Bijbelstudie
Boeken
Ezechiël 9
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
1
DAARNA riep
1
Hij
2
voor mijn oren
met
luider stem,
3
zeggende: Doet
4
de opzieners
5
der stad naderen, en elkeen met zijn
6
verdervend wapen in zijn hand.
2
En zie,
7
zes mannen kwamen van den weg
8
der Hoge poort, die gekeerd is
9
naar het noorden, en
10
elkeen met
11
zijn verpletterend wapen in zijn hand, en
12
één Man in het midden van hen was
13
met linnen bekleed, en een
14
schrijvers-inktkoker was
15
aan Zijn lendenen; en zij kwamen in en stonden bij
16
het koperen altaar.
3
En
17
de heerlijkheid van den God Israëls hief zich op van den
18
cherub, waarop
19
Hij was, tot den
20
dorpel van het huis; en Hij riep tot den Man Die met linnen bekleed was, Die den schrijvers-inktkoker aan Zijn lendenen had.
4
En de HEERE zeide tot Hem: Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en
21
teken een
22
teken op de voorhoofden
23
der lieden die zuchten en uitroepen over al die gruwelen die in het midden
24
derzelve gedaan worden.
5
Maar tot
25
die
anderen
zeide Hij voor mijn oren: Gaat door, door de stad achter
26
Hem, en
27
slaat; ulieder oog verschone niet, en spaart niet.
6
28
Doodt ouden, jongelingen en maagden, en kinderkens en vrouwen, tot verdervens toe; maar genaakt aan niemand
29
op denwelken het teken is, en
30
begint
31
van Mijn heiligdom. En zij begonnen van de
32
oude mannen die voor het
33
huis waren.
7
En Hij zeide tot hen:
34
Verontreinigt het huis en vervult
35
de voorhoven met verslagenen; gaat henen uit. En zij gingen henen uit, en
36
zij sloegen in de stad.
8
Het geschiedde nu als zij
37
hen geslagen hadden en
38
ik overgebleven was, dat ik
39
op mijn aangezicht viel en riep, en zeide: Ach Heere HEERE, zult Gij al het overblijfsel
40
Israëls verderven, met Uw grimmigheid uit te gieten over Jeruzalem?
9
Toen zeide Hij tot mij: De ongerechtigheid van het huis van Israël en Juda is
41
gans zeer groot, en het land is met
42
bloed vervuld, en de stad is vol van
43
afwijking;
44
want zij zeggen: De HEERE heeft het land verlaten, en de HEERE ziet niet.
10
Daarom ook, wat Mij aangaat,
a
45
Mijn oog zal niet verschonen, en Ik zal niet sparen; Ik zal
46
hun weg op hun hoofd geven.
11
En zie, de Man Die met linnen bekleed was, aan Wiens lendenen de inktkoker was, bracht bescheid weder, zeggende:
47
Ik heb gedaan
48
gelijk als Gij Mij geboden hadt.