Exodus 25:10-22
De eerste bevelen gelden het maken van de ark en haar toebehoren, het gereedschap van "het heilige der heiligen", en het bijzondere teken van Gods tegenwoordigheid, de tabernakel werd gemaakt om haar te bevatten.
De ark zelf was een kist, waarin de twee "tafelen der wet", beschreven met de vinger Gods, als in een eervolle plaats, werden neergelegd en zorgvuldig bewaard. Nauwkeurig zijn er de afmetingen van geboden. Als de Joodse el, zoals sommige geleerden hebben uitgerekend, drie en zestig centimeter lang was, dan was de kist, of kabinet, ongeveer ruim anderhalf meter lang, bijna een meter breed en bijna een meter diep. Zij werd van buiten en van binnen overtrokken met dunne platen van goud. Er was een kroon of krans van goud omheen, met ringen en staven om haar te dragen, en de getuigenis moest erin neergelegd worden, vers 10-16 De "tafelen der wet" worden "de getuigenis" genoemd, omdat God er Zijn wil. Dat Hij hun deze wet gaf, was ten teken van Zijn gunst ten opzichte van hen, en hun aanneming er van was ten teken van hun onderworpenheid en gehoorzaamheid aan Hem. Deze wet was een getuigenis aan hen, om hen te leiden en te besturen in hun plicht, en zal een getuigenis tegen hen zijn, als zij overtreden. De ark wordt "ark der getuigenis" genoemd, Hoofdstuk 30:6, en de tabernakel, "de tabernakel der getuigenis", Numeri 10:11, Handelingen 7:44. Ook het Evangelie van Christus wordt een "getuigenis" genoemd, Mattheus 24:14. Er is op te merken:
Dat de "tafelen der wet" zorgvuldig in de ark bewaard werden, om ons te leren zeer hoge waardering te hebben voor het Woord van God, het te bewaren in ons hart, het in onze innerlijke gedachten te hebben, zoals de ark in het heilige der heiligen geplaatst werd. Het geeft ook te kennen de zorg, welke Gods voorzienigheid altijd gehad heeft en altijd hebben zal om de gedachtenis van de Goddelijke openbaring in de kerk te bewaren zodat zelfs in de laatste dagen de ark van Zijn Verbond in Zijn tempel gezien zal worden. Zie Openbaring 11:19.
Dat deze ark het voornaamste teken was van Gods tegenwoordigheid, wat ons leert, dat het eerste en grote blijk en verzekering van Gods gunst is, dat Zijn wet in ons hart wordt geschreven. God woont waar deze heerst, Hebreeën 8:10.
Dat er gezorgd was om de ark overal waar zij heengingen te kunnen meedragen hetgeen ons te kennen geeft, dat wij overal waar wij heengaan onze Godsdienst mee moeten nemen, steeds de liefde van de Heere Jezus en Zijn wet met ons moeten omdragen.
De genadetroon of verzoendeksel, was het deksel van de ark, gemaakt van louter goud in nauwkeurige overeenstemming met de afmetingen van de ark, vers 17-21 Dit verzoendeksel was een type van Christus, de grote Verzoening, wiens genoegdoening ten volle beantwoordt aan de eisen van de wet, onze overtredingen bedekt, en zich stelt tussen ons en de vloek, dien wij verdiend hebben. Aldus is Hij het einde van de wet tot rechtvaardigheid.
De gouden cherubs werden bevestigd aan het verzoendeksel en vormden er één geheel mee, hun vleugels er over uitspreidende vers 18. Men onderstelt dat deze cherubs de heilige engelen moesten voorstellen, die steeds de Shechina, of Goddelijke Majesteit, vergezelden, speciaal bij de wetgeving, niet door enige beeltenis van een engel maar door het een of ander embleem van de engelennatuur, waarschijnlijk een van de vier aangezichten, vermeld in Ezechiël 1:10. Die aangezichten waren naar elkaar gericht, en zagen beiden neerwaarts op de ark, terwijl hun vleugels zo uitgestrekt waren, dat zij elkaar aanraakten. De apostel noemt hen de cherubim van de heerlijkheid, die het verzoendeksel beschaduwden, Hebreeën 9:5. Het geeft hun dienen van de Verlosser te kennen, voor wie zij gedienstige geesten waren, hun bereidwilligheid om Zijn wil te doen, hun bijzondere tegenwoordigheid in de vergadering van de heiligen, Psalm 68:18, 1 Corinthiërs 11:10, en hun begeerte om in de verborgenheden van het Evangelie te zien, 1 Petrus 1:12. God wordt gezegd te wonen, of te zitten, tussen de cherubim op het verzoendeksel, Psalm 80:1. Daar belooft Hij Mozes bij hem te zullen komen en met hem te spreken, vers 22. Daar zal Hij wetten geven, en daar zal Hij audiëntie verlenen, zoals een vorst op zijn troon, en aldus toont Hij zich bereid om met ons verzoend te zijn in en door het middelaarschap van Christus. Zinspelende op dit verzoendeksel worden wij gezegd met vrijmoedigheid toe te gaan tot de troon van de genade, Hebreeën 4:16, want wij zijn niet onder de wet, die bedekt is, maar onder de genade, die geopenbaard is, haar vleugels zijn uitgestrekt, en wij worden genodigd onder de schaduw ervan te komen, Ruth 2:12.