18. Daarom zal Ik ook handelen tegen hen in grimmigheid; Mijn oog zal, zo als reeds in
Hoofdstuk 5:11;
7:4,
9 is aangetoond, niet verschonen, en Ik zal niet sparen; hoewel zij in den nood die komen zal, voor Mijne oren met luider stemme roepen; a) nochtans zal Ik hen niet horen (
Hoofdstuk 4:3.
Jesaja 1:15).
a) Spreuken 1:28. Jeremia 11:11.
Ezechiël heeft gezien, hoe het in het gehele land (Vers 7-12), voor den ingang in het buitenste voorhof en in het buitenste voorhof voor den ingang van het binnenste Vers 5, 6 toeging. Hij wordt in Vers 16 in het binnenste voorhof teruggevoerd, om zelfs daar nog grotere gruwelen te aanschouwen. Hij ziet daartussen het voorhuis des tempels en het brandofferaltaar 25 mannen aan het huis Gods den rug toekeren, hun aangezicht naar het oosten wenden en de zon aanbidden. Wij verstaan onder de 25 mannen de 25 hoofden der priesterorden (1 Kronieken 24:5 vv. 2 Kronieken 36:14. Ezra 10:5) met den hogepriester aan het hoofd. Dit blijkt niet alleen uit het getal, maar ook daaruit, dat zij in het voorhof der priesters tussen voorhuis en altaar hun standplaats hebben, de gehele priesterschap was in hare hoofden tot den schandelijksten afgodendienst afgevallen. God heeft dus den Profeet vier gruwelen laten aanschouwen. Dit getal is niet toevallig, het is de aanwijzing van de uitbreiding naar alle vier winden, dat alzo aan Ezechiël 4 soorten van afgodischen gruwel moet uitdrukken, dat Israël zijnen afgodischen eredienst uit de gehele wereld heeft zaamgebracht en door het gehele land verbreid. Ten overvloede wordt dan in Vers 17 nog een nader, bijzonder afgodisch gebruik genoemd.
"Zij steken de wijnranken aan hunnen neus. " Dat dit tot het godsdienstig gebied behoort in onderscheiding van de onmiddellijk te voren genoemde zonden, die zich op moreel gebied begeven, blijkt reeds uit het verbond met de aanbidding der zon in Vers 16. De wijnrank is het voornaamste produkt der zon, is dus voor den zonaanbidder het hoofdvoorwerp voor dank en bede, de meest gepaste vertegenwoordigster voor alles, wat men aan de zon te danken heeft. Een bos rijzen, Bersom genaamd, houden de Perzische zonaanbidders in de hand, als zij tot de zon bidden, en houden het voor den mond van hem, die het gebed uitspreekt. Dit komt geheel overeen met de hier genoemde ritus, want de wijngaardrank behoeft niet een enkele te zijn, en de neus in plaats van den mond wordt spottend vermeld volgens de neiging tot ironie en sarcasme, die bij de Profeten zo dikwijls openbaar wordt, als zij den onzin bestrijden en bestraffen. Wat nu de politieke zijde van dit vermengen met den Medo-Perzischen godsdienst aangaat, zo moest men, wanneer men de ogen overal heenwendde naar bondgenoten tegen de Chaldeën, vooral aan hen denken, die reeds Jesaja als de verstoorders genoemd had van de Chaldeeuwse wereldmonarchie, die in zijnen tijd opkwam namelijk de Medo-Perzen (Jesaja 13:17; 21:2). De afval kon zich hier in den schijn van vroomheid verbergen, het woord Gods zelf scheen op het verbond met de Perzen te wijzen en daartoe aan te sporen. Dat de 25 mannen in den tempel van Jehova voorkomen, toont aan, dat zij uitwendig de betrekking tot den Heere willen bewaren; dat zij den rug naar Hem toekeren en het aangezicht naar de zon, zegt, dat zij in hun politieke verhouding den Heere voor niets achten, daarentegen hun hoop op de aanbidders der zon, op Medië en Alam stellen.