Ezechiël 9:5-11
In deze verzen hebben wij,
I. Een bevel, de verdervers gegeven om hun zending ten uitvoer te brengen. Zij stonden bij het koperen altaar, wachtende op bevelen. Hier wordt bevel gegeven om te slaan en te verderven allen, die aan de gruwelen van Jeruzalem schuldig stonden of er in betrokken waren, en die er niet om zuchtten en uitriepen. Zie, wanneer "God Zijn tarwe in zijn schuren verzamelt, blijft er niets over dan het kaf te verbranden," Mattheus 3:12.
1. Hun wordt bevolen, allen te verderven
a. Zonder uitzondering. "Zij moesten door de stad gaan en slaan, zij moeten slaan en niet sparen, geheel verderven en een dodelijke wond toebrengen. Zij moesten geen verschil maken tussen ouderdom of sexe, maar oud en jong slaan, geen jonkheid noch kinderlijke leeftijd werden gespaard". Dit werd volbracht in de dood van menigten door hongersnood en pestilentie, maar vooral door het zwaard van de Chaldeën. Soms is zo'n bloedig werk als dit Gods werk geweest. Maar welk een kwaad is de zonde toch, dat de God van de eindeloze barmhartigheid tot zo'n strengheid gebracht wordt!
b. Zonder verschoning. "Ulieder oog verschone niet en spare niet, vers 5. Gij moogt niemand sparen, die God voor het verderf bestemd heeft, zoals Saul Agag, de koning van de Amalekieten, deed, want dat is des Heeren werk bedrieglijk doen", Jeremia 48:10. Niemand moet barmhartiger willen zijn dan God is, en Hij had gezegd Hoofdstuk 8:18 :Mijn oog zal niet verschonen en Ik zal niet sparen. Zie, wij, die in de zonde leven en de bekering haten, zullen in de zonde omkomen, en verdienen geen medelijden. Gemakkelijk konden zij het verderf ontvloden zijn, maar zij wilden niet.
2. Zij worden gewaarschuwd, niet het minste kwaad te doen aan degenen, die voor de zaligheid getekend zijn. "Genaakt aan niemand, op denwelken het teken is." Bedreig of verschrik ze zelfs niet. Hun is beloofd, dat geen kwaad hen zal genaken, en daarom moet ge ver van hen blijven. De koning van Babel gaf bijzondere bevelen, dat Jeremia zou beschermd worden. Baruch en Ebed-Melech bleven gespaard met waarschijnlijk nog meer van Jeremia's vrienden, om zijnentwil. God had beloofd, dat "Hij Zijn overblijfsel ten goede zou zijn, en dat Hij bij de vijand voor hen zou tussenkomen," Jeremia 15:11. Wij hebben reden aan te nemen, dat niemand van dat treurende, biddende overblijfsel door het zwaard van de Chaldeën gevallen is, maar dat zij allen door God op de een of andere wijze gered zijn, evenals in de verwoesting van Jeruzalem de Christenen in Pella een toevlucht vonden, en niemand van hen met de ongelovige Joden omgekomen is. Zie, niemand zal verloren gaan dergenen, die God voor het leven en de zaligheid heeft getekend, want het vaste fundament Gods staat.
3. Hun wordt bevolen, te beginnen bij het heiligdom, vers 6, dat de profeet in het vorige hoofdstuk zo vreselijk had zien ontheiligen. Zij moesten daar beginnen, omdat daar de goddeloosheid begon, die God verwekte om deze oordelen te zenden. De uitspattingen van de priesters hadden de bronnen vergiftigd, waaruit de stromen waren bedorven geworden. De goddeloosheid des heiligdoms was die, welke God het meest vertoornde, en daarom moest daar de slachting aanvangen. "Begin daar, opdat de gehele wereld zie en bekenne, dat de Heere, Wiens naam is IJveraar," Exodus 34:14, "een ijverig God is, die de zonde het meest haat in degenen, die het dichtst bij Hem zijn. Zie, wanneer de oordelen komen, beginnen ze gewoonlijk bij het huis Gods," 1 Petrus 4:17. "Uit alle geslachten des aardbodems heb Ik ulieden alleen gekend, daarom zal Ik alle uw ongerechtigheid over ulieden bezoeken," Amos 3:2. Gods tempel is een heiligdom, een toevlucht en bescherming voor boetvaardige zondaars niet voor degenen, die in hun zonden voortvaren, noch de heiligheid noch de uitnemendheid van de plaats zal hen beveiligen. Het kan schijnen dat de verwoesters geaarzeld zouden hebben, mensen in de tempel te doden, maar God zegt hun, daarvoor niet te schromen maar, vers 7, verontreinigt het Huis en vervult de voorhoven met verslagenen. Zij zullen niet van het altaar verwijderd worden (hetgeen de wet gebood, Exodus 21:14), maar menen zich te beveiligen door "de hoornen van het altaar te vatten, gelijk Joab, en daarom, laat ze daar", 1 Koningen 2:30, 31. Daar was het bloed van een van Gods profeten gestort, Mattheus 23:35, en daarom, laat hun bloed daar gestort worden. Zie, zo de dienaren Gods het met hun afgoderijen ontheiligen, zal God de vijanden toelaten, dat zij het met hun geweld verontreinigen Psalm 79:1. Maar deze daden van nodige gerechtigheid waren evenwel, hoe ze zich ook laten aanzien, eer een reiniging dan een verontreiniging van het heiligdom, het was het kwaad van henlieden wegnemen.
4. Zij worden aangewezen, om de stad in te gaan, vers 6,7. Zie, waar ook de zonde voorgaat, zal het oordeel daarna volgen, en, of schoon het oordeel van het huis Gods begint, het eindigt daar niet. De heilige stad zal evenmin een beschutting zijn voor de goddeloze lieden, als het heilige huis voor de goddeloze priesters.
II. Hier wordt dienovereenkomstig het bevel uitgevoerd. Zij volbrachten hun opdracht en,
1. Zij begonnen van de oude mannen, die voor het huis waren en sloegen die eerst, of die zeventig oudsten die afgoden aanbaden in hun kamers, Hoofdstuk 8:12, of die vijf en twintig, die zich voor de zon bogen tussen het voorhuis en tussen het altaar, die in meer eigenlijke zin gezegd konden worden, voor het huis te zijn. Zie, de belhamels in de zonde kunnen verwachten, dat de oordelen Gods hun het eerst zullen treffen, en de zonden dergenen die een hoge en openbare betrekking bekleden, roepen om de voorbeeldigste straffen.
2. Zij gingen voort naar het gewone volk: "Zij gingen henen uit, en zij sloegen in de stad, want, wanneer het besluit uitgevaardigd wordt, is er geen uitstel meer". Wanneer God begint, gaat Hij voort tot het einde.
III. Hier vinden wij des profeten voorspraak tot matiging van het oordeel, en opheffing voor sommigen, vers 8. Als zij ze geslagen hadden, en ik overgebleven was, viel ik op mijn aangezicht.
Merk hier op,
1. Hoe gevoelig de profeet was voor Gods barmhartigheid, die hem spaarde, terwijl zovelen rondom hem werden afgesneden. "Aan uw zijde zullen er duizend vallen, en tienduizend aan uw rechterhand, tot u zal het niet geraken. Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen, en gij zult de vergelding van de goddelozen zien," Psalm 91:7, 8. Hij spreekt als iemand, die ternauwernood de verwoesting ontsnapt is, en dat niet aan eigen verdienste maar aan Gods goedheid toeschrijft. Zie, de allerheiligsten moeten erkennen, dat ze het aan sparende barmhartigheid hebben dank te weten, zo ze niet omkomen. En wanneer verwoestende oordelen rondwaren, en menigten vallen, moet het als een grote genade worden aangemerkt, dat wij ons leven tot een buit hebben, want naar recht kon God ons met de anderen hebben doen omkomen.
2. Merk op, hoe hij deze barmhartigheid waardeert: hij begreep, dat hij daartoe mocht staande blijven om de toorn van God af te wenden. Zie, wij moeten bedenken, dat wij daarvoor gespaard worden, opdat wij goed doen waar God ons heeft geplaatst en voor anderen bidden. Ezechiël schiep geen vermaak in het aangerichte bloedbad, "maar het haar zijns vleses rees te berge van verschrikking voor God" Psalm 119:120. "Hij viel op zijn aangezichten riep uit, niet uit vrees voor zich zelf (hij was een van de getekenden) maar uit medelijden met zijn landgenoten". Zij, die zuchten en uitroepen om de zonden des zondaars, moeten noodzakelijk ook zuchten en uitroepen om hun ellende, toch zal de dag komen, dat deze bezorgdheid geheel en al verslonden wordt door de voldoening daarover, dat God verheerlijkt wordt. "Wie nu op hun aangezicht vallen en roepen: Ach Heere God, zullen dan het hoofd opheffen en zingen: Halleluja!" Openbaring 19:1,3 Nederig pleit de profeet bij God: zult Gij al het overblijfsel Israëls verderven, en zal er niemand overblijven dan de weinige getekenden? Zal Gods verdorven Israël, ten enenmale uitgeroeid worden? Wanneer maar enkelen overgelaten worden, zullen dan ook deze worden afgesneden, die het zaad voor een ander geslacht konden zijn? En zal de God Israëls zelf hun verwoester zijn? Wilt Gij Israël nu uitroeien, die Israël placht te beschermen en te verlossen? Zult Gij uw grimmigheid uitgieten over Jeruzalem? en met de stad ook het gehele land verderven? Dat zult Gij zeker niet willen. "Zie, al erkennen wij, dat God rechtvaardig is, toch mogen wij bij Hem pleiten en van zijn oordelen met Hem spreken," Jeremia 12:1
IV. Gods weigering als antwoord op des profeten verzoek, om het oordeel te matigen en Zijn rechtvaardigheid in die weigering, vers 9, 10.
1. Niets kon gezegd worden om de zonde ook maar enigszins te verontschuldigen. God was zo gewillig om barmhartigheid te bewijzen als de profeet maar kon wensen, dat is Hij altijd. Maar in dit geval is er geen plaats voor hier kan barmhartigheid niet tussentreden, zonder de gerechtigheid geweld te doen. Het zou niet betamen, dat de ene deugd van God schitterde ten koste van een andere. Vindt de Almachtige er behagen in, dat Hij verderve, vooral dat Hij Israël verderve? Geenszins. Maar de waarheid is, dat de zonden van Gods volk zozeer ten hemel schreiden, dat iedere toegevendheid zou zijn, ze in de handwerken. "De ongerechtigheid van het huis Israël en Juda is uitermate groot, ze kan niet langer geduld worden. Het land is met bloed vervuld, en wanneer de rechtsdagen gehouden worden, om de verongelijkte onschuld te wreken, is het middel even erg als de kwaal". De stad is vol afwijking, vol verdorvenheid, of verkering van het recht. En dat, waarmee zij zich in haar goddeloosheid sterkt is hetzelfde godloochende beginsel, waarmee ze zich in haar afgoderij gevleid heeft, Hoofdstuk 8:12. De Heere heeft het land verlaten en laat ons maar begaan, Hij bemoeit zich niet meer met wat er omgaat. "Wat kwaads we ook doen Hij ziet niet, of Hij weet het niet, of Hij neemt er geen kennis van". Hoe kunnen zulken nu enige barmhartigheid van God verwachten, die met Zijn rechtvaardigheid de spot drijven? Neen, geen voorspraak kan iets te hun gunste inbrengen, terwijl de misdadiger zelf allen grond tot verzachting wegneemt. Daarom,
2. Niets kan gedaan worden om het oordeel te temperen, vers 10. "Wat gij ook meent, wat Mij aangaat, Mijn oog zal niet verschonen, en Ik zal niet sparen." Ik heb deze onbeschaamde zondaars zo lang mogelijk verdragen, en daarom zal Ik nu hun weg op hun hoofd geven. Zie, zondaren bezwijken en komen om onder het gewicht hunner eigene zonden, het is hun eigen weg, die zij willens en wetens gekozen, liever dan de weg Gods, en waarin zij hardnekkig volhard hebben, met verachting van het Woord Gods. Nu wordt die weg hun op hun hoofd gegeven. Grote goddeloosheid rechtvaardigt Gods grote strengheid. Ja, Hij is bereid zich te rechtvaardigen, ook tegenover de profeet, want Hij wil rein zijn in Zijn richten.
V. Nu keert het verhaal terug tot het beschermend schrijven, dat uitgezonden was om de treurenden in Zion te bewaren, vers 11. De man, die met linnen bekleed was, bracht bescheid weer, gaf verslag van wat hij gedaan had ter voldoening aan zijn opdracht. Hij had allen uitgevonden, die in het verborgen over de zonden des lands treurden, en uitriepen met openbaar getuigenis, en die met het merkteken aan hun voorhoofd verzegeld waren. Heere, ik heb gedaan gelijk als Gij mij geboden hadt. Wij lezen niet, dat de ten verderve uitgezondenen bericht inleveren van de verwoesting, die ze aangericht hadden, maar wel: de beschermer komt bericht brengen. Het was Gode en de profeet aangenamer te vernemen van degenen, die gered waren, dan van hen, die omgekomen waren. Of dit rapport wordt gemaakt, omdat die zaak was afgelopen, terwijl de verwoesting slechts een werk van tijd zou zijn. Als ook dat afgelopen zou zijn, zou ook daarvan mededeling volgen. Zie, hoe getrouw Christus de Hem toevertrouwde zaak volbrengt. Wordt Hem opgedragen, het uitverkoren overblijfsel voor het eeuwige leven te beschermen? Hij heeft gedaan gelijk Hem geboden was. Van al degenen, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren.