26. En aan de geslotene vensteren 1), even als aan de voorportalen van de ingangen (
Hoofdstuk 4:16) waren ook palmbomen van deze en van gene zijde, aan de zijden van het voorhuis; en aan de zijkameren van het huis, en aan de dikke planken.
1) Hierdoor kan men Christus verstaan, die zo wel in het Oude- als in het Nieuwe Testament als de deur wordt voorgesteld, door welke deur wij allen in het geloof moeten ingaan tot de zalige gemeenschap van Christus en Zijn Kerk. In den laatsten tijd zullen beide deurvleugels als tegelijk opengaan, opdat de grote menigte der Joden en Heidenen, die zich bekeren zullen, daardoor kunnen ingaan.
Wij twijfelen er niet aan, dat in het tempelgebouw, waarover wij sedert Hoofdstuk 40:48 spreken, ons nu de inwendige gesteldheid des harten van ieder lid in `t voorgaande als gesymboliseerde gemeente zinnebeeldig wordt voorgesteld. Ook al lieten wij het lichaam tot ere Gods verbranden, zo merkt Oecolampadius op, kon het hart toch nog onrein zijn. Zo waren ook alle woorden van mensen en engelentongen, alle voorzeggingen en alle andere geestelijke gaven en Christelijke werkzaamheden niets, wanneer de inwendige mens dergenen, die in het binnenste voorhof hun brandoffer verrichten en hunnen godsdienst uitoefenen, niet van de ware gesteldheid ware (1 Corinthiërs 13:1) Daarom voert ons de beschrijving van den Profeet van de plaats van het binnenste voorhof en het altaar, dat zich in deze ruimte bevindt, spoedig weer tot het eigenlijke heiligdom. Het woord van Christus tot Zijne jongeren (Johannes 14:23): "Zo iemand Mij lief heeft, die zal Mijn woord bewaren, en Mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken" geeft ons nu al dadelijk in `t algemeen een zeker punt, om de betekenis van het allerheilige en het daarvoor liggende heilige te verstaan. Even als de Profeet als uit het priesterlijk geslacht met den Engel in het heilige mede mag binnengaan, zo heeft Christus de gelovigen in ene zo nauwe verbintenis tot Zich gesteld, dat deze één hart en ééne ziel met Hem zijn, dat zij met Hem als met enen vriend of broeder omgaan, en zij geheel in Zijn beeld kunnen verheerlijkt worden. Christus wil ene gestalte in hen verkrijgen, en zo als Hij is, zo kan en moet ook de gelovige zijn in deze wereld (1 Johannes 4:17). Het wonen van Christus door het geloof in het hart (Efeze 3:17) kent dus paal noch perk. Het kan opklimmen tot een vervuld zijn met Zijne gehele volheid Gods, wanneer men dat verstaat in den zin, welken de plaats 2 Petrus 1:3 v. aan de hand geeft, en zij zal bij de leden der Zionsgemeente toenemen tot deze mate, waarvoor het gezegde in Openbaring 4:1, 4 ons borg staat. Wat daarentegen het allerheilige aangaat, zo kan de Profeet den engel, die hem geleidt, daarheen niet volgen; hij is priester, maar geen hogepriester. Christus zelf is reeds in den hoogsten tabernakel ingegaan, maar voor den gelovige, zo lang hij op aarde rondwandelt, woont God nog in een licht, dat niemand kan bereiken; zelfs een Paulus kan het slechts ten dele, en ook aan enen Johannes is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Gelijk intussen de Engel, die den Profeet geleidt, uit het allerheilige hem verkondigt, wat hij moet weten, en zijn meten mede laat aanzien (Vers 3 v.) zo verkondigt ons Christus van den Vader en uit het hoogste heiligdom, wat ons tot zaligheid nodig is, en spreekt met het gelovige hart. Het heilige staat in onmiddellijk verband met het allerheilige; zij zijn beide slechts de twee delen van een en hetzelfde geheel. "Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien" dat heeft tot op zekere hoogte zijne waarheid reeds voor het aardse leven, en dat zal tot in al den omvang van die mate aan hen blijken, op welke onze profetie hoofdzakelijk doelt (Openbaring 4:3 v.). Wanneer daarom de tijd der vervulling daar zal zijn, zullen nog geheel andere inzichten in de diepten van het Goddelijk woord en in de geheimen der Christelijke leer van hen uitgaan dan waartoe wij heidenen in de Christelijke kerk het hebben kunnen brengen. Men zou dus wel doen, zo men veel overliet voor de toekomst bijv. de nieuwe vertaling van onzen Bijbel, daar onze overzetting voor onz geheiligd is door hetgeen de Heere door haar gedurende eeuwen heeft gedaan; eerst wanneer de Heere Zelf de wegen baant, worde plaats voor ene nieuwe gemaakt. Waar het hart geworden is tot een huis, waarin de Vader woont door den Zoon in den Heiligen Geest, daar gaat het reukwerk in gebed bestendig naar boven; en zo ontbreekt natuurlijk aan Ezechiëls tempelgebouw het houten altaar voor het allerheilige niet, doch wel wordt gezwegen van de tafel der toonbroden ter rechter, en van den gouden kandelaar ter linker hand, daar deze betrekking hebben op de goede werken des geloofs en op de lichtverspreiden de deugden in het bezit van de gaven des Heiligen Geestes (Exodus 25:30, 40) Het bekeerde Israël, dat tot heiligheid wordt opgevoerd, heeft die wel in volheid aan te wijzen, toch is de grondtrek van zijn hart het denken aan zijne vorige wegen en het zich schamen daarover (Hoofdstuk 16:61; 20:43; 36:31 v. en daar blijft slechts enigermate ruimte voor het gebed, waarin al het andere opgaat. Misschien is om gelijke reden gezwegen van het goud bij de beschrijving van de versiering van het huis, terwijl bij den Salomonischen tempel aan de pracht van goud en kleuren veel moeite besteed is. Dat doet denken aan het: "Ik ben zachtmoedig en nederig van harte, " waarin Israël het Lam, dat het volgt, vooral zoekt na te streven, en zo als ene vrouw van den waren stempel (1 Petrus 3:3 v.) zich versiert met reine en schone zijde, om zich voor den dag der bruiloft voor te bereiden (Openbaring 9:7 v. Wat de geslotene vensters betekenen, welke rondom het huis zijn aangebracht, daarop heeft Luthers kanttekening bij 1 Koningen 6:4 reeds opmerkzaam gemaakt. De gemeente op Zion heeft op al hare bijzondere leden noch tijd noch lust, om naar de wereld daarbuiten te staren, zich met haar in te laten en te verkeren. Vooral in den laatsten tijd der 20ste eeuw moet zij zich zorgvuldig er voor bewaren, dat haar niet iets van buiten, in het hart komt, wat haar in het zoeken der wereld zou kunnen inwikkelen. Alles toch loopt uit op de vorming van den Antichrist en van zijn rijk, en de boze geesten onder den hemel zijn ijverig bezig, om hem ene bereidwillige opname bij de kinderen der wereld te verschaffen. De heilige bergen Israëls zullen echter voor zijn bereik gesloten blijven tot op de laatste beslissende ure, dat het gericht over hem wordt gehouden. In tegenstelling tot het verkeer met de buitenwereld, dat voornamelijk slechts bestaat in hetgeen in Hoofdstuk 47:1-12 symbolisch wordt uitgedrukt, namelijk door den waterstroom, die zich uitstort, heeft daarentegen het Israël, dat zich heiligt, des te meer aan `t eigen hart te doen, en daarvan al het onreine, het nutteloze af te zonderen. Daarom is ook van groot gewicht de Gisra, of de afgescheidene plaats achter het tempelgebouw. Vroeger moest de Heere over Zijn volk (Hoofdstuk 23:35. Psalm 50:17 "gij haat de kastijding en werpt Mijne woorden achter u henen; " maar nu moet dit omgekeerd tot den Heere kunnen zeggen (Jesaja 38:17. Micha 7:18 v.): "Gij hebt alle mijne zonden achter Uwen rug geworpen. " Met de inwoning van Christus in zijn hart en bij het bestendig verkeer met den Vader door den Zoon in den Heiligen Geest leert het steeds grondiger en dieper zich zelven onderzoeken, en gelijk het ten opzichte van hen, die buiten zijn burgerschap staan, de gave heeft ontvangen om de geesten te beproeven, om door gestrenge wacht aan de ingangen van Zijn heiligdom valse vrienden verre van zich te houden (Hoofdstuk 40:27), zo heeft het nog veel helderder ogen om het eigen hart in scherpe controle te nemen. Daarbij heeft het echter ook die afgezonderde plaats nodig, om uit het hart en van alle zijne offergaven in gebed en arbeid, wat als onrein en verkeerd erkend is, af te zonderen (vgl. Zacharia 13:1). Welke gesteldheid van den inwendigen, verborgen mens daar tot stand komt, dat, dunkt ons, wijzen het palmenloof en de Cherubim aan de wanden en aan het gehele gebouw rondom aan. In Hoofdstuk 34:29 was sprake van ene beroemde plant of planting, welke de Heere Zijn volk nog wilde verwekken, en wij hebben daarbij gedacht aan de stichting van het duizendjarig rijk onder Israël. Tot dit doel streeft de gehele inwendige mens, even als de beide hoofden der Cherubim steeds naar een palm zijn gericht, en de beide hoofden zijn die eens mensen en eens leeuws, dat zeker op Christus doelt, als des mensen Zoon en den Leeuw uit Juda's stam, in zo verre Zijn heilig beeld in twee opzichten zich in het hart indrukt, en het is de vraag of voor de omstandigheid, dat van de vier Cherubs-aangezichten in Hoofdstuk 1:10 hier slechts twee voorkomen, deze de voldoende verklaring is, dat bij het beeldhouwwerk gene meerdere konden geplaatst worden, en men de beide andere in den geest moet denken. Wij zouden integendeel geloven, dat de Cherubim op deze plaats niet dezelfde betekenis hebben als daar, maar een zinnebeeld zijn van het vernieuwde en geheiligde Israël. Daarin verkrijgt nu de ideale mens zijne uitdrukking, en ook de roeping tot heerschappij over de aarde komt dus daarin tot werkelijkheid. Israël is geheel en al de tegenstelling van den Antichrist, den mens der zonde en het kind des verderfs, het wordt tot den mens, die naar God geschapen is in volkomene gerechtigheid en heiligheid; zij worden tot de heiligen des Allerhoogsten, die het rijk innemen en het altijd en eeuwig zullen bezitten (Daniël 7:18). Wij onthouden ons van ene verklaring van alle overige punten, waarop bijv. de aanbouw ter zijde en de vrijgelatene plaats mogen doelen, hoewel ook hiervoor veel zou zijn aan te voeren en halen alleen nog enige opmerkingen van anderen.
Van een voorhangsel voor het allerheilige is hier geen sprake meer, het valt weg, omdat het met den dood van Christus scheurde, en niet weer mocht worden gemaakt (Johannes 12:45; 14:9).
De gehele tempelomvang is een allerheilige geworden (Hoofdstuk 43:12). In dezen tempel is geen plaats meer voor een verbondskist (Jeremia 3:16 v.), in hare plaats treedt de volle openbaring der Schechinah.
De bewering van de symbolische betekenis van alle getals- en maatbepalingen in den Bijbel verkrijgt in het heiligdom van onzen Profeet ene gewichtige bevestiging. Merkwaardig is daarbij vooral het te voorschijn treden van het getal vier; want het tempelgebouw is de volkomenste vierhoek, welke niet alleen het teken is van regelmatigheid, maar ook van openbaring Gods in de ruimte. De Persoonlijke heilige God laat Zijnen Geest waaien naar de vier hemelstreken (Hoofdstuk 37:9), en woont in het afbeeldsel der wereld, het aardse heiligdom. Maar ook het voorportaal der Oostpoort heeft twee maal vier ellen. Zo vinden wij ook vier tafels aan de ene en vier tafels aan de andere zijde, waarop men slachtte, en vier tafels voor het brandoffer, om de gereedschappen, waarmee men moest slachten, op neer te leggen. Op twee maal vier trappen steeg men tot de poorten van het binnenste voorhof, en dat wordt uitdrukkelijk als een kwadraat voorgesteld. Eveneens vinden wij het getal drie. Dadelijk is de muur van buiten om het huis tweemaal drie ellen of ééne meetroede. Daar nu, gelijk duidelijk is, de muur te klein zou zijn, wanneer die alleen de uitwendige bestemming van bescherming moest hebben, en daarom alleen de symbolische voorstelling der scheiding van het heilige aan het gewone toebehoort, zo is duidelijk dat zij het teken van het Goddelijke, het drietal in zich dragen moest. Dit komt nog daarenboven dubbel voor. Om gelijke reden is ook de drempel aan de poort ene meetroede breed, en de kamers daarin, waarvan drie aan beide zijden zijn, eveneens. Ook de kamer had zes ellen aan de ene en zes ellen aan de andere zijde. Drie deuren heeft elk der beide voorhoven, en in den buitensten voorhof zijn dertig kamertjes gebouwd. Zeer menigvuldig en opmerkelijk komt ook het getal tien voor, deels enkelvoudig, deels met verdubbelingen en vermeerderingen. Het betekent de in zich afgeslotene voleinding, evenals het getal vijf, de helft van tien, het voorportaal der volmaaktheid. Wat het heiligingsgetal zeven, aangaat, zo ontbreekt ook dit niet, en het is opmerkelijk, dat zeven trappen tot de poorten van het uitwendige voorhof leiden en het brandofferaltaar zeven ellen hoog is, gelijk dan dit getal bij de offeranden en feesten bijzonder op den voorgrond treedt. Eindelijk ontbreekt ook het verbondsgetal twaalf niet, wij vinden voor de offerbereiding te zamen twaalf tafels, overeenkomende met de twaalf poorten van het nieuwe Jeruzalem.
Het staat ontwijfelbaar vast, dat Ezechiëls tempel voor het terugkeren uit de ballingschap bestemd was. Die na de ballingschap van Babel gebouwd is had die ruimte niet, zo blijft alleen over te denken aan het terugkeren uit de tegenwoordige verbanning. Ezechiëls tempel behoort, naar wij menen, onder die voorspellingen, wier vervulling doorlopend en gedurig klimmende is. Gelijk alle profetie, zo wortelt ook deze in den toestand des ogenbliks om zich te verheffen tot in de sferen der toekomst. De Profeet stelt zich het ogenblik voor, dat Israël, tot inkeer gekomen, zijn land weer bevolken, zijn tempel herstellen zal, en verklaart zelf, dat zijn schilderij in de behoefte van dien stond moet voorzien (Hoofdstuk 43:10, 11.). Hij tekent alles met zoveel nauwkeurigheid af, dat het niet moeilijk valt zich tot in de kleinste bijzonderheden voor te stellen, hoe, naar zijne opgave, het land verdeeld, het Godshuis moet ingericht worden. Maar slechts het kleinste deel volks keert terug, en aanvankelijk streeft het nieuwe heiligdom zo weinig het oude te boven, dat wie beiden vergelijken kan, de tranen zijner smart niet bedwingt (Ezra 3:12, 13.). Intussen wordt weldra beloofd, dat de heerlijkheid van den tweeden tempel groter dan die van den eersten zal zijn, en die belofte wordt vervuld, wanneer de Zoon des mensen optreedt. Middelerwijl zinkt die tempel zelf, tot straf van het ongeloof der Joden, in puin, en op zijne bouwvallen verrijst een geestelijk heiligdom des Nieuwen Verbonds, waarop zich, het kan niet ontkend worden, menige trek zijner schets uitstekend over laat brengen Hoofdstuk 43:10, 11). Dat heiligdom wordt steeds hoger volbouwd, en neemt alle heidenen, die geloven, in zijne voorhoven op, en ontsluit ten laatste zijne poorten voor Israël, dat tot den Heere wordt bekeerd. Het volk geniet eindelijk in een hersteld Jeruzalem al de zegeningen der Christus-regering, en thans begrijpt de laatste, de volkomene vervulling van Ezechiëls uitzichten plaats. Op wat wijze, na wat grote veranderingen, in wat verband met de eisen der nieuwe bedeling? Wij weten het niet, en zullen het nimmer te weten komen, zolang God zelf het raadsel niet opklaart. Tot zo lang zijn slechts gissingen mogelijk:, en waar men die met bescheidenheid voordraagt, boven de machtspreuken ver te verkiezen, dat kan niet mogelijk, dat zou Gode onwaardig zijn! Ongezind om verder op het gebied der gissingen rond te dolen geven wij liever Gode de eer, door luid en vrij te verklaren, dat Hij in Zijn woord dingen kan hebben laten beschrijven, tot wier volkomen oplossing ons de passende sleutel ontbreekt, omdat nog het einde niet daar is. Hem laten wij de zorg over, om de eer van dat Woord te rechtvaardigen, ook waar het schijnen zou bijna in tegenspraak met zichzelven te komen. Dit staat vast, tot nog toe is deze profetie niet vervuld; of zij dan nog vervuld zal worden, kan het geloof niet betwijfelen; hoedanig die vervulling zal zijn is ene vraag, waarop de wetenschap des geloofs het antwoord schuldig moet blijven. Juist omdat wij de volkomene vervulling, hoedanig dan ook, eerst van den dag der toekomst verwachten, achten wij ons zelven en iederen gelovigen uitlegger met ons, volstrekt onbevoegd, om op eigen gezag te verklaren, welke trekken in deze prachtschilderij eigenlijk zijn op te vatten. Zolang geen hoger hand de zegelen van deze boekrol heeft los gemaakt, is de poging kinderwerk, om die met ene ongeoefende kinderhand los te rukken. Maar dat, bij al het raadselachtige de voorstelling rijk is aan hartverheffende zijden, hoe blijkt het uit het gezicht, dat in het 47e Hoofdstuk geboekt is: of wie, die aan de zijde des Zieners verplaatst, het levend water te voorschijn ziet stromen van onder den dorpel des heiligdoms, en het straks in den stroom ziet verkeren, die al dieper en dieper wordt, zodat men hem niet kan doorwaden, terwijl ginds aan den oever het lommerrijk geboomte verrijst, en het levensvocht, overal heengespoed, alom leven en gezondheid verspreidt- wie, zeggen wij, die dat alles leest, voelt den frissen adem des nieuwen Verbonds zich niet tegenzweven, dat nog op zijne laatste bladzijde de roepstem uit het hemels Jeruzalem overbrengt: "die dorst heeft, kome, en die wil, drinke van het water des levens om niet (Openbaring 2:17). Blijve dan ook voorts menige zaak onbeslist, en worde zelfs door zoveel geheimzinnigs tot zekere laagte de raad van sommige Rabbijnen gewettigd om Ezechiël niet te lezen, zo lang men niet tot rijper jaren gekomen was, genoeg, wij laten de uitkomst over aan Hem, die ons het hoe der toekomende ontwikkeling van Zijnen enigen raad niet bekend gemaakt, maar de tijden en gelegenheden in Zijne eigene hand gesteld heeft!