Psalm 79:1-5
Wij hebben hier een droeve klacht, ingediend bij het hof des hemels. De wereld is vol van klachten, en dat is ook de kerk, want zij lijdt niet alleen met haar, maar door haar, van haar, gelijk een lelie onder de doornen. Er wordt geklaagd bij God, tot wie zullen kinderen heengaan met hun verdriet en hun leed dan tot hun vader, tot een vader, die instaat en bereid is hen te helpen? Er wordt geklaagd over heidenen, die, vervreemd zijnde van het burgerschap Israëls, er de gezworen vijanden van waren. Zij kenden noch erkenden God, daar God hen echter als aan een keten had, beroept de kerk zich zeer gevoeglijk op Hem tegen hen, want Hij is de koning van de volken om hen te beheersen, recht te doen onder de heidenen, en de koning van de heiligen, om hen te begunstigen en te beschermen.
I. Zij klagen hier over de toom van de vijanden en het geweld van de verdrukker, uitgeoefend:
1. Tegen plaatsen, vers 1. Zij deden al het kwaad, dat zij konden:
a. Tegen het Heilige Land, zij hebben het aangevallen, er vijandige invallen in gedaan, "heidenen zijn gekomen in uw erfenis, om haar te plunderen en te verwoesten." Kanaän was aan de vrome Israëlieten dierbaarder als Gods erfenis dan als hun eigen erfenis, als het land, waarin God bekend en Zijn naam groot was, dan als het land, waarin zij geboren en opgevoed waren, en dat zij en hun voorouders lang in bezit gehad hebben. Schade, toegebracht aan de Godsdienst, moet ons meer bedroeven, dan die aan het gewone recht, ja dan die aan ons eigen recht wordt toegebracht. Wij moeten het beter kunnen dragen dat onze erfenis verwoest wordt, dan dat Gods erfenis verwoest wordt. Deze psalmist had er in de vorige psalm als een voorbeeld van Gods grote gunst jegens Israël melding van gemaakt, dat Hij "de heidenen voor hun aangezicht had verdreven," Psalm 78:55. Maar zie welk een verandering door de zonde was teweeggebracht: thans wordt het aan de heidenen toegelaten invallen bij hen te doen en hen te overweldigen.
b. Tegen de heilige stad. Zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld, tot puinhopen, of tot hopen, zoals men ze op graven stelt, (naar sommigen denken). De inwoners waren begraven onder het puin van hun eigen huizen, hun woningen werden hun grafstenen, hun langdurig tehuis.
c. Aan het heilig huis, dat heiligdom, hetwelk God gebouwd heeft als hoge paleizen, en dat men dacht vast gevestigd te zijn als de aarde, was met de grond gelijk gemaakt, zij hebben de tempel Uwer heiligheid verontreinigd, door er binnen te komen en hem te verwoesten. Gods eigen volk had hem verontreinigd door hun zonden, en daarom liet God aan hun vijanden toe om hem te verontreinigen door hun onbeschoftheid.
2. Tegen personen, tegen de lichamen van Gods volk, verder kon hun boosaardigheid niet reiken.
a. Zij waren verkwistend met hun bloed, hebben hen zonder barmhartigheid gedood, hun oog spaarde niet, zij schonken geen lijfsgenade, vers 3. Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten, overal waar zij hen aantroffen, in alle toegangen van de stad, allen, die uitgingen of inkwamen, werden opgewacht, om met het zwaard te worden gedood. Zeer veel mensenbloed werd vergoten, zodat de waterbeken stroomden van bloed. En zij vergoten het met niet meer aarzeling of leedwezen dan wanneer het water geweest ware, weinig denkende dat van elke droppel rekenschap gevraagd zal worden ten dage wanneer God de bloedstortingen zoeken zal.
b. Zij mishandelden hun dode lichamen, na hen gedood te hebben wilden zij niemand van hen laten begraven. Ja meer, hen die reeds begraven waren, de dode lichamen van Gods dienstknechten, het vlees van Zijn gunstgenoten, tegen wier naam en nagedachtenis zij inzonderheid verwoed waren hebben zij opgegraven, om hen het gevogelte des hemels en het gedierte des lands tot spijs te geven, of ten minste, hebben zij hen, die zij gedood hadden, er aldus aan blootgesteld, zij hingen hen op in ketenen, hetgeen zeer bijzonder smartelijk was voor de Joden, omdat God hun een uitdrukkelijk gebod hiertegen had gegeven, als iets dat wreed was, Deuter. 21:23. Deze onmenselijke behandeling van Christus getuigen is voorzegd, Openbaring 11:9, en aldus waren zelfs dode lichamen getuigen tegen hun vervolgers. Hiervan wordt melding gemaakt, (zegt Augustinus, De Civitate Dei, lib. 1, Cap. 12) niet als een voorbeeld van de ellende van de vervolgden, (want de lichamen van de heiligen zullen verrijzen in heerlijkheid, al werden zij ook aan de vogelen des hemels tot spijs gegeven) maar van de boosaardigheid van de vervolgers.
3. Tegen hun namen, vers 4. "Wij, de overlevenden, zijn onze naburen een smaadheid geworden, allen leggen zij er zich op toe om ons met smaad en verachting te overladen, ons bespottelijk en hatelijk te maken, ons onze zonden voor de voeten te werpen, ons te smaden om ons lijden, onze betrekking tot God en onze verwachting van Hem te loochenen, zodat wij die, die rondom ons zijn, een spot en schimp zijn geworden." Als Gods belijdend volk ontaardt van hetgeen zij zelf en hun vaderen geweest zijn, dan moeten zij verwachten dat hun dit gezegd zal worden, en het zal goed wezen, indien een rechtvaardig verwijt ons tot ware bekering brengt. Maar het is het lot geweest van het Israël van het Evangelie om onrechtvaardiglijk tot een spot en schimp te worden gemaakt, de apostelen zelf waren als aller afschrapsel geacht.
II. Zij verwonderen zich meer over Gods toorn, vers 5. Dien ontwaren zij in de toorn hunner naburen, en hierover klagen zij het meest. Hoe lang, Heere, zult Gij eeuwiglijk toornen Dit geeft te kennen, dat zij niets meer begeerden, dan dat God verzoend met hen zou wezen, dat Zijn toorn afgekeerd zou worden en dan zou het overblijfsel van de grimmigheid van de mensen opgebonden worden. Zij, die Gods gunst meer begeren dan het leven, kunnen niet anders dan Zijn toorn vrezen als erger dan de dood, en hem afbidden.