11. En ziet, de man, die met linnen bekleed was, aan wiens lenden de inktkoker was (
Vers 2), bracht bescheid weer, als hij opdat ogenblik met de zes mannen van het slaan in de stad terugkeerde (
Vers 7, zeggende: Ik heb gedaan, gelijk als Gij mij geboden hadt (
Vers 3); de tekening (
Vers 4) kon echter alleen op ene voor mensenogen onkenbare wijze geschieden.
In Vers 7 is het bericht over hetgeen de zes volvoerders van het gericht deden, als op eens gegeven, zo als wij dit ook in de verklaring hebben aangemerkt. De Profeet gaat nu tot dat ogenblik terug, dat het slaan voor zijne ogen, d. i. in den tempel zelven of zijn binnenste of buitenste voorhof ten einde is, en nu het slaan daar buiten in de stad zou plaats hebben. Hier in den tempel is niemand met het teken voorzien, zij allen, die daar waren, verslagen, en hij alleen is slechts overig. Dat ook hij, hoewel bestemd om gespaard te worden, toch met het teken niet is voorzien, verwondert hem niet, want eensdeels komt hij als Profeet, die het gezicht aanschouwt, alleen als toeschouwer, niet als deelnemer van het gericht in beschouwing, en aan de andere zijde behoort hij toch voor zijn persoon niet meer tot de inwoners van Jeruzalem en tot de priesters in den tempel, maar tot de reeds weggevoerden. Dat nu bij dit aangrijpen van het heiligdom (Vers 6) in het geheel gene verschoning kon plaats hebben (zich zelven rekent hij verder niet), doet hem vrezen voor de stad, dat ook hier alles zal worden nedergehouwen. Hij begint op gelijke wijze met den Heere te onderhandelen als Abraham bij het gericht over de steden van het Siddimdal (Genesis 18:22). Hij noemt de bewoners van Jeruzalem en het land van Juda, "het overblijfsel van Israël. " Zij zijn inderdaad ook de overgeblevenen of de verschoonden van de gerichten, die tot hiertoe plaats hadden. 1) in betrekking tot het gehele volk, want na de verdelging der 10 stammen is alleen Juda met Jeruzalem overig; 2) maar ook ten opzichte van Juda zelf, want met deze heeft reeds tweemalen ene deportatie plaats gehad, de ene in het jaar 606, de tweede in het jaar 598 v. C. Wat nu Ezechiëls voorspraak op zichzelve aangaat, vindt hier Lavaters opmerking ene plaats: "hoe wreed ook den Joden de Profeten mochten voorkomen om hun dreigingen en strafpredikatiën, zo waren zij toch niet minder hun vrienden, daar zij voor hun volk niet alleen nauwlettend hadden zorg gedragen, maar ook ernstige voorbede hadden gedaan-zo Mozes, Samuël, Jeremia. " Wij zouden ons echter kunnen verwonderen, dat hij in `t geheel gene opheldering ontvangt of en hoevele de man in linnen en met het schrijfgereedschap aan zijne zijde met het teken aan hun voorhoofd heeft kunnen voorzien, dat hem op zijne voorspraak zelfs geen vertroostend woord ten deel werd, het gehele antwoord des Heeren integendeel zo is, als of allen te zamen tot verdelging bestemd waren. Dit heeft zeker zijne goede reden. Dezulken, die het teken moesten ontvangen, die zich namelijk niet alleen voor het kwaad hebben gewacht, maar die zuchten en jammeren over alle gruwelen, die te Jeruzalem en in het land plaats hebben (vs 4), waren er slechts zeer weinigen, en ook aan deze kan het deel hebben aan het gericht alleen in den boven ontwikkelden zin worden bespaard. terwijl in den algemenen zin, in het slaan der 6 mannen in zich sluit, het gericht ook hen moet treffen. Tevens ligt ook in het zwijgen over ene werkelijke tekening met den Tav ene middelijke aanwijzing, dat de eigenlijke redding, die door het kruis van Christus nog niet aanwezig is, dat de eeuwige verlossing nog niet is gevonden, maar nog ene zaak der toekomst is. Slechts deze is voor het gericht der profetie aanwezig, daar door deze de toekomstige redding zal worden bewerkt, namelijk in Hem, die aan het slot van Zijn woord vermeldt: "Ik heb gedaan, gelijk als Gij Mij geboden hadt, " het zal niet missen, of Hij zal te Zijner tijd de eeuwige verlossing aanbrengen. Het gehele voorval moet dus worden opgevat naar hetgeen in 1 Petrus 1:10 v. wordt gezegd.