der natuur zullen de wrake des Allerhoogsten verkondigen. Ene aardbeving zal allen schepsel schrik aanjagen en de nabijzijnde toekomst van Christus uitroepen (Zacharia 14:3, 4). Jehova zal tegen hem en zijne scharen alle middelen ter verderving uitzenden, hen met waanzin slaan, zodat zij elkaar ombrengen, de cholera onder hen doen uitbreken, regenvlagen des onweders en hagelbuien over hen uitstorten, hen met Zijn bliksem treffen, vuur en zwavel op hen doen nederdalen, even als op Sodom en Gomorra. Hoe licht is het voor den Almachtige, wanneer Hij Zijn scheppingsvermogen ter vernietiging wil aanwenden om de mensen te verderven. ieder Profeet schildert de strafgerichten en den plotselingen val van het Antichristelijke heir weer van ene andere zijde (Zacharia 14:12-15). De mare van dit oordeel zal alle volken onmiddellijk tot verootmoediging bewegen (Jesaja 66:9. Jesaja 2).