Leviticus 16:1-4
Hier is:
1. De datum van deze wet betreffende de verzoendag: het was na de dood van de twee zonen van Aäron, vers 1, waarvan wij gelezen hebben in Hoofdstuk 10:1.
a. Opdat Aäron niet zou vrezen, dat er nog iets van die zonde zijn gezin was blijven aankleven, of (daar de) (priesters er zo aan onderhevig waren om te overtreden) dat nog een zonde van hemzelf of van zijn andere zonen, het verderf zou wezen van zijn huis en geslacht, wordt hem hier bevolen verzoening te doen voor zijn huis, opdat hij in gunst zou blijven bij God, want de verzoening er van zal er de bevestiging van wezen, en er het erfdeel van de zegen in bewaren.
b. Daar de priesters door de dood van Nadab en Abihu gewaarschuwd waren om niet anders tot God te naderen dan met eerbied en Godvruchtige vrees (zonder welke zij zouden komen op hun gevaar) worden hier aanwijzingen gegeven hoe het dichtste naderen geschieden kon, niet alleen zonder gevaar, maar met onuitsprekelijke vertroosting en nut voor hun ziel, indien die aanwijzingen opgevolgd werden. Toen degenen, die op onbetamelijke wijze genaderd waren, afgesneden werden, moesten de overigen niet zeggen: "Dan zullen wij in het geheel niet naderen", maar: "dan zullen wij naar de voorgeschreven regel naderen." Zij stierven om hun zonde, daarom heeft God er genadig in voorzien, dat de overigen niet sterven. Aldus moeten Gods oordelen over sommigen onderrichtingen zijn voor anderen.
2. Het doel van deze wet. Eén bedoeling er van was eerbied te bewaren voor het heilige der heiligen binnen de voorhang, waar het van de Shechina, of Goddelijke heerlijkheid, behaagde te wonen tussen de cherubim, vers 2. Spreek tot uw broeder Aäron, dat hij niet te allen tijde ga in het heilige binnen de voorhang. vóór de voorhang kwamen sommige priesters elke dag om reukwerk te branden op het gouden altaar, maar binnen de voorhang moet niemand komen dan alleen de hogepriester, en deze slechts eenmaal in het jaar, en dan met grote plechtigheid en voorzichtigheid. De plaats, waar God Zijn bijzondere tegenwoordigheid openbaarde, moet niet algemeen worden gemaakt. Als niemand ongeroepen in de audiëntiezaal van een aardse koning mocht verschijnen, ja zelfs de koningin niet, en dat wel op straffe des doods, Esther 4:11, was het dan geen vereiste dat dezelfde eerbied aan de Koning van de koningen betoond zou worden? Maar zie welk een gezegende verandering gemaakt is door het Evangelie van Christus: alle gelovige Christenen hebben nu iedere dag vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom door het voorhangsel, Hebreeën 10:19, 20, en wij "komen met vrijmoedigheid" (niet zoals Aäron het moest met vreze en beven) "tot de troon van de genade" Hebreeën 4:16. Zolang de openbaringen van Gods genade en tegenwoordigheid waarneembaar waren voor de zinnen, was het nodig dat zij aldus beperkt werden, omdat voorwerpen van de zinnen minder ontzagwekkend en heerlijk worden, naarmate men er meer gemeenzaam mee wordt, maar nu zij zuiver geestelijk zijn is dit anders, want hoe meer de voorwerpen van het geloof ons bekend zijn, hoe meer wij er de grootheid en goedheid van gewaar worden. Thans zijn wij dus te allen tijde welkom in het heilige, dat niet met handen gemaakt is want thans zijn wij door het geloof "mee gezet in de hemel in Christus" "Jezus," Efeziers 2:6. Toenmaals moest Aäron niet te allen tijde naderen, opdat hij niet sterft, nu moeten wij te allen tijde naderen, opdat wij leven, alleen afstand is ons de dood. Toenmaals verscheen God in de wolk op het verzoendeksel, maar nu aanschouwen wij, niet in een donkere wolk maar met ongedekten aangezichte en als in een helderen spiegel, de heerlijkheid des Heeren, 2 Corinthiërs 3:18. 3. De persoon, aan wie het werk van deze dag was opgedragen, en dat was alleen de hogepriester, vers 3. Hiermede zal Aäron in het heilige gaan. Op de verzoendag moest hij al het werk verrichten, er was slechts een plaatsvervanger voor hem aangewezen voor het geval, dat hem iets zou overkomen, hetzij ziekte, of ceremoniële onreinheid, zodat hij de dienst op die dag niet kon waarnemen. Alle Christenen zijn geestelijke priesters, Christus alleen is de Hogepriester, en Hij alleen is het die verzoening doet, en Hij heeft noch plaatsvervanger noch helper nodig.
4. Het gewaad van de hogepriester bij deze dienst. Hij moest dan niet in zijn kostbare klederen gekleed zijn, die hij alleen dragen moest. Hij moest de efod niet aandoen met de edelgesteenten er in, maar alleen de linnen klederen, die hij in gemeenschap met de mindere priesters droeg, vers 4. Dat geringere kleed paste hem het best op deze dag van de verootmoediging, en daar het dunner en lichter was, kon hij er met meer vaardigheid het werk en de dienst van de dag in verrichten. Christus, onze Hogepriester, heeft in onze natuur verzoening gedaan voor de zonde niet in de kleren van de Hem eigen heerlijkheid, maar in de linnen kleren van onze sterflijkheid, rein voorzeker, maar gering.