9. Toen zei Hij tot mij: De ongerechtigheid van het huis van Israël en van Juda is gans zeer groot, en het land is met bloed vervuld, en de stad is vol van afwijking; want zij zeggen: De HEERE heeft het land verlaten, en de HEERE ziet niet. 1) (
Hoofdstuk 8:12,
17).
1) Dit laatste heeft dezelfde betekenis als Hoofdstuk 8:12. De goddelozen zeggen hiermee ronduit, dat de Heere het niet ziet en de Heere het niet hoort. Daarom is het land vol afwijking, vol Godverlating, en daarom zal de Heere niet verschonen. Hij zal gerechtvaardigd worden ook in de uitvoering van Zijne oordelen, gelijk Hij verheerlijkt wordt in de oefening Zijner barmhartigheid.
Als de Profeet zegt dat er niemand overgebleven is, dan wil dit niet zeggen dat er geen overgeblevenen zijn, maar dat dit getal zeer klein is. Als toch de man met linnen bekleed, in naam van al de zeven zegt dat Hij heeft uitgevoerd, wat Hem geboden is, den ligt daarin opgesloten, dat Hij geslagen heeft, die niet met het teken des kruises waren begiftigd.