13. Aangaande de gelijkenis der dieren levende wezens, naar den gezamenlijken indruk, dien zij door hun verschijning en met hun bewegingen maakten, hun gedaante was als brandende kolen des vuurs, waaruit de vlam ieder ogenblik dreigde op te slaan, als de gedaante der fakkelen; datzelve vuur ging steeds tussen die dieren, evenals fakkels, waaruit de heldere gloed reeds werkelijk in de hoogte en naar de zijden links en rechts sloeg, ook kwamen de vlammen tussen de dieren heen en buiten hunnen kring; en het vuur had enen glans, dat men de vier dieren duidelijk van den groten vuurmeteoor, die hen omgaf, kon onderscheiden, en uit het vuur kwam een bliksem voort, even als weerlicht, dat het uitbreken van een onweder voorafgaat. 14. De dieren de levende wezens nu liepen, wat den vorm hunner evoluties of wendingen aangaat, en keerden weer als de gedaante van een weerlicht, als het eerst voorwaarts schiet, dan ter zijde uitgaat en later zich weer naar voren wendt, zigzagsgewijze.
Bij zulk gezichten, als hier ons een wordt voorgesteld, kan gene poging worden gewaagd, om ze in één beeld voor te stellen; er zou slechts ene karikatuur tot stand komen; niet eens kunnen zij aan de onmiddellijke voorstelling des geestes worden voorgelegd, de Profeet zelf worstelt duidelijk met woord en uitdrukking om zich te doen verstaan; van daar de uitvoerigheid en gedurige herhaling bij de beschrijving. Vooreerst moet worden opgemerkt dat het Hebreeën Chajoth en het daarmee overeenkomende Gr. Zoa in Openbaring :6 in zijne eerste betekenis "dieren" is genomen; men moet echter liever de eerste betekenis "levende wezens" nemen. De Profeet wijst ons zelf in Hoofdstuk 10:1, aan, dat wij hier moeten denken aan Cherubim (Exodus 25:20 en Psalm 99:1), deze zijn onder die levende wezens bedoeld Wat de Cherubim zelf aangaat, die in het O. Testament niet minder dan 85 maal voorkomen, daaromtrent verschillen de meningen der Schriftonderzoekers zeer. 1) Of het slechts beelden der godsdienstige symboliek zonder objectieve, persoonlijke realiteit zijn, dan of het werkelijk aanwezige, in de onzichtbare wereld bestaande wezens zijn, voor welke alleen de vorm, die hun ten dienste der godsdienstige, visionaire poëtische voorstelling wordt gegeven, symbolische betekenis heeft? 2) Of in dit tweede geval, dat den Cherubim objectieve realiteit toekomt, wij ze met de Serafim (voor de bij elkaar plaatsing met deze, van welke alleen in Jes 6:2, wordt melding gemaakt, spreekt aan de ene zijde de bedekking des lichaams met twee vleugels (Vers 11), aan de andere de 6 vleugels in Openbaring :8, en het gelijkluidend lofgezang) tot den hoogsten rang van engelen moeten rekenen, zo als de kerkelijke traditie doet (Jesaja 6:2) vgl. het Ambrosiaanse lofgezang: "zingt Serafs, eng'len (Cherubs) zingt", of dat zij van de engelen bepaald moeten worden onderscheiden en in ene andere betrekking tot de wereld, in `t bijzonder tot de mensen moeten geplaatst worden? Gaan wij de verschillende meningen nader na, den wordt a) voor de symbolische opvatting aangevoerd, dat de gedaante der Cherubim duidelijk een symbolisch karakter verraadt, dat zij in de gehele Heilige Schrift slechts in poëtische (Psalm 18:11. Ezechiel 28:14), godsdienstig-symbolische of profetisch-visionaire stukken voorkomen, zelfs Genesis 3:24 is daarvan niet uitgezonderd, waar wij het zwaard niet aan de Cherubs mogen toekennen (één zwaard zou ook in `t geheel niet bij een getal van meerderen passen), maar in het zwaard aan de ene zijde en de Cherubs aan de andere ene voorstelling moeten zien van het begin der vertoornde almacht Gods. Hengstenberg, die deze opvatting uitvoerig heeft verdedigd, verklaart den naam Cherubim in den zin van che-rubim d. i. "als ene veelheid" (vgl. Kabul in 1 Koningen 9:13), waarin reeds ligt opgesloten, dat zij de ideale samenvatting zijn van alles, wat op aarde leeft. Daarom juist worden zij ook de levenden genaamd, waardoor, daar die naam de plaats van een eigen naam inneemt, hun wezen geheel moet zijn uitgedrukt. Nu wordt in Genesis 9:16 het begrip van "alle levende ziele" verklaard door dat van het bezielde "vlees, " dat alleen tot de aarde behoort, zo als ook volgens Genesis 2:7 tot een levend wezen twee zaken behoren: de aardse stof en de levendmakende adem Gods, en wordt dus al het levende bedoeld wat op de aarde is, met inbegrip van water en lucht. Verder is bij de Cherubim zeer sterk het viertal uitgedrukt, en dit komt overal in het Oude testament voor als aanwijzing der aarde. Dit dringt ons om eveneens bij de aarde te blijven staan en niet te denken aan engelen, die tot den hemel behoren. Verder kan de zamenvoeging der Cherubim, als vier dieren, dan alleen op verstandigen grond worden opgevat, wanneer wij ze voor ene zamenvatting houden van al wat op aarde leeft. Nu zijn het die dieren, die zich dadelijk doen kennen als de vertegenwoordigers van de hoofdklassen der levenden, zo als een Joods gezegde leert: "vier zijn de hoogste in de schepping-de leeuw onder het wild gedierte, de stier onder het vee, de adelaar onder de vogels, de mens is boven allen, maar God is de allerhoogste. " Volgens deze plaats, die den mens onder de levende wezens toekomt, is dan ook bij de zamenstelling der cherubim de menschentype de voornaamste. Gelijk in den tempel van Salomo op de voetstukken der wasketels en bekkens naast de Cherubim ook leeuwen en runderen waren afgebeeld (1 Koningen 7:29), omdat zij, wat hun aangezicht betreft, de mensen en met hun vleugelen de vogels voorstellende, ook tot deze in dezelfde betrekking staan, zo waren zij ook weer aan de binnenste wanden van het heiligdom onder palmen en bloemwerk geplaatst (1 Koningen 6:29). Gelijk zij zelf toch het animalische leven naar zijne hoofdklassen voorstellen, zo stelt zich het hoogste in het vegetatieve leven in de palmen en bloemen voor. Het levende moet echter gene tegenstelling vormen tegen de overige natuur, maar moet als de kroon zich met haar tot het geheel der aardse schepping verbinden. Alleen wanneer wij de Cherubim beschouwen als de ideale zamenvatting van al wat op aarde leeft als de vertegenwoordiging der levende wezens, kan eigenlijk het feit worden verklaard, dat zij zo regelmatig onder den troon van God voorkomen, want daardoor beelden zij de waarheid af, dat God de God der geesten van alle vlees is (Numeri 16:22), de God, wien alles dient wat op aarde leeft en zich beweegt, en die de ganse natuur onvoorwaardelijk in zijne macht heeft.
Daarentegen wordt overal in de Schrift het gebied der Cherubim gestreng van dat der engelen afgescheiden. Duidelijk is het verschil der dieren en der engelen in Openbaring :11, 7:11 1 11 te zien; want daar vormen de Engelen de omgeving van dien kring, waarin met de 24 onderlingen ook de vier dieren zich bevinden. Tegenover deze opvatting stelt men nu b) ene andere, die aan de Cherubim onvoorwaardelijke objectieve realiteit wil zien toegekend, want alleen symbolen, louter beelden der Hebreeuwse fantasie zal God toch bezwaarlijk aan de poorten van het paradijs hebben gesteld (Genesis 3:24). Ook ligt zonder twijfel, daar in den tabernakel en den naar dezen gebouwden tempel enkel wezenlijke zaken van het rijk van God belichaamd, en alle symbolen van werkelijke dingen zijn genomen, aan de plastische voorstelling der Cherubim op de Arke des verbonds en in het Allerheilige en heilige de idee ten grondslag, dat deze hemelse geesten waren. Uit de onderscheiding der dieren van de Engelen in Openbaring :11; 7:11 volgt niets meer, dan dat de Cherubim gene gewone engelen zijn, d. i. gene gedienstige geesten, Uitgezonden ten dienst dergenen, die de zaligheid zullen beërven (Hebreeën 1:14). Alzo geeft de uitdrukking "levenden, " "levende wezens" niet zozeer te kennen, dat zij de ideale vertegenwoordigers zijn van alles, wat op aarde leeft, maar veelmeer dat het wezens zijn, die onder alle schepselen van hemel en aarde het leven in den volsten zin des woords bezitten, en juist daarom, onder alle geesten den God der geesten van alle vlees, die leeft van eeuwigheid tot eeuwigheid, het naaste zijn, Zijnen troon rondom omgeven. De vereniging van het leeuwen-, stieren- en adelaarsgezicht met het menselijk aangezicht in de Cherubim, moet hen uitdrukkelijk voorstellen als wezens, die de volheid en kracht des levens bezitten, vele in de aardse schepping tussen de genoemde vier schepselen verdeeld zijn. Onder het tamme vee neemt de stier, onder de wilde dieren de leeuw de eerste plaats in; de adelaar overtreft alle vogels in kracht om te vliegen, en de mens bezit door zijn verstandelijk vermogen de heerschappij over alle aardse schepselen. Gelijk intussen reeds het verhaal van aangezichten, zo is in `t algemeen dit viertal hun niet wezenlijk eigen, maar wordt slechts gebezigd om bepaalde verhoudingen of werkingen op de aarde voor te stellen; op zichzelve behoren zij tot den vertrouwelijken raad Gods, die uit engelen bestaat, en nemen zij deel aan het bestuur van Zijn rijk. Volgens ene nog enigzins verschillende mening daarentegen zijn zij c. ten opzichte hunner bestemming niet, zo als de eigenlijke engelen, boden Gods, maar getuigen en dragers der Goddelijke majesteit, wier schijnsel, dat verdwijnt, alleen nadat het reeds was voorbijgegaan, aan Mozes is getoond, en welke Ezechiël alleen in een symboliserend gezicht kon aanschouwen. Men heeft van dit standpunt, dat de Cherubim ook wel voor wezens van bovenaardsen oorsprong houdt, die op den ladder dezer schepselen ene uitnemende, misschien de hoogste plaats innemen (in Openbaring :6, komt God, de Vader als onmiddellijk boven hen staande voor; de Zoon in hun midden en de Geest in hen), en zij toch van de engelen bepaald onderscheiden zijn, beproefd, om hun betrekking tot de mensen nader aan te wijzen. Nu is men op de gedachte gekomen hen onder de bovenaardse schepselen dezelfde plaats aan te wijzen, die de mens onder de aardse schepselen moest innemen; men wilde ze dus tot beheersers in het rijk der hemelse geesten maken, even als de mens tot heerser over alle aardse wezens bestemd is. Vóór den zondenval nu hadden zij in gene bijzondere betrekking noch tot de aarde, noch tot de mensen gestaan. Integendeel moest de mens voor den boon van Jehova op aarde hetzelfde zijn, wat de Cherub voor den troon Gods in den hemel was; de mens moest de Cherub der aarde zijn, zo als de Cherub de mens des hemels was. Toen veranderde echter de val den toestand der dingen, de mens moest uit het paradijs worden verdreven, en toch moest het paradijs met den levensboom worden bewaard. In Genesis 2:24 treden dan voor `t eerst de Cherubim op de aarde op. Nadat de mens door de zonde een kind des doods was geworden, onbekwaam om in het land der levensvolheid te wonen, nemen zij diens plaats in als bezittende de krachten van het paradijs, totdat deze door de volmaking der genade weer in het bezit van het paradijs op de vernieuwde aarde wordt geplaatst, en daar weer den boom des levens en den stroom des levenden waters vindt. Deze bestemming der Cherubim, om in plaats van den mens, de aardse schepping te vertegenwoordigen, in zich het toppunt en het vereniginspunt van alle aardse volkomenheid voor te stellen, brengt het dan mede, dat hun gedaante ene zodanige is, welke met de menselijke gedaante ook al het andere, dat uit de schepselen volkomen is op aarde, in zich verenigt, wat de mens in zijn gevallen toestand niet meer in zich heeft. Vóór den val was de mens om zo te zeggen de quintessenz der schepping; in hem was alles verenigd wat er van de scheppings-heerlijkheid Gods hier beneden is, na hem liggen echter zelfs in de dierenwereld krachten en bekwaamheden, die den mens niet in zulk ene volheid en volkomenheid ten dienste staan, en die nu dengenen moeten worden toegedeeld, die den oorspronkelijken mens moeten voorstellen.
Ook bij de hier onder a door ons voorgestelde symbolische opvatting der Cherubim kan de bedoeling der openbaring Gods, die den Profeet ten dele werd, op bevredigende wijze worden verklaard. Om den schrik der in Vers 4 gegevene aankondiging te vermeerderen, wordt hierop in Vers 5, aangewezen, hoe die God, die ten gerichte komt tegen Zijn volk, de God der geesten van alle vlees is, gelijk alles wat op aarde leeft, op geheel onbeperkte wijze onder Zijn bestuur staat, en Hij geheel overeenkomstig Zijnen wil alle wezens in de natuur tegen Zijn volk in het veld kan voeren, en ene behendigheid en snelheid en een harmonisch in elkaar grijpen tegen hen kan regelen en in beweging brengen, dat alle coalities met deze of gene macht der wereld volstrekt te vergeefs zijn. Alles loopt nu, nadat God de maat van Zijn geduld en Zijne lankmoedigheid aan het afvallige volk heeft uitgeput, op wraak uit, en alsdan kan Hij, wanneer het nodig zou zijn, alle levende schepselen ter hulpe nemen, om de wraak te volvoeren in die mate, welke Hij Zich heeft voorgesteld; niemand kan uit Zijne hand redden; wanneer Hij werkt, wie zal het keren? (Jesaja 43:11. Opmerkelijk is het verder, dat hij, door wien de Heere Zijn gericht aan Israël wilde volbrengen de Chaldeeuwse koning Nebukadnezar in Daniël 4:13, 7:4 met de vier levende wezens, wier gezichten hier de Cherubim dragen, in bepaalde betrekking wordt gesteld. Wanneer deze nu juist op plaatsen, die in de gewone spraak uitdrukken, wat op onze plaats in een gezicht wordt voorgesteld (Jeremia 25:9, 27:5) Gods knecht heet, zo zouden wij in dit gezicht misschien nog meer in `t bijzonder ene belichaming mogen zien van de hier eerstgenoemde Profetie (Jeremia 25:8 v.):, omdat gij Mijne woorden niet hebt gehoord, ziet Ik zal zenden en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt de Heere, en tot Nebukadnezar, den koning van Babel, Mijnen knecht, en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners daarvan, en over al deze volken van rondom, en Ik zal ze verbannen en zal ze stellen tot ene aanfluiting, en tot eeuwige woestheden. " Met deze profetie kan dan de andere in Jesaja 5:26, worden verbonden, welke de volken van Nebukadnezar voorstelt als een strijdbaar, strijdlustig leger, dat onverbidlijk en onwederstaanbaar in zijne aanvallen is, en Juda en Jeruzalem te niet doet, want ook in Vers 13 v. op onze plaats kunnen de dieren den tijd nauwelijks afwachten, dat zij hun zending als dienaren der Goddelijke wraak moeten volbrengen. Hun wending nu is de volvoering der bedreiging des Heeren in Jeremia 17:27; 21:10, 14, en zo komen wij met de symbolische opvatting der dieren, zelfs wanneer wij bij het boven aangevoerde nog dieper gaan, en ene voorstelling der menselijke werktuigen van den wrekenden God daarin zien, tot een duidelijk begrip van het profetische visioen. Het zou belangrijk zijn nader te onderzoeken, in hoeverre de Chaldeën inderdaad als een geheel van mens, leeuw, stier en adelaar konden beschouwd worden, en in hoeverre het tevens toepasselijk is, dat het menselijk aangezicht naar het oosten, dat van den leeuw naar het zuiden, dat van den stier naar het noorden, en dat van den adelaar naar het westen is gekeerd. Verder kan gevraagd worden of ook niet in Openbaring -6 de vier dieren in ene bepaalde betrekking staan tot de Romeinen, de wrekende werktuigen Gods bij de tweede verwoesting van Jeruzalem en den tempel, en waarom nu hier de vier aangezichten over alle vier dieren verdeeld, en niet alle vier dieren weer ene samenstelling van mens, leeuw, stier en adelaar zijn. Dan zou zeker veel, wat het inzicht in Gods diepe gedachten bevordert, ter sprake kunnen worden gebracht. Intussen zijn wij ons wel bewust, dat zulk ene verklaring der dieren van de Chaldeën hij Ezechiël, en van de Romeinen in de Openbaring an Johannes slechts de ondergeschikte is, en alleen in zo verre gerechtigd als de uitdrukking van onzen Bijbel "dieren", recht heeft, welke in het profetische spraakgebruik ene wereldmacht betekent. Wanneer wij echter van deze uitdrukking tot de hogere "levende wezens" opklimmen, moet ook de verklaring van ons visioen zich tot den hogeren trap verheffen, van welken wij vroeger zijn uitgegaan, hoewel wij ons ook daar nog op het standpunt der symbolische opvatting bevinden. Wederom echter, zo als de Profeet ons later de door hem aanschouwde levende wezens voor een en hetzelfde als de Cherubim laat kennen, zouden ook wij op het standpunt der bloot symbolische opvatting niet willen volharden, maar zullen wij op werkelijke wezens in de bovenaardse wereld moeten teruggaan, die achter de symbolen staan en door deze heenschijnen, zodat dus de inhoud van het geheel deze is: niet alleen de macht der Chaldeën, tegen welke men te Jeruzalem met menselijke verbintenissen en eigen verstand alles hoopt te volbrengen, maar ook de gehele schepping, en wel de schepselen op aarde in hun voornaamste wezens, als ook in den hemel in hun hoogste waardigheiddragers, staat tot volvoering van het gericht, dat de levende, alles besturende God besloten heeft, ten dienste.
De Cherubim, want van deze is hier sprake, worden hier voorgesteld als zulke "wezens", die staan onder de onmiddellijke werking van den Geest Gods. Zij hebben het aangezicht van den mens en bewijzen daarmee dat zij met rede begaafd zijn; het aangezicht van een leeuw en drukken daarmee uit, dat het hun niet aan kracht ontbreekt; het aangezicht van een os, om te bewijzen dat zij dienende wezens zijn en het aangezicht van een arend, dat zij snel ten uitvoer brengen, wat hun is opgedragen.
Zij gaan voort, altijd voort, zonder ter rechter- of ter linkerzijde te gaan, om daarmee te doen uitkomen, niet alleen dat zij recht op hun doel afgaan, maar ook dat zij niet behoeven over te doen, omdat zij in het een of ander een fout hebben begaan.
Hun vleugelen zijn hun aan elkaar verbonden, om het te tonen dat zij ze gebruiken, in onderlingen vrede en eensgezindheid.
Zij doen wat Gode welbehaaglijk is, zij zijn uitvoerders van Gods raad, maar daarom kunnen zij ook, hoewel zij levende wezens zijn met rede begaafd, niets anders doen, dan wat de Heere God, wat de Geest Gods hun oplegt, waartoe deze hen drijft.
En als in Vers 14 gezegd wordt, dat zij heen en weer lopen, dan is dat niet in strijd met hetgeen in Vers 12 gezegd is, dat zij rechtuit gingen, maar dan wil dit zeggen, dat zij nauwelijks de ene boodschap gedaan hebbende tot God terugkeren om een andere van Hem te ontvangen.
Het is duidelijk dat dit visioen dienen moet om Ezechiëls lastbrief tot zijn volk, de hoogste kracht bij te zetten, opdat het volk zou weten, dat de oordelen, die hij aankondigt, oordelen Gods waren door Hem aan Zijn dienstknecht bekend gemaakt.