17. Zie, in of met vrede is mij de bitterheid bitter geweest, mijne ziekte met al hare verzwarende omstandigheden is mij wel zeer bitter geweest, de goddelijke bezoeking heeft mij wel gevoelig getroffen, maar dit kruis heeft mij ten goede gewerkt en is mij tot vrede geworden, maar Gij hebt mijne ziel lieflijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwam; want Gij hebt mijne zonden achter Uwen rug geworpen 1), om ze nooit meer te gedenken (
Nehemia 9:26.
Psalm 32:1,
Micha 7:18). Mijne zonden wierp gij achter Uwen rug, dat is: Gij hebt ze der vergetelheid overgegeven, uit Uw oog verbannen; het tegendeel van ene andere spreekwijze: "Gij stelt mijne zonden gedurig voor Uw aangezicht. " Hizkia schrijft dus zijne ziekte en zijn ongeval aan zijne zonden toe, niet om enige grove en in `t oog lopende ongerechtigheid, die hij bedreven had, maar om al de afwijkingen, waaraan hij zich uit zwakheid en menselijke verdorvenheid had schuldig gemaakt.
De Heere meende het goed, het lijden was een tuchtiging, maar een tuchtiging uit liefde. Alle zijne zonden achter Zich heenwerpende, zoals men met dingen doet, waarvan men niets wil weten, en waaraan men niet herinnerd wil zijn, minde Hij hem, d. i. trok hem liefhebbend uit, uit de groeve der vernietiging.
Als God de zonde vergeeft, werpt Hij ze achter Hem henen, als niet bedoelende, om ze weer met een oog van rechtvaardigheid en naijver te aanschouwen. Hij wil er den mens dan niet in toorn om bezoeken, en delgt ze uit, niet alsof ze nooit hadden plaats gehad, maar om ze niet te straffen, gelijk ze verdiend hadden.