1 Koningen 2:26-34
Abjathar en Joab hebben beide Adonia geholpen in zijn oproerige onderneming, en waarschijnlijk waren zij de aanleggers van het plan om Abisag tot vrouw te begeren voor Adonia, en Salomo scheen er van te weten, vers 22. Dit was van beide een onduldbare belediging beide van God en van de regering, te erger vanwege hun hoge rang en de grote invloed, die hun voorbeeld zou kunnen uitoefenen op de menigte. Zij zijn dus de volgenden met wie afgerekend moet worden, zij zijn beide gelijkelijk schuldig aan verraad, maar in het vonnis, dat over hen wordt uitgesproken wordt een verschil gemaakt, en wel om een goede reden.
I. Uit aanmerking van zijn vroegere diensten wordt Abjathar slechts uit zijn ambt ontzet, vers 26, 27.
1. Salomo verklaart hem schuldig, daar hij hem in zijn grote wijsheid schuldig heeft bevonden. "Gij zijt een man des doods, omdat gij u bij Adonia hebt gevoegd, terwijl gij wist op wiens hoofd God bedoelde de kroon te plaatsen."
2. Hij herinnert zich de eerbied, die hij vroeger aan zijn vader David had betoond, en dat hij hem in de heilige dingen gediend heeft, de ark des Heren voor zijn aangezicht had gedragen, en teder medegevoel met hem heeft gehad in zijn verdrukkingen, en met hem verdrukt is geweest, inzonderheid toen hij in ballingschap en benauwdheid was, beide door Sauls vervolging en Absaloms rebellie. Aan hen, die vriendelijkheid betonen aan Gods volk zal dit vroeg of laat ten goede gedacht worden.
3. Om die reden spaart hij Abjathars leven, maar ontzet hem uit zijn ambt, en verbant hem naar zijn landgoed te Anatoth, ontzegt hem het hof, de stad, de tabernakel, het altaar, en verbiedt hem zich met enigerlei openbare zaken te bemoeien, hem daarbij te kennen gevende dat hij zich goed had te gedragen, want, dat hij hem thans wel niet ter dood liet brengen, maar het op een andermaal wel zou doen, indien hij zich misdroeg. Voor het ogenblik echter was hij slechts uit zijn ambt van hogepriester gestoten, daar hij zich die hoge bediening onwaardig had gemaakt door tegen te staan hetgeen hij wist Gods wil te zijn. Voor een onderstelde misdaad had Saul wredelijk Abjathars vader en vijf en tachtig priesters gedood met hun gezinnen, en hun stad verwoest, Salomo spaart Abjathar, hoewel hij aan een wezenlijke misdaad schuldig was. Aldus kwam verderf over Sauls regering, en werd Salomo's regering bevestigd. Zoals de mensen zijn voor Gods dienstknechten, zo zullen zij bevinden dat Hij voor hen is.
4. Abjathars ontzetting uit zijn ambt was de vervulling van de bedreiging tegen het huls van Eli, 1 Samuël 2:30, want hij was de laatste hogepriester uit dat geslacht. Het was nu meer dan tachtig jaren sedert dat verderf werd aangekondigd, maar hoewel Gods oordelen niet altijd snel voltrokken worden, zullen zij toch zeker worden voltrokken.
II. Uit overweging van zijn vroegere misdaden wordt Joab ter dood gebracht.
1. Zijn schuldig geweten zond hem naar de hoornen van het altaar. Hij hoorde dat Adonia was ter dood gebracht en Abjathar uit zijn ambt was ontzet, weshalve hij, vrezende dat nu de beurt aan hem zijn zou, ter beschutting naar het altaar vluchtte. Velen, die in de dagen van hun gerustheid zich om de dienst van het altaar niet bekommeren, zullen ten dage hunner benauwdheid blijde zijn om er door beschermd te worden. Sommigen denken dat Joab er mee bedoelde zich voortaan geheel aan de dienst van het altaar te wijden, in de hoop hierdoor vergiffenis te zullen erlangen, zoals sommigen die al hun dagen een losbandig leven geleid hebben, gedacht hebben hier verzoening voor te doen door in een klooster te gaan toen zij oud waren geworden, de wereld verlatende nadat zij door de wereld verlaten waren.
2. Salomo geeft bevel hem daar te doden wegens de moorden op Abner en Amasa, want dat waren de misdaden waarop hij goed vond het vonnis te gronden, veeleer dan op zijn verraderlijk aanhangen van Adonia. Joab was wel schuldig de dood te sterven voor zijn aanhangen van Adonia in minachting van Salomo en diens bestemming voor de troon, hoewel hij zich niet gewend had achter Absalom, vers 28. Vroegere trouw kan later verraad niet verontschuldigen, maar behalve dat had Joab zich verdienstelijk gemaakt jegens het huis van David, waaraan hij, evenals aan het land, grote en goede diensten had bewezen, uit aanmerking waarvan Salomo hem waarschijnlijk zijn misdaad van verraad jegens hem vergeven zou hebben (want goedertierenheid geeft grote roem en bevestiging aan een nog jonge regering) en hem slechts evenals Abjathar, uit zijn ambt ontzet hebben, maar hij moest sterven voor zijn vroegere moorden, waarvoor zijn vader bevolen had hem ter verantwoording te roepen. Hijzelf, namelijk David, kon aan het onschuldige bloed, dat vergoten was, de schuld niet voldoen met het bloed van hem, die het vergoten had, hijzelf kon die schuld niet betalen maar hij liet haar na aan zijn zoon om door hem betaald te worden en deze, die er de macht toe had, is niet in gebreke gebleven om het te doen. Hierop grondt hij het vonnis, en voert een verzwarende omstandigheid aan van de misdaad, vers 32, namelijk dat hij op twee mannen is aangevallen, rechtvaardiger en beter dan hij, die hem geen onrecht hadden gedaan noch onrecht of kwaad voor hem bedoeld hadden, en die, zo zij in het leven waren gebleven, David betere dienst hadden kunnen doen. Als het bloed, dat vergoten werd, niet alleen onschuldig maar ook zeer voortreffelijk was, het leven kostbaarder, van meer waardij was dan gewone levens, dan is de misdaad zoveel te meer verfoeilijk. Daarbij kwam nog dat David er niet van geweten heeft, terwijl toch de zaak zo stond, dat hij verdacht kon worden van het geweten en gewild te hebben, zodat Joab de goede naam en de eer van zijn vorst in gevaar bracht van bezoedeld te worden, alsof hij zijn mededingers het leven had benomen, en dit was nog een andere verzwarende omstandigheid van de misdaad.
Voor deze misdaden:
a. Moet hij sterven, sterven door het zwaard van de openbare gerechtigheid. Door de mens moet zijn bloed vergoten worden, en het is op zijn eigen hoofd, vers 32, zoals het bloed van hen op zijn hoofd is, die hij vermoord heeft, vers 33. Wee het hoofd, dat onder bloedschuld ligt! Het duurde lang eer de wraak voor moord tot Joab kwam, maar toen zij kwam, bleef zij zoveel langer daar zij als een erfgoed overging op zijn zaad tot in eeuwigheid, vers 33, dat, inplaats van eer te ontlenen aan zijn heldendaden, schuld, en schande, en een vloek ontleende aan zijn snode daden. Het zaad van zulke boosdoeners zal nooit beroemd worden.
b. Hij moet sterven aan het altaar, veeleer dan te ontkomen. Joab besloot niet van het aldaar te wijken, vers 30 hopende hierdoor of zich te beveiligen, of Salomo gehaat te maken bij het volk, als een ontheiliger van de gewijde plaats, zo hij hem daar ter dood liet brengen. Benaja had gewetensbezwaar om hem daar te doden, maar Salomo kende de wet, dat Gods altaar geen bescherming moest verlenen aan moedwillige moordenaars Exodus 21:14. Gij zult hem van voor mijn altaar nemen, dat hij sterve, sterve als een offerande. In gevallen van zodanige zonden, als waarvoor het bloed van dieren verzoening kon doen, was het altaar een toevlucht, maar niet in Joabs geval, daarom gebiedt hij dat, zo hij vandaar niet wilde wijken, de doodstraf daar aan hem voltrokken zal worden, om te tonen dat hij de afkeuring des volks niet vreesde bij het doen van zijn plicht, maar hun vergissing zou herstellen en hun laten weten dat gerechtigheid beter is dan offerande, en dat de heiligheid van generlei plaats aan niemands goddeloosheid steun of bescherming kan verlenen. Zij, die door een levend geloof Christus en Zijn gerechtigheid aangrijpen met het besluit, zo zij moeten omkomen daar om te komen, zullen in Hem krachtiger bescherming vinden dan Joab aan de hoornen des altaars gevonden heeft. Benaja doodde hem, vers 34, met de plechtigheid ongetwijfeld van een openbare terechtstelling. Aan de wet aldus voldaan zijnde, werd hij begraven in zijn huis in de woestijn, in stilte als een misdadiger, niet met staatsie als een krijgsman, maar aan zijn dood lichaam wordt geen smaad aangedaan, het is niet des mensen om ongerechtigheid te leggen op de beenderen, wat God ook moge doen.
Eindelijk. Salomo heeft genoegen in deze daden van gerechtigheid, niet alsof het een bevrediging was van zijn persoonlijke wraak maar omdat het de volbrenging was van de bevelen zijns vaders, en een ware vriendelijkheid voor hemzelf en zijn regering.
1. Hierdoor werd schuld weggenomen, vers 31. Door het onschuldige bloed, dat vergoten was, te doen wederkeren op het hoofd van hem, die het gestort heeft, werd het van hem weggedaan, van hem en van zijns vaders huis, hetgeen te kennen geeft dat het bloed, hetwelk niet geëist werd van de moordenaar, geëist zal worden van de magistraat, tenminste is er gevaar dat het van hem geëist zal worden. Zij, die hun huis veilig en opgebouwd willen hebben, moeten de ongerechtigheden verre weg van zich doen.
2. Hierdoor was vrede verzekerd, vers 33 aan David, hij bedoelt niet aan zijn persoon, maar zoals hij zich in de volgende woorden nader verklaard: aan zijn zaad, en zijn huis, en zijn troon, vrede van de Here tot in eeuwigheid, aldus drukt hij zijn begeerte uit, dat het zo zijn moge, en zijn hoop dat het zo zijn zal. Nu gerechtigheid gedaan en het geroep om bloed gestild is, zal de regering voorspoedig zijn. Zo zullen gerechtigheid en vrede elkaar kussen. Nu zo'n onstuimig man als Joab uit de weg is, zal er vrede wezen. "Doe de goddeloze weg van het aangezicht des konings, en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden," Spreuken 25:5. In deze zegen van vrede op zijn huis en zijn troon, ziet Salomo vromelijk op tot God als de werker er van, en voorwaarts naar de eeuwigheid voor de volmaking er van. Het zal vrede zijn van de Here, en vrede tot in eeuwigheid van de Here. De Here des vredes zelf geve ons die vrede, die tot in eeuwigheid is.