7. Toen stak een Cherub, tot welken hij gegaan was, namelijk die met het hoofd als een stier (
Vers 14), zijne hand uit van tussen de Cherubs, die zijner handen, die naar de binnenzijde der Cherubs was gekeerd, tot het vuur, hetwelk was tussen de Cherubs(
Hoofdstuk 1:13), en nam daarvan en gaf het in de vuisten desgenen, die met linnen bekleed was; die nam het en ging uit den tempel, om verder te doen wat hem was bevolen, namelijk om de kolen, die hij in de handen had, over de stad te strooien (
Vers 2).
Het te voorschijn halen der kolen uit het midden tussen de Cherubim drukt de gedachte uit, dat het vuur, hetwelk Jeruzalem zal verbranden, van het vuur des toorns uitgaat.
Het naderen van den op priesterlijke wijze in linnen gekleden geeft volgens de voorstelling van den Profeet niet alleen iets, dat aan het ingaan des hogepriesters in het allerheilige op den groten verzoendag herinnert, maar waar het vuur van Gods toorn hem wordt overhandigd, een opmerkelijke Christologische betekenis, waarbij de houding der eeuwigheid in het vreselijk ogenblik, de grootste eenvoudigheid der handeling imponeert (Deuteronomium 18:16).
Het verbranden der stad wordt niet verder geschilderd; het heeft na Ezechiel 11:23 zijne plaats, dewijl eerst daar de heerlijkheid des Heeren de stad geheel verlaat, en de Profeet kon het niet beschrijven, daar hij volgens 11:24 op dien tijd uit Jeruzalem was weggevoerd.