Ezechiël 38:14-23
Het tweede deel van het hoofdstuk is een herhaling van het eerste, de profetie is dubbel, want de zaak is zeker en er moet zorgvuldig op gelet worden.
I. Opnieuw wordt hier voorspeld, dat deze wrevelige vijand een geduchte aanval zal doen op het land van Israël, vers 15 :Gij zult komen uit de zijden van het noorden (Syrië lag ten noorden van Kanaän) met een machtig leger, gij zult optrekken als een wolk, tegen Mijn volk Israëls, om het land te bedekken, vers 16. Deze woorden, vers 14 :Zult gij het, te die dage als Mijn volk Israël zeker woont, niet gewaar worden? kan op twee manieren opgevat worden:
1. Als aanduiding van de aanlokselen tot deze aanval. U zal bericht gebracht worden hoe zeker en hoe zorgeloos het volk van Israël woont, wat u reden zal geven tot uw plan tegen hen, want, als gij weet niet alleen wat een rijke, maar ook, wat een gemakkelijke prooi zij denkelijk zullen zijn, dan zult gij spoedig besluiten hen te overvallen. Gods leiding moet. erkend worden in de aanleiding, de geringe aanleiding misschien, die hem gegeven wordt, en dat niet eens opzettelijk, tot die eerste gedachten, waaruit grote ondernemingen haar oorsprong nemen. Om Zijn eigen doel te bereiken, laat God de mensen weten, waarvan Hij weet, dat zij een slecht gebruik zullen maken, zoals hier. Of,
2. Als een aanduiding van zijn teleurstelling in deze onderneming, waarmee de profetie zoals hiervoor, ook hier begint: "Als Mijn volk Israël zeker woont, niet alleen in hun eigen schatting, maar in werkelijkheid, nademaal zij zeker wonen onder de goddelijke bescherming zult gij dat niet gewaar worden door de vruchteloosheid van uw pogingen om hen te vernietigen?" Zij zullen spoedig ondervinden, dat "er geen toverij tegen Jakob is, dat alle instrument tegen hem bereid, niet gelukken zal, " gij zult tot uw schade en schande ondervinden, dat al hebben zij geen muren, noch grendels noch poorten, zij God zelf hebben, als een vurige muur rondom, en dat wie hen aanraakt Zijn oogappel aanraakt, wie zich met hen bemoeit, bemoeit zich tot zijn eigen schade. En het is om dit aan de gehele wereld te tonen, dat God deze machtige vijand tegen Zijn volk brengen zal. Die optrokken tegen Israël, zeiden: "Laat ons buitmaken en roof roven, maar zij wisten de gedachten des Heren niet," Micha 4:11,12. "Ik zal u aanbrengen tegen Mijn land." Dat is vreemd nieuws, dat God Zijn vijanden niet alleen toelaten zal tegen Zijn eigen kinderen op te trekken, maar dat Hij ze zelf brengen zal, maar, als wij verstaan, wat het doel daarvan is, zullen wij ons ook hiermede kunnen verzoenen, het is, opdat de heidenen Mij kennen als de enige levende en ware God, als ik aan u zal geheiligd worden, o Gog! dit is in uw nederlaag en vernietiging voor hun ogen, opdat alle volken zien mogen en zeggen: "Niemand is er gelijk de God van Jeschurun, die op de hemel vaart tot hulpe van Zijn volk." God brengt Zijn volk in gevaar en ellende om de eer te hebben van hun verlossing te weeg te brengen en duldt dat de vijanden van Zijn kerk een tijd lang de overhand hebben, hoewel zij Zijn naam door hun zonde ontheiligen, om de ere te hebben, tenslotte de sterkste te zijn en Zijn eigen naam te heiligen in hun verderf. Nu wordt gezegd: Dit zal zijn in het laatste van de dagen, namelijk van de Oudtestamentische kerk, dat geldt van het kwaad, `t welk Antiochus aan Israël deed, maar in het laatste van de dagen van de Nieuwtestamentische kerk zal nog zo'n vijand opstaan, die op gelijke wijze verslagen zal worden. Krachtdadige beveiliging wordt in de schatkamer van Gods Woord bewaard tegen de moeite en gevaren, waarin de kerk over langen tijd, zelfs in het laatste van de dagen, komen kan.
II. Een toespeling wordt hier gemaakt op de voorspellingen van vroegere profeten, vers 17 :Zijt gij die, van welke Ik in verledene dagen gesproken heb, van wie Mozes sprak in Zijn profetie van het laatste van de dagen, Deuteronomium 32:43 "Hij zal de wraak op Zijn tegenpartijen doen weerkeren, en David, Psalm 9:15, De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden," en op vele andere plaatsen in de Psalmen? Dit is de Leviathan, van wie Jesaja sprak, Jesaja 27:1, de vergadering van de heidenen, waarvan Joël sprak, Joël 3:1. Velen van de profeten hadden misschien in `t bijzonder van deze gebeurtenis gesproken, al staat het niet geschreven, zoals zij allen gesproken en tevens geschreven hadden, wat op ons toepasselijk is. Er is een liefelijke, bewonderenswaardige samenstemming en gelijkheid tussen de profeten des Heren, al leefden zij ook in verschillende eeuwen, want zij werden allen door een en dezelfde Geest geleid.
III. Hier wordt voorspeld, dat deze woedende en geduchte vijand volkomen afgesneden zal worden bij zijn aanval op Israël, en dat die met zijn eigen verderf zal eindigen. Velen veronderstellen, dat dit zijn vervulling heeft gehad in de vele nederlagen door de Maccabeën aan de troepen van Antiochus toegebracht en de opmerkelijke oordelen, die God aan zijn persoon geoefend heeft, want hij stierf aan een afschuwelijke ziekte. Maar deze dingen worden hier, als gewoonlijk, in beeldspraak voorspeld, waarvan wij geen letterlijke vervulling verwachten moeten, en toch is het mogelijk, dat zij meer letterlijk vervuld zijn dan wij weten.
1. God zal grotelijks misnoegd zijn tegen deze vermetele aanvaller: Als Gog, trots en grimmig, tegen het land Israëls zal aankomen, en met een hoge hand alles wat hem in de weg staat, meent neer te kunnen werpen, dan "zal de grimmigheid des Heren in Zijn gelaat opkomen," evenals iemand, die diep beledigd is en besloten zich daarover te wreken, het bloed naar het gezicht stijgt, vers 18. God zal tegen hen spreken, in Zijn ijver voor Zijn volk en in het vuur van Zijn verbolgenheid, tegen Zijn en hun vijanden, vers 19. Zie hoe God de zonde toelaat, hoe hij de mensen de gelegenheid geeft om te zondigen, en er gebruik van maakt voor Zijn eigen bedoelingen, en hoe dat alles bestaanbaar is met Zijn haat tegen de zonde en Zijn ontevredenheid er over. God brengt deze vijand aan tegen Zijn land, door hem te doen weten, wat een gemakkelijke prooi het is, met de bedoeling Zichzelf daarvoor te verheerlijken, en toch, als hij tegen het land aankomt, komt Zijn grimmigheid op en Hij spreekt tot hem in het vuur van Zijn verborgenheid. Als iemand vraagt: Waarom is Hij ontevreden? want wie heeft Zijn wil weerstaan? dan is het antwoord gemakkelijk te geven: "Maar toch o mens! wie zijt gij, die tegen God antwoordt!"
2. Zijn troepen zullen in de grootst denkbare verwarring en ontsteltenis gebracht worden, vers 19 :Er zal een groot beven zijn in het land Israëls, een algemeen schudden, vers 20, dat de vissen en het gevogelte, het gedierte des velds en het kruipend gedierte zal bewegen, en nog meer de mensen, die op de aardbodem zijn, die eerder indrukken van vrees ontvangen. Er zal zulk een grote aardbeving zijn, dat de bergen nedergeworpen zullen worden, de natuurlijke hoogten en de steile plaatsen, torens en muren, kunstmatige hoogten, zij alle zullen ter aarde nedervallen. Sommigen menen, dat hiermee de schrik bedoeld wordt, die over het land van Israël zal gebracht worden door de woede van de vijand. Maar er is meer reden hierbij te denken aan de schrik, die over de vijand komen zal door de verbolgenheid des Heren, al die dingen, die zij zelf oprichten, en waarop zij steunen, zullen neergeworpen worden, en het hart zal hun in de schoenen zinken.
3. Hij zal verslagen en volkomen vernietigd worden, beide, aarde en hemel zullen tegen hem gewapend worden. a. De aarde zal zijn strijdkrachten monsteren om hen te verderven. Als het volk Israëls geen kracht en moed heeft om hen te weerstaan, zal God het zwaard over hem roepen, vers 21. En zwaarden heeft Hij altijd ter beschikking, "dronken geworden in de hemel," Jesaja 34:5. Op alle bergen Israëls, waar hij hoopte buit te vinden om zich te verrijken, zal hij zwaarden vinden om hen te verderven, en eer zij ledig wederkeren, "zal het zwaard van de een tegen de ander zijn, als ten dage van Midian," Psalm 83:9. De aanzienlijken van Syrië zullen tegen elkaar intrigeren en elkaar verdoen, elkaar bestrijden, en elkaar aanklagen. God kan de verstoorders van Zijn volk hun eigen verstoorders en de verstoorders van elkaar doen zijn en dikwijls doet Hij dat. Evenwel zal Hij zelf hun verstoorder zijn, Hij zal het werk in Zijn eigen hand nemen, opdat het grondig gedaan wordt, vers 22 :Ik zal met Hem rechten door pestilentie en door bloed. Tegen wie God handelt, met die recht Hij, Hij toont hem de reden van Zijn geschil met hem, opdat zijn mond gestopt wordt, en Zijn vonnis onbetwistbaar zal zijn.
b. De hemelse heirscharen zullen tegen hem strijden: Ik zal een overstelpenden plasregen regenen op hem, vers 22. Hij komt als een storm over Israël, vers 9. Maar God zal als een storm over hem komen, zal op hem regenen grote hagelstenen, als op de Kanaänieten, Jozua 10:11, "vuur en zwavel, als op Sodom, en een geweldige stormwind", Psalm 11:6. Evenzo zullen Gog en Magog in het Nieuwe Testament verteerd worden "door vuur uit de hemel, en geworpen in de poel van sulfer", Openbaring 20:9, 10. Dat zal in eeuwigheid het deel zijn van alle onboetvaardige, onverzoenlijke vijanden van Gods kerk en volk.
4. God zal in dit alles verheerlijkt worden. Het doel, dat Hij beoogde, vers 16, zal bereikt worden, vers 23 : Alzo zal Ik Mij grootmaken en Mij heiligen. In het verderf van de zondaars doet God uitkomen, dat Hij een groot en heilig God is, en dat zal Hij doen tot in eeuwigheid. En als de mensen Hem niet groot maken en heiligen, zoals hun plicht is, zal Hij Zichzelf groot maken en heiligen, en dit moeten wij dagelijks begeren, en er om bidden: "Vader, verheerlijk Uw naam."