Jeremia 15:10-14
Jeremia is nu van zijn openbaar werk teruggekeerd en heeft zich teruggetrokken in zijn binnenkamer. Wat daar voorviel tussen hem en zijn God wordt ons verhaald in deze en de volgende verzen, die hij later algemeen bekend maakte om het volk te doordringen van het gewicht en de belangrijkheid van zijn boodschapper aan hen.
Hier is,
I. De klacht, die de profeet tegen God uit over de vele teleurstellingen, die hij in zijn werk ontmoet, vers 10.
1. Hij ondervond zeer veel tegenspraak en oppositie. "Hij was een man van twist en een man van krakeel van het gehele land" zo is het beter gelezen dan "van de gehele aarde," (want zijn werk betrof slechts dat land). Beide stad en land twistten met hem en stelden zich tegen hem en zeiden en deden al wat zij konden om hem te dwarsbomen. Hij was een vreedzaam man, gaf geen aanstoot aan iemand, ook was hij niet vlug om hem aangedane beledigingen te wreken, en toch "een man van twist," geen twistend man, meer een man tegen wie getwist werd. Hij was voor vrede, maar als hij sprak, waren zij voor onvrede. En wat zij ook voorwendden, de eigenlijke oorzaak van het twisten met hem, was niets anders dan zijn getrouwheid aan God en het belang, dat hij in hun zielen stelde. Hij wees hun hun zonden aan, die hen ten onder brachten en stelde hun de weg voor, deze ondergang te voorkomen, hetwelk de grootste vriendelijkheid was, die hij hun kon bewijzen, en toch was dit juist hetgene, waarom zij vertoornd op hem waren en hem beschouwden als hun vijand. Zelfs de Vorst des vredes zelf was dus een man van twist een teken dat wedersproken werd, voortdurenij "het tegenspreken van de zondaars tegen zich verdragende," Hebreeën 12:3. Het Evangelie des vredes brengt verdeeldheid, zelfs vuur en zwaard, Mattheus 10:34, 35, Lukas 12:49, 51. Dit nu maakte Jeremia zeer ongerust, in zekere mate zelfs ongeduldig. Hij riep uit: "Wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt," alsof het zijn moeders schuld was, dat zij hem baarde, en alsof het beter voor hem geweest ware nooit geboren te zijn, dan zo'n troosteloos leven te hebben. Ja, hij is zelfs boos, "dat zij hem gebaard heeft, een man van twist," alsof hij hiertoe door de sterren, die op zijn geboorte een beheersende invloed hadden, noodlottig was aangewezen. Als hij enige soortgelijke gedachte had, kwam die ongetwijfeld uit zwaarheid voort, wij hopen evenwel liever, dat deze klacht was bedoeld om uiting te geven aan zijn toestand van onvrede.
Merk op:
a. Zelfs zij die het meest voor rust en vrede zijn, worden dikwijls mannen van twist, als zij God in getrouwheid dienen. "Wij kunnen "de vrede slechts najagen, wij staan slechts aan de ene kant en kunnen daarom alleen, zoveel in ons is vrede houden met alle mensen."
b. Voor hen die een vredelievende natuur bezitten, is het erg onaangenaam te verkeren te midden van hen die voortdurend twist maken.
c. Toch moeten we ons niet zo in de war laten brengen, als we niet zo vreedzaam met onze naasten kunnen leven als we wensen, dat we onze eigene gemoedsrust verliezen en gaan kniezen. 2. Hij trof aan zeer veel verachting, smaad en verwijt. Allen, zonder onderscheid, vloekten hem, brandmerkten hem als een onstuimig, oproerig man, als een oproermaker en tweedrachtzaaier en een, die opstand zocht aan te richten. Zij behoorden hem gezegend te hebben en God te hebben gedankt, dat Hij hem hun had gegeven, maar zij waren zo diep afkerig van en vijandig tegen God en Zijn Woord geworden dat zij om Zijnentwille Zijn boodschapper vloekten, kwaad van hem spraken en hem dit toewensten, en alles deden wat ze konden om hem stinkende te maken. Zij allen handelden zo, hij had nauwelijks een vriend in Juda en Jeruzalem, die hem een goed woord wilde geven.
Merk op: Het is dikwijls het deel van de beste mensen, dat men van hen het slechtste getuigenis geeft. "Zo vervolgden zij de profeten." Maar, men zou geneigd zijn te vermoeden, dat Jeremia hun zeker de een of anderen aanstoot had gegeven, anders kon hij toch niet zo van streek zijn. Doch neen, niet in `t minst had hij, iets gedaan, dat zij hem kwalijk konden nemen: "Ik heb niet op woeker gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven," ik ben noch crediteur noch debiteur geweest, want zo algemeen is de betekenis van de woorden hier.
a. Hierin ligt opgesloten, dat zij, die veel te doen hebben met de zaken van deze wereld, daardoor dikwijls in twist en krakeel worden gewikkeld, "meum et tuum-het mijn en het dijn" zijn de grote twistpunten, zij, die in leen geven en zij, die in leen ontvangen, vervolgen of worden in rechten vervolgd, en grote handelaars ontmoeten dikwijls zeer veel kwaadwilligheid.
b. Het was een voorbeeld van grote voorzichtigheid van Jeremia, en het staat er tot onze lering, dat, daar hij tot profeet geroepen was, hij zich niet verwarde in de zaken van dit leven, zich er niet In mengde, opdat hij zich te nauwer mocht toeleggen op het werk, dat zijn ambt meebracht en niet het minste greintje van vermoeden mocht opwekken dat hij gelijktijdig streefde naar aardse voordelen of opdat zijn naasten ook maar enige aanleiding zouden kunnen vinden om met hem te twisten. "Hij leende geen geld uit, want hij was geen woekeraar, en hij had ook geen geld om te lenen, hij nam zelf geen geld op, want hij was geen koper, geen koopman noch doorbrenger." Hij was volkomen ongevoelig voor de dingen van deze wereld en deze wereld zelf, zeer weinig was er nodig om zijn leven in stand te houden, en wij lezen in Jeremia 16:2, dat hij geen vrouw noch kinderen had. En toch:
c. Hoewel hij zich aldus bescheiden gedroeg en de algemene achting behoorde te hebben verworven, zoals men ook zou hebben verwacht, lag hij toch door de onrechtvaardigheid van de tijden onder een algemene verdenking. God zij geprezen, dat hoe slecht het om ons heen gesteld is, het niet zo slecht kan zijn of er worden er nog gevonden, die de deugd op prijs stellen. Toch moeten zulken, die zich zeer voorzichtig gedragen, het niet vreemd vinden, als zij niet die eer en achting genieten die zij verdienen. "Verwonder u niet, mijn broederen, als u de wereld haat."
II. Het antwoord, dat God op deze klacht geeft. Hoewel er een mengeling van toom en zwakheid in was, nam God er toch genadiglijk kennis van, "omdat het om Zijnentwille was, dat de profeet schande verdroeg". In dit antwoord verzekert God hem
a. dat hij in de storm zou staande blijven en ten laatste gerustgesteld zou worden, vers 11. Hoewel zijn naasten met hem twistten om hetgeen hij deed in de uitoefening van zijn ambt, stemde God met hem in en beloofde hem bij te staan. In het oorspronkelijke staat het in de vorm van een eed. "Indien ik geen zorg voor hen draag, dan mag ik als ontrouw gerekend worden, zo niet uw overblijfsel, dit is de rest uws levens (want dat betekent het woord) ten goede zal zijn, uw overige dagen vreugdevoller dan die tot dusverre zijn geweest. Uw einde zal goed zijn," zo luidt het in het Chaldeeuws. Zie, het is een grote en voldoende steun voor Gods volk, dat, hoe moeilijk ook hun weg moge wezen, hun einde vrede zal zijn, Psalm 37:37. Zij hebben nog een rest, een overblijfsel, iets in reserve, dat genoegzaam zal zijn, om tegen al hun doorgestane ellende op te wegen, en dat vooruitzicht kan hen gerust maken. Het kan schijnen, dat Jeremia, naast de kwelling hem door zijn eigen volk aangedaan, nog onrustig was bij het vooruitzicht van zijn deel in het algemeen oordeel, dat hij aan zag komen. En, al spreekt hij dat niet uit, God geeft antwoord op de gedachte, als bij Mozes, Exodus 4:19. Jeremia dacht, Indien mijn vrienden mij dus mishandelen, wat zullen dan mijn vijanden niet doen? En God had nodig geoordeeld, in hem de verwachting van zo iets wakker te roepen, Hoofdstuk 12:5. Maar hier stelt Hij diens gemoed gerust met deze belofte: "Zo ik niet, in tijd des kwaads en in de tijd van de benauwdheid, bij de vijand tussenkome!"
Merk op, God heeft aller mensen harten in Zijn hand en kan ze neigen ten gunste van Zijn knechten, die er het meest bevreesd voor zijn. En de profeten des Heeren hebben vaak edeler en beter behandeling van openlijke vijanden ondervonden dan van hen die hun eigen volk waren. Wanneer wij moeite zien naderen, die ons zeer bedreigt, laat ons niet wanhopen, maar op God blijven vertrouwen: het kan beter uitkomen dan wij verwachten. Deze belofte werd vervuld, toen Nebukadnezer, de stad genomen hebbende, de hoofdman van de wacht beval, Jeremia vriendelijk te behandelen en hem te doen gelijk hij, Jeremia, tot hem spreken zou, Hoofdstuk 39:11, 12. De volgende woorden: Zal ook ijzer het ijzer van het noorden of koper verbreken? Vers 12, vergeleken met de belofte Gods aan de profeet, Hoofdstuk 1:18, dat Hij hem tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren stellen zou, schijnt de strekking te hebben, hem te bemoedigen. Zij dwarsboomden hem gedurig, zij waren ruw en hard als ijzer, maar Jeremia, met kracht en moed van boven gewapend, is als ijzer van het noorden, dat natuurlijk sterker is, en als staal, dat kunstmatig gehard is, en daarom zullen zij hem niet overmogen, verg. Ezechiël 2:6, 3:8, 9. Hij kan zoveel gemakkelijker de twist met hen volhouden, nu hij zeker is van de overwinning.
2. God verzekert hem, dat zijn vijanden en vervolgers in het onweer zullen omkomen tenslotte verderven, en dat daarin het woord uit `s Heeren mond vervuld en Jeremia Zijn trouwe profeet bevonden zal worden, vers 13,14. Hier wendt God zich van de profeet tot het volk. Ook op het volk kan toegepast worden: Zal ook ijzer het ijzer van het noorden of koper verbreken? Zullen hun moed en kracht en hun krachtdadigste pogingen in staat blijken, met Gods raadsbesluit of met het leger van de Chaldeën te strijden, die even onbuigbaar en even onverwinnelijk zijn als ijzer van het noorden of koper. Laat ze dus hun oordeel vernemen: "Ik zal uw vermogen en uw schatten tot een roof geven, en dat zonder prijs, de verdervers zullen het om niet hebben, het zal hun een goedkope en gemakkelijke prooi worden". Zie, de profeet was arm, hij leende noch ontleende, hij had niets te verliezen vermogen noch schatten en daarom zal de vijand hem goed behandelen. "Cantabit vacuus coram latrone viator", dit is: "De reiziger, die geen eigendom met zich voert, zal zich geluk wensen, wanneer een rover hem aanspreekt." Maar de lieden, die rijke bezittingen in land of geld hadden, zouden gedood worden om hetgeen zij hadden, of de vijand, die hun rijkdom ontdekte, zou hen pijnigen om hen te doen bekennen, waar nog meer was te vinden. Hun eigen ongerechtigheid zou dat rechtvaardigen: "van al uw zonden en in al uw landpalen." Alle delen des lands, zelfs de verst verwijderde, hadden deel gehad aan de nationale schuld, en allen zouden nu rekenschap moeten geven. Laat geen stam een anderen beschuldigen, maar ieder eigen zonde belijden. "Het is om al uw zonden en in al uw landpalen. Zij zullen dus thuisblijven, tot zij hun landerijen verwoest zullen zien, en dan zullen ze in ballingschap gevoerd worden om in gevangenschap het overschot van een ellendig leven te slijten. "Ik zal u overvoeren met uw vijanden, die u in triomf naar een land zullen brengen, "dat gij niet kent," en waarin ge dus geen troost verwacht te vinden. Dit alles is de vrucht van Gods toorn: Een vuur is aangestoken in Mijn toorn, het zal over u branden, en, zo het niet in tijds geblust wordt, eeuwig verteren."