22. En aangaande de gelijkenis van hun aangezichten, het waren dezelfde aangezichten, die ik gezien had bij de rivier Chebar, hun gedaanten en zij zelven; zij gingen op dezelfde wijze ieder recht uit voor zijn aangezicht henen, zo dat er geen twijfel kon zijn, of beide verschijningen, deze hier in den voorhof des tempels
Vers 1 en die daar aan de wateren van Chebar waren één en dezelfde.
De verschijning der Cherubim aan de wateren van Chebar (Hoofdstuk 1) voorspelde reeds het uitgaan der heerlijkheid van Jehova uit het Allerheilige, en de overgave der heilige stad. Zij voorspelde tevens voor dengenen, die zich in de ballingschap bevonden, zo als Hoofdstuk 11 zal aanwijzen.
Van betekenis is in Vers 20 de benaming: "God van Israël" in plaats van "Jehova", de Heere. Daardoor wordt te kennen gegeven, dat God als Verbondsgod aan het volk van Israël door dit heengaan uit den tempel Zijne genadige tegenwoordigheid onttrok, namelijk aan het weerspannige Israël, dat in Jeruzalem en Juda woonde, niet aan het gehele verbondsvolk; want dezelfde heerlijkheid Gods, die hier voor Ezechiëls ogen in het gezicht den tempel verliet, was toch den Profeet aan de rivier Chebar verschenen, en Hij had zich door zijne roeping tot den Profeet voor Israël geopenbaard als die God, die Zijn verbond houdt, en door het gericht over het verdorven geslacht slechts de goddeloosheid uitdelgen en Zich een nieuw, heilig volk scheppen wil.